+ Meer informatie

EEN STEM UIT DE KERKEN OP DE SYNODE VAN 1953

6 minuten leestijd

De opmerking wordt wel eens gehoord of gelezen, dat zaken, die het kerkelijke leven raken, soms niet op kerkelijke wijze aan de orde worden gesteld. Dat deze opmerking gemaakt wordt, kunnen we begrijpen. In het plaatselijke kerkelijke leven maakt men het wel eens mee, dat men via, via iets verneemt. Men wordt als predikant, als kerkeraad met iets geconfronteerd, waarvan vooraf niets vernomen was. Dit is in strijd met de kerkelijke stijl. Dit is in strijd met het Woord des Heeren. Dit nu kan niet gezegd worden van de verschillende zaken, die ons kerkelijk leven heden bezig houden. Op diverse vergaderingen komen ze aan de orde. Zelf zouden we wel het één en ander kunnen schrijven over wat in de jaren ’53 – ’72 besproken werd. Alle kerkelijke vergaderingen: Classis, P.S. en G.S. hebben we bijgewoond. Medeafgevaardigden uit die jaren zouden het kunnen bevestigen, dat de ontwikkelingsgang van het kerkelijke leven verschillende malen besproken en aan de orde is gesteld. Dat dit altijd niet in de verslagen is vast gelegd is logisch. Wordt alles van een kerkeraadsvergadering gepubliceerd? Dit doet niet één kerkeraad. Wanneer men echter inzage zou ontvangen van de notulen, zou men wel het één en ander kunnen lezen, van de besprekingen op kerkeraads-, classis- en p.s.-vergaderingen. Daar wij de acta’s kunnen bekomen van de generale synodes, kunnen we lezen wat daar behandeld en besproken is. De vorige keer hebben we U gewezen op de synode van 1953, gehouden te Apeldoorn. Deze synode zond een brief aan de kerkeraden, bestemd voor de gemeenten. De acta nu van deze synode vermeldt, dat op de zesde zitting van de synode behandeld werd de instructie van de Part. Synode van het Zuiden. De instructie luidde als volgt: „De Part. Synode van het Zuiden, overnemende de instructies van de Classis Rotterdam, Middelburg en Rotterdam, constateert grote onrust in onze kerken en verzoekt de Generale Synode zich ernstig te bezinnen op de oorzaken daarvan en alles in het werk te stellen, dat verschillende bezwaren tegen de huidige gang van ons kerkelijke leven uit de weg worden geruimd en deze instructie te behandelen in het licht van het rapport door de commissie uit de Classis Dordrecht samengesteld”.

In de bijlage XII van deze acta is dit rapport te vinden. In dat rapport wordt gewezen op verschillende zaken. A. De prediking. Bij de voorwerpelijke behandeling van de stof, wordt de onderwerpelijke inslag te veel gemist. Waarschuwingen voor dood en eeuwigheid, het wijzen op de noodzakelijkheid der wedergeboorte, inlijving in Christus door het geloof, het bevindelijke leven van Gods kinderen worden weinig meer gehoord. Inplaats van dat, treft men aan een gezwollen moderne taal, waarin de warmte des Heilige Geestes niet wordt gevoeld. De oorzaak van alles ligt in de geforceerde Verbondsbeschouwing. De rijkdom van het Verbond kan naar de mening der commissie niet genoeg gepredikt worden, maar dan moet zulk een prediking ook een ware geestelijke beleving stellen, zoals de Schrift die aangeeft en ook Hellenbroek in zijn vraagboekje schoon beschrijft. Deze geforceerde Verbondsbeschouwing wordt ook gezien in het al te formalistisch beklemtonen en uitgaan van het ideaal: belijdenis doen is tevens toegang vragen tot het H. Avondmaal. Zeker is het ideaal stellen: eis, maar van het ideaal uitgaan zonder te letten op de praktijk, is bedrog voor de eeuwigheid.

Juist op dit punt moet onze Christ. Geref. Kerk, die de nadruk wil leggen op het werk des Geestes, ruimte laten voor het werk des Geestes en zal een belijdenis in de keuze, in de begeerte des geloofs, meer vrucht kunnen afwerpen, dan een belijdenis met een beredeneerd beschouwend geloof, waarop dan het Avondmaal streng formeel moet volgen (zie boekje Prof. v. d. Meiden: „Strijd des geloofs”).

B. Het vragen naar nieuwe vormen. Dit vragen is een gevaarlijk symptoom van de geestelijke verarming onzer kerken. Al is het vragen naar nieuwe, betere vormen op zichzelf niet te veroordelen, toch de „geest”, die er achter zit, is niet de H. Geest te noemen. In een tijd van geestelijke verarming is het beter zich te bezinnen op het wezen der dingen, dan op uiterlijke vormen.

C. Opleiding. Verschillende candidaten stellen teleur. De diepgang ontbreekt. Er zijn er zelfs die na het dichtslaan van de schooldeuren, zich ontpoppen als geïrriteerden over de ouderwetse en achterlijke gang van ons kerkelijk leven en nieuwe denkbeelden probeert men onze kerken op te dringen die de geest der ouderen en der ware godsvrucht niet hebben.

D. De bedenkelijke leiding van verschillende Jeugdleiders is een gevaar, dat de kerken bedreigt.

Aan de G.S. werden al deze zaken voorgelegd om zich er op te bezinnen en tevens werd het verzoek aan haar gericht om een openlijk getuigenis tot al de kerken te doen uitgaan met een oproep tot beleving der afscheiding en het gebed om de werking van de H. Geest. De kerkelijke pers en vooral het kerkelijk orgaan „De Wekker” late een krachtig getuigenis horen, tegen elke beginselafwijking en vervlakking in leer en leven van ons volk. De kerk onthoude zich, in de situatie, waarin zij thans verkeert, van hei najagen of invoeren van allerlei nieuwe vormen. Onze Theologische School verlieze zich niet alleen in het intellectuele maar blijve de volle nadruk leggen op de praktische vorming. Het z.g.n. proefjaar zij niet alleen een test van de wetenschappelijke kwaliteiten, maar vooral tot ernstig onderzoek of roeping en genadestaat in heel de levensopenbaring blijkt. Alle studenten, die in leer en leven een bedenkelijk gevaar voor de kerk blijken te zijn en die niet met volle vrijmoedigheid kunnen worden toegelaten dienen onvoorwaardelijk van de School verwijderd te worden. De leiding der jeugd worde gesteld onder scherpe critiek van de kerk. Heel de kerk stimulere en bevordere het jeugdwerk zoals dat vroeger was, in de oude lijn der afscheiding.

Op bovenstaand rapport, dat de toelichting was van de instructie van de Part. Synode van het Zuiden, hebben we gemeend U te moeten attenderen. Hierin hebben we een duidelijk bewijs, dat er zelfs op de breedste vergadering der kerken zaken aan de orde zijn gesteld en deze zaken zijn ook nadien naar aanleiding van diverse zaken en rapporten ter tafel gebracht.

Daar wij het getuigenis van deze Synode zien als een veelzeggend getuigenis willen we de volgende keer ingaan op de vraag: hoe staan wij tegenover het getuigenis van 1953.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.