+ Meer informatie

algemene bijstandswet

6 minuten leestijd

Diakonale waakzaamheid geboden voor de uitvoering van artikel 7 lid 2 van de Algemene Bijstandswet in verband met de invoering van de zgn, harmonisatiewet.

Hoewel alleszins te begrijpen, maar daarmee nog niet goed te keuren, blijkt het dat vele diakenen niet voldoende op de hoogte zijn van de veranderingen die zich met name de laatste jaren in vele gemeenten voltrokken hebben voor wat betreft de uitvoering van de Algemene Bijstandswet.

De indruk wordt nogal eens gewekt dat het vaak voldoende wordt geacht wanneer in financiële nood verkerende leden van de kerkelijke gemeente naar — zoals men dat vaak hoort zeggen — de Algemene Bijstands Wet, in concreto naar de gemeentelijke sociale dienst, worden verwezen. Men beroept er zich dan op dat betrokkenen een recht op (financiële) bijstand hebben en dat hèt kenmerkende van de A.B.W. juist is het individualiserende karakter, vastgelegd in artikel 1 lid 2 en luidende:

„De bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van persoon en gezin, alsmede op het betoonde besel van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hij is er op gericht de persoon zo mogelijk in staat te stellen zelfstandig in zijn bestaan te voorzien.

Maar ook hier geldt weer de kracht van het oude volksgezegde dat het leven ster ker is dan de leer. De leer van de A.B.W. is mooi, maar in een rechtsstaat is het van belang dat er niet alleen sprake is van rechtszekerheid, maar ook van rechtsgelijkheid. Men zal zich ervan bewust moeten zijn dat men niet twee heren kan dienen, want dan komen er grote spanningen. Die spanningen traden dan ook aan de dag bij de uitvoering van de A.B.W.

Enerzijds wilden de goede uitvoerders van de wet de individuele cliënt centraal stellen, anderzijds leidde dat nogal eens tot onlustgevoelens bij de collectiviteit of te wel de gemeenschap. En daar de A.B.W het sluitstuk is in ons stelsel van sociale zekerheid, kan zij niet losgezien worden van het totale welzijnsbeleid waarin de loon- en prijsbeheersing nu eenmaal een uitermate belangrijk facet vormt.

Tegen de achtergrond van het vorenstaande is — op de bestuurlijke en administratiefrechtelijke aspecten ga ik nu niet nader in — het te begrijpen, dat op 18 juli 1970 een wetsontwerp aan de Tweede Kamer werd aangeboden dat per 1 juli 1971 — bekend als de zgn. Harmonisatiewet — in werking is getreden. Hierin wordt er vanuit gegaan dat met het oog op het algemeen belang, de normen van de Algemene Bijstands Wet landelijk geüniformeerd worden en gerelateerd worden aan het minimum loon. Ergo kan er gesproken worden van duidelijk collectiviserende tendensen inzake de uitvoering van de A.B.W.

Er is een uitdrukking in het Romeinse recht luidende: hij het grootste recht het grootste onrecht. De vraag is nu in hoeverre de diakenen in hen aangaande gevallen corrigerend (denk aan het helpen bij het indienen van bezwaar- en beroepssehrifton) dan wel aanvullend bezig dienen te zijn.

De A.B.W. gaat er kennelijk vanuit dat dit laatste ook gebeurt, want al sinds haar start per 1 januari 1965 kent ze artikel 7 lid 2, dat luidt: „charitatieve uitkeringen van kerkelijke of partikulicre instellingen en van personen worden slechts in aanmerking genomen voorzover zij leiden tot een zodanige verbetering van de levensomstandigheden, dat het uit oogpunt van verlening van bijstand onaanvaardbaar zou zijn ze buiten beschouwing te laten.”

In reformatorische kring was en is het nog niet gebruikelijk te spreken van charitatieve uitkeringen: daar spreekt men meer van diakonale bijdragen of giften. Maargoed, waar het hier nu om gaat is, dat er helder en klaar staat „worden slechts in aanmerking genomen voor zover zij leiden tot een zodanige verbetering van de levensomstandigheden dat het uit een oogpunt van verlening van bijstand onaanvaardbaar zou zijn ze buiten beschouwing te laten.”

De heel indringende vragen die ik nu aan de diakenen wil stellen zijn: bent u volledig op de hoogte van de gemeentelijke beleidslijnen terzake? Is er voor wat betreft artikel 7 lid 2 überhaupt een beleid? Is er de mogelijkheid ook van de zijde van het kerkelijk en partikulier initiatief, invloed op dat beleid uit te oefenen? Is er een gemeentelijke kommissie van advies of een kollege voor de verlening van bijstand? Met name wat betreft die kommissie van advies, zo niet, waarom niet? Zo ja, hoe is uw relatie als diakonie tot die kommissie? Het gaat hier heus niet om erebaantjes, maar om een stuk daadwerkelijke participatie. Komt dit soort vragen in uw diakonievergadcring ter sprake?

U weet dat de A.B.W. uitgaat van de ontkoppeling van financiële bijstand en immateriële hulp. Hoe gebeurt dat nu in feite in uw gemeente? Als diakonie hebt u ook een sociale beleids(mede)verantwoordelijkheid. U mag zich daaraan niet onttrekken en u moet ook oppassen dat die niet in feite geheel beperkt blijft tot 1 à 2 diakenen. Van harte hoop ik, dat over dit soort vragen binnen uw diakonie periodiek gesproken wordt!

Terugkerend tol het artikel 7 lid 2.

Wanneer is de burgerlijke gemeente gerechtigd het onaanvaardbaar uit te spreken? Dat is nogal wat! Is hierover overleg (geweest) met het plaatselijk kerkelijk en partikulier initiatief? Zijn er plaatselijke „spelregels” vastgesteld? Zo ja, hebt u de Generale Diakonale Raad in Utrecht daarvan op de hoogte gesteld?

Is hel voor de diakonieën aanvaardbaar dat er een globale percentageregeling komt in de zin van bv. 10% van het bijstandsbedrag mag extra gegeven worden? Of dreigt dan juist opnieuw het gevaar van collectivisering? Diakenen, u bemerkt hoop ik — dat hier een baaierd van vragen ligt, die niet vanuit één centraal landelijk punt opgelost kunnen worden.

Juist vanuit de blijvende noodzaak de bijstandsverlening zoveel mogelijk te individualiseren (zie het hierboven vermelde ABW-artikel 1 lid 2 nog eens na) moeien de diakenen plaatselijk terzake uitermate diligent blijven en er attent op zijn dat de ABW naast de periodieke bijstand ook incidentele bijstand kent. De vraag die dan ook naar mijn mening nadere bezinning, onderlinge bespreking en een antwoord verdient is: Hoe kan er meer duidelijkheid komen bij belanghebbenden — dat zijn:

a. de bijstandsbehoevenden

b. kerkelijke/partikuliere instellingen en natuurlijke personen

c. de gemeenten cap de colleges voor de verlening van bijstand

— voor wat betreft de uitvoering van artikel 7 lid 2 van de A.B.W.?

Nu het profijtbeginsel steeds meer zijn intrede blijkt te gaan doen in het veld van de maatschappelijke dienstverlening en in toenemende mate het — m.i. ten onrechte — geluid gehoord wordt, dat die kosten maar per cliënt zo nodig ten laste van de A.B.W. moeten worden gebracht, is die bedoelde duidelijkheid heel erg gewenst.

Naschrift

Vanuit de Generale Diakonalc Hand is reeds jaren gepleit om per gemeente een contact-persoon voor de Algemene Bijstandswet te hebben. Het geven van inlichtingen, het helpen bij het aanvragen zal dan steeds door deze contaet-persoon kannen plaats vinden.

Bij een goede vervulling van dit werk zal deze eontact-persoon diakenen van voorlichting kunnen dienen over de wijze waarop in de eigen gemeente de bijstandswet wordt uit gevoerd.

Het geven van verantwoorde hulp veronderstelt echter kennis van zaken met betrekking tot deze wet. Ter verkrijging van deze kennis geeft de Diakonale Raad een losbladige voorlichtingsrnap uit. Deze map wordt regelmatig aangevuld met zeijzigingen en aanvullingen welke op dit terrein plaats vinden.

Bestelling van deze map is mogelijk door overschrijving van f 6,50 op giro 86.85 ten name van de Generale Diakonale Raad te Utrecht met vermelding: voorlchtingsmap A.B.W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.