+ Meer informatie

Voor onze Knapenverenigingen

5 minuten leestijd

Samuël door de Heere geroepen. (1 Samuël 3)

Samuël is nog steeds onder toezicht van Eli werkzaam; in die tijd — de jeugd van Samuël — was het Woord des Heeren schaars (dierbaar, duur, kostbaar, zeldzaam). Er is ook geen „openbaar gezicht". De Heere spreekt nog wel eens (denk maar aan hoofdst. 2 : 27—eind), maar niet door gezichten. (Zie Exodus 3: ozes ziet de braambos branden; Jozua 5 : 13: ozua ziet een Man met een uitgetrokken zwaard; Richteren 6 : 11: ideon ziet een Engel).

Eli is oud en zijn ogen zijn zwak Op een keer liggen Eli en Samuël op bed. Het gaat tegen de morgen. De lamp (de gouden kandelaar) is nog niet uit. Hij brandt nog (zie Exodus 27 : 20 en 21, in verband met Exodus 26 : 35; zie ook Exodus 30 : 8 en Leviticus 24 : 2 tot en met 4).

Samuël wordt wakker. Hij hoort zijn naam noemen. Vlug springt hij uit bed: het zal de oude Eli zijn, die zijn hulp nodig heeft. Hij zegt dan ook: „Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen". Eli denkt: Samuël is vast in de war. Daarom antwoordt hij: Ik heb niet geroepen. Ga nog maar wat liggen.

Voor de tweede keer hoort Samuël zijn naam roepen. Gewillig als hij is, loopt hij opnieuw vlug naar de halfblinde Eli, die bepaald zijn slaapkamer dicht bij die van Samuël had. Maar Samuël krijgt weer te horen: Ik heb niet geroepen. Eli zegt: „Mijn zoon". Hij zal vast veel van de Godvrezende Samuël gehouden hebben, en Samuël van hem.

Dan staat er (vers 7): Doch Samuël kende de Heere nog niet, en het Woord des Heeren was aan hem nog niet geopenbaard". We moeten dit goed begrijpen: amuël kende de Heere wel, en de Heere kende ook Samuël: oofdstuk 2 : 26 zegt immers, dat Samuël bij de Heere aangenaam is. Zó ziet God Samuël. Maar: othiertoe heeft de Heere Zich nog niet rechtstreeks hoorbaar of zichtbaar tot Samuël gewend. Dat is de Heere nu aan het doen. Samuël weet dat niet, Eli heeft het nog niet in de gaten. De Heere houdt aan en roept voor de derde maal. Nu denkt Samuël vast, dat Eli in de war is. Maar de Heere wil Eli gebruiken om Samuël te Ieren, dat God Zelf heeft gesproken. Daarmee geeft de Heere tegelijk aan Eli te kennen, dat Samuël tot profeet wordt geroepen.

Eli geeft de raad: ga maar weer naar bed. Maar als de Heere nog eens roept, geef dan dit antwoord: „Spreek, Heere, want Uw knecht hoort."

Drie keren heeft de Heere enkel geroepen, nu verschijnt God

Zelf en roept: „Samuël, Samuël". Samuël is erg onder de indruk van wat hij ziet en hoort. Daarom durft hij de naam „Heere" niet uit te spreken, zoals Eli heeft gezegd, maar zegt hij: „Spreek, want Uw knecht hoort." Het is dan ook iets heel bijzonders, wat de Heere nu gaat doen.

zonders, wat de Heere nu gaat doen. De Heere zegt Samuël, dat Hij in Israël iets gaat doen, waar het hele volk van schrikken zal, alsof plotseling een hard geluid in hun oren klinkt. Als dat ogenblik gekomen is zal de Heere in vervulling doen gaan de straf, tegen het huis van Eli bedreigd, waar Samuël dus van afweet (hoofdst. 2 : 27—eind). De zonen van Eli hebben door hun goddeloos leven een vloek over zich ingeroepen, en Eli heeft hen niet streng aangepakt en gestraft. Hofni en Pinehas hebben schandelijk gehandeld met de offers: r zal geen offer zijn om voor hun zonden verzoening te doen.

Na deze openbaring blijft Samuël nog even liggen, tot de morgen geheel is aangebroken. Dan doet hij als gewoonlijk de poorten van de voorhof open. Hij ziet er tegen op, Eli onder ogen te komen, want dan moet hij vertellen, wat de Heere heeft gezegd. Eli begrijpt dit wel. Hij vermoedt, dat Samuël hem verdriet wil besparen, doch dat kan niet. Hij roept Samuël bij zich. Eli veronderstelt, dat de boodschap tot Samuël over zijn Eli's-gezin gaat. Daarom zegt hij, dat de Heere Samuël zwaar zal straffen, als hij niet de volle waarheid spreekt (vers 17). Samuël houdt niets achter. Eli hoort wel geen nieuwe dingen, maar kan toch wel de gevolgtrekking maken, dat de Heere dit ernstig meent en er haast mee maakt. Eli spreekt uit, hierin te berusten. „De Heere doe wat goed is in Zijn ogen." (vers 18). Samuël is nu profeet, naast Eli. De Heere spreekt in Silo meer tot Samuël (vers 21) en vervult ook Zijn Woorden (vers 19), zodat uit al de dingen het volk moet besluiten en erkennen, dat de Heere Samuël tot profeet heeft bevestigd. In de eerste regel van 1 Sam. 4 : 1 lezen we dan nog, dat Samuël sommige openbaringen des Heeren aan bepaalde mensen moet doorgeven.

Vragen:


1. Maakt de Heere nu nog Zijn wil bekend door gezichten, b.v. in de droom?

2. Spreekt de Heere nu nog rechtstreeks, zoals tot Samuël?

3. Wat is de betekenis van de offers in het Oude Testament en wanneer is die betekenis verloren gegaan? (zie Psalm 40 : 4, berijmd). Wat is het enige Offer, waardoor verzoening mogelijk is?

4. Is „berusten" een „geloofsdaad", ja of neen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.