+ Meer informatie

Naar een diaconale gemeente? VAN ABW TOT WMO

26 minuten leestijd

Ambtelijk Contact begon te verschijnen in een tijd die van het diaconaat een sterke heroriëntatie op taak en roeping vereiste. De periode 1950-1965 was de vestigingstijd van de verzorgingsstaat. In de CGK had men zich voordien in kerkelijke vergaderingen slechts zelden met sociale aangelegenheden beziggehouden. De enige diaconale zaak die voor de oorlog met enige regelmaat op de synodale agenda stond, was de inkadering van het weeshuis (later jeugdhuis De Stuw), een initiatief van een aantal plaatselijke diaconieën dat was ondergebracht in een verenigingsvorm. Telkens rees de vraag of het weeshuis niet eerder van kerken of zelfs het kerkverband moest uitgaan. Op de jaarvergaderingen van deze vereniging werd ook het initiatief geboren om in augustus 1941 de eerste Landelijke Diakenen Conferentie te organiseren.

Dit diaconaal elan zette zich na de oorlog voort. Diaconaal Contact was er een vrucht van. Een andere was dat de generale synode in 1956 - naast een al eerder in het leven geroepen deputaatschap voor interne bijzondere noden - overging tot de instelling van een deputaatschap voor algemene diaconale en sociale aangelegenheden. Ds. Bilkes werd de eerste voorzitter. Zes jaar later werd ADSA omgedoopt in ADMA (algemene diaconale en maatschappelijke aangelegenheden). Een van de eerste belangrijke bijdragen van dit deputaatschap was een gedegen rapport over de gevolgen van de Algemene Bijstandswet (ABW) voor de diaconieën. Daarmee gaf het deputaatschap de aanzet tot een principiële doordenking van de praktijk van het diaconaat. Vanaf het begin en in toenemende mate zou, bij alle reacties op de wisselende maatschappelijke context, de rode draad in de volgende decennia het streven zijn naar een diaconale gemeente.

OVERHEID EN PARTICULIER INITIATIEF

Tot 1 januari 1965 was de Armenwet van 1912 nog van kracht. Deze had de prioriteit voor de armenzorg nog gelegd bij kerkelijk en particulier initiatief. De overheid sprong pas bij wanneer dat ontbrak of ontoereikend was. De wet was een principieel statement van confessionele herkomst. Voor de komst ervan droeg de overheid in de praktijk al ongeveer de helft van de lasten. Massawerkloosheid en een dalende levensstandaard brachten de diaconale onmacht in de jaren daarna alleen maar schrijnender aan het licht. De overheid zag zich, vooral na de Eerste Wereldoorlog, genoodzaakt tot allerlei sociale wetgeving. Stukje bij beetje bouwde ‘vadertje’ Drees in de jaren vijftig het stelsel van sociale voorzieningen op dat zou uitmonden in de zogeheten verzorgingsstaat. Zo kwamen er een werkloosheidsverzekering tegen onvrijwillige werkloosheid, de AOW, de kinderbijslagwet. De ABW was het sluitstuk van deze ontwikkeling.

De ABW legde verschillende ontwikkelingen vast. De overheid verleende in de eerste plaats niet meer aanvullend hulp aan behoeftigen - de nieuwe naam voor de armen -, maar nam daarin het voortouw. In de tweede plaats legaliseerde de wet een verandering in de mentaliteit van de bedeelden. Berustten mensen eerst gemakkelijker in hun afhankelijkheid van liefdadigheid, inmiddels was de gedachte van een door de overheid gegarandeerde sociale zekerheid ingeburgerd geraakt. Ook kerkmensen met financiële zorgen bleken zich vaak liever te vervoegen bij een ambtenaar dan bij een ambtsdrager, met wie het contact als te persoonlijk en ook wel als bevoogdend werd ervaren. De ABW legde vast dat de overheid verplicht was behoeftige burgers bij te staan en dat burgers hierop recht hadden.

BEZINNING OP DE ABW

Met de ABW hakte de overheid dus twee principiële knopen door. Vooral de rangering van particuliere partijen als de diaconie naar de tweede plaats, riep hier en daar in kerkelijk Nederland veel discussie op. In vrijgemaakt-gereformeerde kring was de verhouding tussen diaconaat en overheid veel sterker een issue dan in de CGK. Luidden de Bijbelse regels niet dat kinderen hun ouders bijstonden als dezen zichzelf niet meer konden helpen, en dat als de familie daartoe niet in staat was dit evenals bij weduwen en wezen de taak van de gemeente was?

Dat was ook de visie van de christelijk-gereformeerden geweest. Het standpunt van eerste diakenenconferentie uit 1941 liegt er niet om. Slechts als de eigen middelen van de diaconieën, tot die uit de classis en particuliere synode toe, ontoereikend waren, mochten ze samenwerking met de burgerlijke armenzorg aanvaarden. ‘Immers het werk, dat om Christus’ wil namens Hem in het midden der gemeente wordt verricht, kan alleen dan aan zijn bedoeling beantwoorden, indien de arme broeders en zusters geheel worden geholpen.’

De diaconale handreiking die het comité in 1956 als bezinningsstuk naar de diaconieën stuurde, gaf de diaconie ‘de eerste taak’ wanneer behoeftigen geen beroep konden doen op wetten of bestuursmaatregelen. De enige nadere verantwoording hiervoor was dat leden van de kerk ook staatsburgers waren. Zonder dit uit te spreken typeert dit document een verschuiving in de visie op de overheid en in de verhouding daarvan tot de diaconie. Het eerste rapport van de deputaten ADMA aan de synode van 1959 ademt dezelfde geest.

Meermalen spraken christelijk-gereformeerden hun verwondering uit over krasse principe-uitspraken die men uit vrijgemaakte kring opving. Zo hoorde M.D. Stafleu op de vrijgemaakte diakenenconferentie van 1962 ds. Joh. Francke de stelling verdedigen dat het in ontvangst nemen van een AOW-uitkering zonde was. Tot zijn genoegen ging een dergelijk standpunt ook vele vrijgemaakten te ver. Terecht hadden zij ook de vraag gesteld waar Francke dan jaarlijks de 13 miljoen gulden vandaan wilde halen die leden van het kerkverband aan AOW en werkloosheidsuitkeringen ontvingen.

De vrijgemaakten mochten dan verdeeld zijn, zij waren in ieder geval in de benen gekomen toen de ABW in aantocht was. Pas op initiatief van de deputaten ADMA startten de christelijk-gereformeerde diakenen gezamenlijke bezinning. Op de diakenenconferentie van 1964 leidde ds. T. Brienen het onderwerp in, waarna voor de eerste keer in de geschiedenis diakenen en andere geïnteresseerden de implicaties van de wet in secties nader bespraken: een studie- én werkdag. De conferentie trok meer dan 300 belangstellenden. Ambtelijk Contact typeerde de bijeenkomst als ‘een manifestatie van grote bereidheid, in mime kring, om als Christelijke Gereformeerde Kerken bewust en actueel te leven in een veranderende wereld’. Gezien het feit dat alleen Brienen zelf in De Wekker eerder enige aandacht aan de ABW had besteed, waren het misschien wat al te grote woorden. Brienen, voorzitter van deputaten ADMA, sprak andere taal. Hij riep op eerlijk te erkennen dat de ABW mede uit nalatigheid en onmacht van kerkelijke zijde was ontstaan.

AANVAARDING

Vergeleken bij de vrijgemaakten reageerden christelijk-gereformeerden nuchter op de ABW. Van principiële afwijzing was geen sprake, al dienden diaconieën volgens deputaten ADMA steun te verlenen aan breeders en zusters die gewetensbezwaren hadden tegen hulp van overheidswege. Brienen legde in Ambtelijk Contact uit dat de overheid niet uitsluitend een taak had in de rechtshandhaving. De psalmen 72 en 146 spraken zelfs van ‘een recht der armen’ tegenover de koning. Nu lag er een wet. Prof. Velema meende in 1966 in antwoord op vrijgemaakte bezwaren dat men wel heel overtuigende argumenten nodig had om als kerk christenen het vragen om steun te verbieden waarop de wet hun als staatsburgers recht gaf. Bilkes - in 1967 uit Canada teruggekeerd - steide in 1969 zelfs: ‘Wij aanvaarden graag de overheidsvoorzieningen’.

Wel werden er enkele kanttekeningen gemaakt. De ABW overdreef volgens Brienen de sociale roeping van de overheid. De wet vertoonde bovendien onduidelijkheden over de zelfstandigheid van de diaconie. Naar de letter erkende de ABW een eigen taak voor de diaconie, maar tegelijk had het er alle schijn van dat de wet de diaconie beperkte in haar zelfstandigheid, bijvoorbeeld op het punt van een voor de overheid aanvaardbaar bedrag aan aanvullende steun. In het algemeen beschouwde Brienen de ABW echter vooral als een mogelijkheid om de diaconale aandacht te meer te richten op de geestelijke zijde van het ambtswerk.

HERORIëNTATIE: IMMATERIëLE DIENSTVERLENING

Speciaal de verhouding tussen materiële en immateriële zorg verdiende volgens Brienen alertheid van de diakenen. De bijstandswet regelde voorziening in de noodzakelijke ‘bestaanskosten’. Zijdelings roerde de wet terecht tevens de immateriële bijstand aan. Op de achtergrond van financiële zorg lag immers vaak een meer geestelijke, psychische of sociaal-ethische nood. Als de bijstandsambtenaar zo’n diepere nood bespeurde, kon hij voorlichting verschaffen en verwijzen naar hulpverleningsinstanties.

Op dit punt moest de diaconie paraat zijn. Als christenen en kerken hun taak niet verstanden, zou de overheid ook deze dienst zelf overnemen. De diaconieën moesten op een verantwoord niveau van deskundigheid staan of komen. ‘We zullen’, aldus Brienen, ‘een goede naam en reputatie moeten hebben bij de hulpverleningsinstantie der plaatselijke overheid. Anders zal geen ambtenaar het in zijn hoofd halen om verwijzing naar de diaconie te overwegen.’ Om de ambtenaren bij het bestaan van diaconale en andere christelijke instanties te bepalen, bepleitte Brienen dat ‘figuren uit de christelijke sector der bevolking’ hun plaats zouden innemen in de colleges van bijstandsverlening en commissies van advies, voor de instelling waarvan de wet ruimte bood.

Principieel hoefde de ABW geen functieverlies voor de diaconie met zich mee te brengen. De opdracht tot dienstbetoon bleef, ook al zou het karakter van de noden zich veelal wijzigen. Brienen vatte de taak van de diaconie breed op: ‘Waar ook maar de levensvreugde in Christus en Zijn dienst wordt belemmerd of terneergedrukt, daar heeft de diaken een taak.’ Dankzij de ABW kon de geestelijke zijde van het ambtswerk meer dan voorheen de aandacht van de diakenen ontvangen, en dat moest ook. Chronisch zieken, vaak vereenzaamde bejaarden, de ouders van ontsporende jeugd, minder validen en vluchtelingen kwamen binnen de diaconale gezichtskring. Behalve voor Brienens referaat steide Ambtelijk Contact begin 1965 haar kolommen beschikbaar voor de ‘Diakonale Handreiking’ van het ADMA-deputaatschap. De komst van de ABW droeg in hoge mate bij aan een hernieuwde bezinning op het wezen en de taken van het diaconaat. In tal van gemeenten sloegen de diakenen ook daadwerkelijk de hand aan de ploeg, met als resultaat bijvoorbeeld het bejaardentehuis De Koningshof in Rotterdam (1968). Veel maatschappelijk werk werd op poten gezet in het kader van de Stichting voor Gereformeerde Sociale Arbeid (GSA, 1956), een samenbundeling van krachten uit gereformeerd-synodale, vrijgemaakte, christelijk-gereformeerde en gereformeerde gemeentekringen.

VERLEGENHEID EN VRAGEN

Wat kwam er in het algemeen terecht van de hoge inzet? Ambtelijk Contact verbloemde de werkelijkheid niet. De financiële steun voor behoeftigen bleek in de beleving van diakenen én gemeenten kenmerkend voor het diaconaat te zijn en te blijven. In een nabetrachting op de conferentie over de ABW steide Ambtelijk Contact reeds vast dat het ergens toch wel beschamend was dat nu de overheid zo doorpakte in de financiële hulpverlening, dit de diakenen in rep en roer bracht. Stond het financiële aspect voor velen zo centraal in de diakonia? Dan moest de Algemene Bijstandswet wel een heel grote steen zijn ‘in hun uitgedroogde diaconale vijvertje’. Deputaten ADMA hielden in 1968 een enquête, waarvan de uitkomsten niet optimistisch stemden over de kennis van zaken van diakenen en in een aantal gevallen ook van hun diaconale bewogenheid. In de gemeenten waaruit diakenen voortkwamen bleek het niet beter. Ambtelijk Contact ging in op een vraag die in tal van gemeenten werd gesteld: wat restte er eigenlijk voor de diaconie? Kon die niet ‘met emeritaat gaan’? Vroeger was er reden om de armen bij te staan ‘met geld en met turf en met oude kleren en een royale voorraad troostelijke redenen’, zoals Van den Brink in 1969 met de nodige ironie in herinnering bracht. Maar nu? Bejaarden kregen allemaal AOW, weduwen AWW en een werknemer kon niet minder dan het minimumloon verdienen. Was het inkomen nog steeds ontoereikend, dan was er de ABW.

In Ambtelijk Contact werd de diakenen voorgehouden dat de opdracht dezelfde was en bleef: het tonen van de liefde van Christus. ‘Zolang de gemeente zal kunnen dienen, zullen de diakenen ook een taak hebben’, steide prof. J.P. Versteeg in 1973 kortweg. De invulling van die taak hing af van de omstandigheden. ‘Misschien is juist dat variabele wel iets specifiek-diaconaals …’, suggereerde Van den Brink in 1969.

UITGERANGEERD

De verlegenheid had ook nog een andere achtergrond. Buiten de schaarse ‘eigen’ fundaties raakten diaconieën in de loop van de jaren zeventig in stichtingen voor maatschappelijk werk in vele plaatsen uitgerangeerd. Diaconieën voelden zich genoodzaakt zich steeds meer terug te trekken uit stichtingen waarin een reële kerkelijke inbreng niet meer mogelijk bleek. De synode van 1971-72 spoorde daartoe ook aan. Aan het eind van dit decennium bestonden er nauwelijks contacten meer met de instellingen voor sociale dienstverlening op provinciaal, regionaal en plaatselijk niveau. Soms restte er nog de dunne draad van het waarnemerschap. Twee oorzaken lagen aan dit proces ten grondslag. In de eerste plaats was er een sterke professionaliseringsslag gaande, die gepaard ging met een specialisering die de diakenen in de meeste gevallen niet bij konden benen. Kwaliteitsverbetering leidde tot schaalvergroting. Resultaat was een type instelling waarin doorgaans de aanspraak op de exclusiviteit van een bepaalde levensovertuiging werd afgewezen. Ds. T. Harder bepleitte in 1967 een vruchtbaar samenspel tussen diaconaal en maatschappelijk werk, waarbij de diaken zich liet vervullen door de bewogenheid ‘die eenmaal onze grote Here kenmerkte’. Maar kreeg de diaken nog ruimte voor zijn identiteit?

In de tweede plaats konden in veel interkerkelijke stichtingen, ook in het kader van de GSA, christelijk-gereformeerden slechts met synodaal-gereformeerden door een deur. Vanaf de jaren zestig verliep deze samenwerking echter steeds moeizamer. Gereformeerden omarmden in deze tijd vaak nieuwe theologische opvattingen, die een horizontalisering en humanisering van het geloof inhielden. In 1967 noemde Drieënhuizen het diaconaat een kwetsbare aangelegenheid. Vaak was het op de keper beschouwd niet veel meer dan ‘een soort humaniteit met een kerkelijke tint’. Ook in de kerkelijke wereld sprak men meer over medemenselijkheid dan over het grote gebod. Christen-zijn dreigde, aldus ds. K. Boersma, te verworden tot een ‘met koevoeten’ omhoog werken van de samenleving. Veel gereformeerden waren sterker geneigd mee te gaan in de schaalvergroting. Wat zij beschouwden als ‘gevulde algemeenheid’, betekende voor christelijk-gereformeerden identiteitsverlies. Boersma hoedde zich in 1971 voor al te absolute uitspraken, gezien het feit dat deze nieuwe tendensen in gereformeerde kring nog geen gemeengoed waren en de beperkte mogelijkheden van christelijk-gereformeerden op zichzelf. Wel riep hij op waakzaam te zijn en zich niet op sleeptouw te laten nemen door progressieve gereformeerden. Aan het einde van de jaren zeventig zagen de meeste christelijk-gereformeerden geen toekomst meer in samenwerking. In 1980 brak de synode met de GSA.

SAMENLEVINGSDIACONAAT?

De synode besloot met de GSA te breken op voorstel van een minderheid van de ADMA-deputaten. Daardoor kwam een stuk onenigheid over de koers die de christelijk-gereformeerden moesten varen aan de oppervlakte. ADMA was de jaren daarvoor een productief deputaatschap gebleken. In 1969 steide ADMA een diaconaal assistent aan. Mede door diens inzet kwam er in 1971 een Bureau ADMA, voorloper van het Diaconaal Bureau. Vooral de eerste assistent, W. Huizer (later opgevolgd door J.M. van Delft en H.H. van Well), verzorgde tot zijn vertrek in 1976 met grote regelmaat praktische bijdragen voor Ambtelijk Contact. In 1971 startte het deputaatschap een losbladige uitgave van het Diafeonaal Handboefe, dat tot 1986 jaarlijks actueel werd gehouden en in Ambtelijk Contact werd aangeprezen. Velema leverde er fundamentele bijdragen aan. Naast Brienen en Harder was hij de drijvende theoloog achter de diaconale bezinning, ook in Ambtelijk Contact. Harder ontwikkelde zich in een richting die Velema niet kon meemaken en daar-over kruisten zij in Ambtelijk Contact de degens. In besprekingen van rapporten uit de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk had de hoogleraar in Ambtelijk Contact eerder kritische vragen gesteld bij de tendens dat de kerk een politiek instrument werd door op dat terrein invloed te willen uitoefenen met uitspraken en gelden. In 1979 zag hij in eigen kerkverband Harder deze kant opgaan. Op de diakenenconferentie betoogde deze dat de kerk zich moest inzetten voor de ‘heelheid’ van mens en samenleving. De verkondiging-met-de-daad moest voorop gaan. Bovendien volstond hulp geven aan de individuele mens of groepen mensen niet langer. In deze tijd moest de kerk zich ook bezighouden met de maatschappelijke orde, met de structuren van de samenleving. De kerk kon hierin geen oplossing bewerken, maar moest wel profetisch van zich laten horen. Anders hield zij zich slechts bezig met symptoombestrijding. De redactie van Ambtelijk Contact meende dit standpunt niet zonder kanttekeningen in haar blad te kunnen laten passeren. Velema bracht er tegen in dat diaconaat Bijbels gezien niet gericht was op samenlevingsopbouw, maar op gemeenteopbouw. De christen had de roeping zich zo nodig in te zetten voor structuurveranderingen, maar los van de evangelieverkondiging kon dit geen opdracht van de kerk zijn.

In Ambtelijk Contact was daarmee de discussie over de reikwijdte van het diaconaat gesloten. In ADMA werkte de onenigheid verder door. Gevolg was dat er op de synode van 1986 een minderheids- en een meerderheidsrapport op tafel lagen. De kerkelijke vergadering moest dus kiezen, en de sfeer waarin dat moest gebeuren was enigszins geladen. Bij meerdere afgevaardigden was het bijvoorbeeld niet in goede aarde gevallen dat enkele deputaten in 1985 met stichting zeiden te hebben deelgenomen aan de gezamenlijke avondmaalsviering aan het slot van het Internationale Congres van Gehandicapten te Lunteren. Op de achtergrond speelde tevens mee dat voorzitter Harder vanwege de abortuskwestie in de classis Amersfoort een omstreden figuur was geworden. De synode van 1986 besloot tot een ongekend vergaande ingreep: de deputaten werden collectief ontslagen om met ADMA een nieuwe start te kunnen maken.

ADMA INFO

Nog onder het voorzitterschap van Harder hadden deputaten ADMA zich in 1980 tot het comité gewend om hun onvrede te uiten over de in hun ogen te geringe aandacht die Ambtelijk Contact schonk aan diaconale zaken. Daarmee bewogen zij zich in de lijn van een synodebesluit uit hetzelfde jaar. Terwijl de synode brak met de GSA ontvingen de deputaten de opdracht zich des te meer te wij den aan voorlichting en advies. Zolang er diakenenconferenties werden gehouden wijd-de de redactie van Ambtelijk Contact daar een compleet nummer aan. Soms steide ze ook een nummer ter beschikking van de deputaten. Diakenenconferenties werden er echter na 1978 niet meer gehouden en na het vertrek van diaconaal assistent Huizer in 1976 was het aantal bijdragen over diaconale thema’s wat afgenomen. Het laat zich raden dat Harder en eindredacteur Velema ook niet meer helemaal on speafeing terms waren. Waar de deputaten vooral moeite mee zeiden te hebben was het gebrek aan beleid achter de bijdragen. Diakenen hadden beleidsmatige vorming nodig, waarbij minstens één artikel per nummer gewijd diende te zijn aan ontwikkelingen, zaken en publicaties. De deputaten suggereerden de benoeming van een redactielid speciaal voor diaconale zaken. De redactie van Ambtelijk Contact liet weten dat Van den Brink de man was die de diaconale zaken in het blad behartigde. Bezwaar tegen een nieuw redactielid had men niet, wel tegen een aparte rubriek in elk nummer. Dat zou te veel voet kunnen geven aan de gedachte dat het in de ambten om twee verschillende terreinen ging, terwijl de redactie juist samenwerking tussen de ambten nastreefde.

In 1983 zochten de deputaten opnieuw contact. Zij lieten weten blij te zijn met de aandacht van Ambtelijk Contact voor het diaconaat. Toch pleitten ze nogmaals voor ‘meer regelmaat en coördinatie’. Intussen wilden zij ook een stuk duidelijkheid scheppen over het eigen informatieblad, dat zij vanaf 1982 uitgaven. Dit was bedoeld voor actuele informatie, voor het signaleren van ontwikkelingen en het vermelden van zaken waarmee het deputaatschap bezig was. Reeds in de eerste nummers stond ook een serie over het thema gastvrijheid, waarvan deputaten zelf vaststelden dat die op de grens van hun doelstelling lag, ‘zo al niet daarover’. ADMA wilde beslist niet dat Adma Info en Ambtelijk Contact in een ‘concurrentieverhouding’ kwamen te staan. ‘Voor bezinnende artikelen blijven wij Ambtelijk Contact als hét orgaan voor onze ambtsdragers zien’, schreef secretaris Van Delft aan de redactie van Ambtelijk Contact. Deze ideële scheiding was geen lang leven beschoren, waarmee beide partijen vrede hadden. Pas in 2002 kreeg Ambtelijk Contact in Lia Romkes weer een redactielid met specifiek diaconale expertise. Ook toen echter bleef het zwaartepunt liggen bij Adma Info. Wel rees in 2003 een ogenblik de vraag of een samengaan van beide bladen wenselijk was, maar daar voelde de redactie van Ambtelijk Contact toch niet voor.

NIEUWE ZUILINSTELLINGEN

Terug naar de vraag wat christelijk-gereformeerde diakenen konden doen, nu de overheid de nodige sociale zekerheid verschaffe en de samenwerking in de GSA en andere instanties op een dood spoor was geraakt. Allereerst kregen zij in 1971 van Velema de waarschuwing dat, de verzorgingsstaat ten spijt, er in de gemeenten tal van mensen bleven die het bepaald niet breed hadden. Diakenen moesten niet te gemakkelijk denken dat de financiën wel in orde zouden zijn en blijven speuren naar nood. Zij waren immers, om met ds. H. van der Schaaf te spreken, de penningmeesters van Christus, die ook in de financiële noden van zijn gemeente wilde voorzien.

Vervolgens lag er de noodzaak zich te bezinnen op hoe het nu verder moest met de deelname aan algemene stichtingen of christelijke stichtingen die ten prooi vielen aan de deconfessionalisering. Huizer bracht in 1970 naar voren dat de Bijbelse visie op mens en wereld specifiek christelijk maatschappelijk werk met zich meebracht. Aan het eind van de jaren zeventig wenste Brienen bezinning op de noodzaak van toch weer eigen levensbeschouwelijke organisaties, nu de gereformeerde zuil ter ziele was. Hier en daar zag hij al weer initiatieven voor eigen Organen. Vanuit de kerken van de gereformeerde gezindte zouden inderdaad vanaf de jaren zeventig instellingen en opleidingen op het gebied van maatschappelijk werk, psychologische en psychiatrische hulpverlening worden opgebouwd.

WERELDDIACONAAT

Reeds vóór de focus in Nederland verschoof naar nieuwe identiteitsgebonden instellingen had de aandacht zich ook reeds gericht op het wereldwijde diaconaat. Het wegvallen van afstanden door de komst van moderne communicatiemedia opende ook christelijk-gereformeerde ogen voor overstromingen, hongersnoden en aardbevingen ver weg. De synode van 1962 zette - tot teleurstelling van menigeen - het licht echter op rood voor het werelddiaconaat. De term was te zeer besmet met een theologie die alle nadruk legde op het uitgaan tot de wereld met de daad, en niet allereerst met het Woord. De synode wees een verzoek tot uitbreiding van het takenpakket van ADMA af met het argument dat het niet op de weg van de kerk als zodanig lag om los van de verkondiging van het Evangelie ontwikkelingshulp te bieden. Deze taak lag op het werkterrein van de gemeenteleden.

Toen ook de synode van 1965-’66 een instructie om diaconale activiteiten in het buitenland te ontplooien van tafel veegde, zweeg ook Ambtelijk Contact niet. Op de diakenenconferentie van 1966 schaarde Velema zich achter de synode-uitspraak. Maar als de kerk hulp verleende, maakte dat deze hulp tot iets totaal anders dan algemene hulp. Hij haalde een angel uit de discussie door te bepleiten voortaan te spreken van ‘diaconaat over de grenzen’. Hij vond het jammer dat de synode niet de gelegenheid had aangegrepen om de volgende jaren althans iets te laten rijpen. Ds. K.J. Velema schreef in Ambtelijk Contact van 1968 ‘een koninklijker, een royaler houding’ te wensen. Die kwam er. De synode van 1968-’69 steide een deputaatschap in voor hulpverlening in binnen- en buitenland, dat anders dan ADMA ook zelf diaconale gelden mocht beheren.

Koole wierp in zijn openingswoorden van de ambtsdragerconferenties vaak een blik op wereldwijde noden en ontwikkelingen, maar verder vindt men over deze onderwerpen in Ambtelijk Contact weinig terug. Tekenend voor het niveau van de conferenties was dat in 1980 CDA-minister J. de Koning sprak over ontwikkelingssamenwerking. In 2001 wijdde dr. B. Loonstra nog een artikel aan het wereldwijde diaconaat. Kenmerkend ervoor noemde hij verbondenheid, in tegenstelling tot initiatieven die gericht waren op zelfstandigheid en onafhankelijkheid. De ontvangers beschaamden de gevers met hun geloofsvertrouwen en gastvrijheid. Waar zij konden leren van de Westerse efficiëntie, konden de westerlingen dat van hun tijd voor ontmoeting.

TOERUSTING

Als iets kenmerkend is voor de diaconale bezinning na de ABW is het wel het streven naar een ‘diaconale gemeente’. Diakenen hadden een dienende taak. Als het ziekenbezoek in de gemeente buiten hen om plaats vond, lag het niet op hun weg dit naar zich toe te trekken. Meermalen wijdde Ambtelijk Contact artikelen aan de zusterkring, door Velema in Zichtbare liefde van Christus een tusseninstantie genoemd tussen het ambtelijk diaconaat en het vrijwilligerswerk van gemeenteleden. Hetzelfde gold voor onderwerpen als de vervoersdienst, de oppas, een klusjesgroep, maar ook provinciaal of gewestelijk gereformeerd maatschappelijk werk.

‘Hun dienende taak’, steide reeds de handreiking van 1956 over de diakenen, ‘moet mede daarin uitkomen, dat zij zich erin verblijden, dat het zonder hen goed gaat.’ Maar waar het werk niet werd opgepakt, moesten zij het - Bijbels gemotiveerd door de toerusting tot dienstbetoon waar de apostel Paulus het in Efeziërs 4:11-12 over had - op gang brengen. Diakenen moesten meer dan voorheen stimulatoren, desnoods Organisatoren, adviseurs en vertrouwensmannen worden.

HUISBEZOEK

Hét middel om het gemeentelijk diaconaal bewustzijn te stimuleren was de jaren door het diaconaal huisbezoek. Het eerste doel daarvan was de aandacht vestigen op wat de kerk door middel van de diaconie en de met haar samenwerkende hulpverleningsorganen aan hulp wilde verlenen in de vorm van aanvullende financiële steun, het regelen van gezinszorg en advisering bij o.a. beroepskeuze. Het tweede doel, dat steeds meer nadruk kreeg, was de gemeente als geheel te leren dienen. ‘Als het goed is’, besloot de Hilversumse diaken A. Pothof in 1970 een referaat, ‘moet het diaconaat voortdurend bezig zijn zichzelf overbodig te maken. Diakenen zijn er niet om de gemeente het werk uit handen te nemen, maar om de gemeente haar werk te leren zien en te doen.’

De handreiking uit 1956 stipte als eerste het nut van diaconale huisbezoeken aan. Elk decennium werd voor het onderwerp minstens één keer een artikel gereserveerd. Het eerste stond nog net in Diaconaal Contact. Van den Brink typeerde de reacties op de hem eigen onbekommerde manier: ‘Wat komen die snuiters toch doen, is de achtergrondsfeer, waarmee de bezoekers continu worden geconfronteerd’. Waar men er mee was begonnen, bleek de noodzaak ervan echter overduidelijk. De Groningse diaken M.W. Wierenga liet zich daar in 1965 in sterke bewoordingen over uit: ‘Noden welke men nooit heeft vermoed komen aan het licht, voorlichting betreffende het diaconale werk blijkt in zeer veel gevallen zeer noodzakelijk en diverse adviezen worden gaarne in dank afgenomen’.

In 1983 kreeg het diaconaal huisbezoek zelfs een officieel tintje doordat er in het formulier voor de kerkvisitatie een vraag over werd opgenomen. Dat betekende echter niet dat het werkelijk ingeburgerd raakte. Ds. K.T. de Jonge, van wiens pennenvruchten over de geschiedenis van het diaconaat in de CGK hier dankbaar gebruik is gemaakt, steide in 1996 op de ambtsdragersconferentie zelfs: ‘Niets is minder waar’. Weer een kleine tien jaar later merkte hij in Ambtelijk Contact op dat op kerkvisitatie uit tijdgebrek vaak aan het diaconaal huisbezoek voorbij werd gegaan. En nog altijd keken ook meelevende kerkleden vreemd op als een diaken een afspraak met hen wilde maken.

ZICHTBARE LIEFDE

Toch was De Jonge in 1996 uiteindelijk nietnegatief. Het diaconaat was met nieuw elan uit de periode van heroriëntatie gekomen. De diaconale gemeente had meer dan ooit de aandacht. Het kerkelijk barmhartigheidswerk was niet meer het monopolie van de diakenen. Veel meer gemeenteleden dan vroeger waren diaconaal betrokken.

Enkele jaren eerder domineerden echter andere geluiden. Een peilmoment voor de diaconale gesteldheid van de gemeenten was de ambtsdragersconferentie van 1993 naar aanleiding van het diaconale handboek Zichtbare liefde van Christus (1991). De verschillende sprekers waren unaniem bezorgd. Ds. C. Westerink steide vast dat het diaconaat uitbesteed bleef aan een paar ambtsdragers, die zelf ook vaak weinig zicht hadden op hun taak. Hij sprak van de dringende noodzakelijkheid van bekering. Diaken A. Heystek betreurde bij dezelfde gelegenheid dat diakenen vaak werden gekozen uit de afgevallen kandidaten voor het ambt van ouderling. En de plaats van de diaken op de kerkelijke vergaderingen? G. van Oord, als oud-diaken ervaringsdeskundige, had niet de indruk dat hun aanwezigheid daar van veel nut was. Zij functioneerden goed, maar hielden zich er nauwelijks met diaconale zaken bezig. Oorzaak was onder meer dat het deputaatschap ADMA rechtstreeks aan de synode rapporteerde. Ds. G.P.M. van der Linden wees er in de jaren negentig op dat alleen als de gemeente een diaconale gemeente werd, dergelijke onderwerpen de meerdere vergaderingen zouden gaan bezighouden. Nu het verval van de verzorgingsstaat zich aandiende, werd deze ‘wedergeboorte’ des te dringender.

WMO

Dit verval droeg in ieder geval bij aan een nieuwe periode van heroriëntatie. Het grote aantal arbeidsongeschikten, de vergrijzing van de bevolking, de economische situatie en de Europese integratie brachten sociaal-politieke problemen met zich mee die de verzorgingsstaat vanaf de tweede helft van de jaren zeventig steeds verder onder druk zetten. De kosten rezen de pan uit en dreigden dat nog veel meer te gaan doen. Bezuinigingen volgden, en hoewel Ambtelijk Contact de bezinning ten aanzien van materiële steun grotendeels aan Adma Info en vanaf 2003 aan Di@coon overliet, leverde het blad wel enkele bijdragen. Zo wees de Rotterdamse diaken J.J. de Graaf in 1995 op de consequenties van veranderingen in de WAO: een verlaging van de uitkering, een beperking van de duur daarvan en herkeuringen die mensen weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt verklaarden, maar hen bij gebrek aan werk fmancieel op bijstandsniveau brachten. De Graaf wist dat sommige diaconieën hun middelen weer in aanzienlijke mate nodig hadden om aan de hulpvraag in de eigen gemeente te voldoen.

Deze hulpvraag nam almaar toe, mede omdat een hele serie sociale wetten werd bijgesteld. Toch bleek een grondiger renovatie van het sociaal stelsel onontkoombaar. De overheid slaagde erin met de Wet Maatschappelijke Ondersteuning een stelselwijziging door te voeren, waarbij niet meer de staat de eerstverantwoordelijke was voor zorg, maar de burger zelf, en als die dat niet meer kon de medeburger. De overheid deed een appèl op familie, buren, vrij willigers, particuliere instanties en ook de kerken, om verantwoordelijkheid te nemen voor de medemens. Zij moesten aantreden om het terugtreden van de overheid in goede orde te laten verlopen.

Diakenen meenden dat de overheid haar roeping niet mocht verzaken om een schild voor de zwakken te zijn. Nuchter wees J.J. van der Knijff er in 2004 op dat de kerken, die bovendien in veel gevallen nog harder vergrijsden dan de samenleving als geheel, niet in staat waren een paar miljard euro aan bezuinigingen op te vangen. Het stak wel enigszins dat ordinaire bezuinigingen de diaconieën weer in beeld brachten, nadat die decennialang naar de immateriële hulpverlening waren verwezen. Intussen maakte een onderzoek in 2007, het jaar waarin de WMO van kracht werd, duidelijk dat op dat moment reeds vijftig procent van de diaconieën in de eigen gemeente al actief was bij de armoedebestrijding.

Tegelijk prikkelde het overheidsbeleid het diaconale roepingsgevoel. ‘Het gedachtegoed van solidariteit dat politiek breed wordt aangehangen móet de kerk natuurlijk wel aanspreken’, poneerde diaconaal consulent A. Heystek in 2007. Als de kerk haar roeping in de samenleving mocht vervullen, kon dat wel eens een grote werfkracht hebben. De eerste christengemeenten waren immers mede gegroeid door de actieve diaconale presentie. Korte tijd later lichtte hij als voorbeeld de werkzaamheid van de voedselbank toe. Ds. W.N. Middelkoop, voorzitter van het deputaatschap diaconaat (in 2004 ontstaan door fusie van ADMA en Hulpverlening), wees op de roeping ten aanzien van asielzoekers en de stedelijke gebieden, waar het diaconaat raakte aan zending en evangelisatie. Veranderende tijden vroegen om een nieuwe aanpak van de diakenen én van de diaconale gemeente.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.