+ Meer informatie

HET EVANGELIE VAN CHRISTUS

6 minuten leestijd

6.

Als de mens de vrijheid die in Christus is beleeft, komt hij steeds meer in een kinderlijke gebondenheid aan de Heere te staan.

Deze vrijheid bestaat niet in een godsdienstige beschouwing of menselijke beredenering van de zaak. De Schrift zegt ons: „Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.”

Zolang de mens de slavernij van zijn eigengerechtigheid en ongerechtigheid niet heeft leren kennen, kan de vrijheid die in Christus is, hem niet dierbaar worden. Elk mens is van nature blind voor zijn slavernij. Het is voor hem echt niet aantrekkelijk geheel van een Ander te worden, zodat er niets meer overblijft om eigen heer en meester over te zijn.

En al zou hij het willen, dan ontbreekt hem nog de kracht zichzelf vanuit zijn slavernij met een zekere godsdienstzin op te werken tot de vrijheid die in Christus is. Er blijft alleen, naar het Woord des Heeren, deze mogelijkheid over vrijgemaakt te worden door de Zoon. En bedenkt het wel dat er niets in de mens is overgebleven dat de vrijmaking door de Zoon begeert. Elk mens leeft van nature in een denkbeeldige vrijheid en streeft er naar die steeds meer tot ontwikkeling te brengen.

Tot de Joden die in Jezus geloofden is gezegd: „Indien gijlieden in Mijn Woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijn discipel.” Daaruit blijkt ons dat die belijdenis gepaard moet gaan met de innerlijke beleving des harten, om de waarheid te verstaan en door de Waarheid vrijgemaakt te worden. En zo is Christus dan de grote Werkmeester van deze heerlijke vrijmaking die in Hem is.

Als een mens in Christus wordt ingelijfd door de vermeuwing des harten, gaat hij zuchten onder de heerschappij van zonde. Satan en ongeloof vanwege het innig verlangen voor de Heere te mogen leven.

Maar hoe zal iemand nu komen tot de vrijheid die in Christus is? Dat kan alleen in de weg waarin die vrijmaking door Hem is verdiend, in het buigen voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid en heiligheid. En juist daarvan is ons verdorven hart zo afkerig. De mens wil zijn leven behouden en als het van ons willen afhankelijk gesteld was, dan zou het nooit gebeuren. Maar door de innige geloofsgemeenschap met de gekruiste Christus is het een heilige vanzelfheid een welgevallen te bekomen in de straffen van onze ongerechtigheid. Vanuit Christus leert ons hart buigen voor de majesteit van Gods rechtvaardigheid en heiligheid, om door Hem gereinigd te worden, opdat we bekleed door Zijn gerechtigheid, de vrijheid zouden smaken die in Christus is. Dat is een vrijheid die niet alleen onder de beaibeiding van de Heilige Geest verkregen, doch ook beleefd kan worden.

Maar nu gaat het in de beleving van de Christelijke vrijheid niet altijd naar wens. De eigengerechtigheid van ons verdorven bestaan staat dit leven in de Christelijke vrijheid tegen, en komt telkens weer boven. Van daaruit wil de mens wat zijn en in zelfverheffing wil hij meer worden, en dat brengt zoveel beroering teweeg in het kerkelijke leven. Door de genade die de Heere belieft te verheerlijken opdat wij de geestelijke vrijheid die in Christus is, zouden verkrijgen, wordt de mens in de verdorvenehid van zijn eigengerechtigheid en ongerechtigheid niet beter, hij blijft daarin een gans verdorven zondaar. En maar al te wemig wordt daarmee rekening gehouden. Om in afhankelijkheid van de Heere de oude mens te kruisigen, te doden en te begraven en zo aan de troon der genade verbonden te blijven. Paulus heeft vanuit deze Christelijke vrijheid in afhankelijkheid van de Heere gestreden tegen het verderf van de wettische dienstbaarheid die de ongerechtigheid in de hand werkt. Dat blijkt ons uit zijn reis naar Jeruzalem.

„Daarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus medegenomen hebbende. En ik ging op door een openbaring en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen, en in het bijzonder aan degenen, die in achting waren, opdat ik niet enigzins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben."

De apostel mocht in afhankelijkheid van de Heere deze felle strijd voor Zijn naam en zaak strijden tot heil van de kerk. Vanuit de Goddelijke openbaring ging hij in het vertrouwen op de Heere naar Zijn gemeente in Jeruzalem. De ware eenheid in het geloof werd niet alleen door hem van ganser harte begeerd, doch ook biddende gezocht in de weg der gehoorzaamheid.

Titus kan ondervraagd worden door de apostelen in Jeruzalem naar de oprechtheid van zijn geloof in de gekruisigde Christus, want hij vertrouwde op Zijn bloed tot verzoening met God. Hij werd dan ook niet genoodzaakt zich te laten besnijden. Hij mocht in de Doop en dood van Christus de grond van zijn hoop hebben voor de eeuwigheid. En dat getuigde van de besnijdenis zijns harten tot vernieuwing des levens.

Maar daarmee werd de besnijdenis met een kerkbesluit met verbonden alsof het op zichzelf een kwade zaak zou zijn. Dat de Joden om der vaderen wil er nog een zekere achting voor hadden is te begrijpen. En dat hebben wij nog wel als sacrament des verbonds onder de oude dag. Het was op zichzelf met zondig en goddeloos. Maar de dwang alsof het noodzakelijk was voor de rechtvaardigmaking werd wel scherp veroordeeld, want dat onteerde de offerande van Christus en was voor de persoon zelf misleidend voor de eeuwigheid.

Laat ons met steeds meer ernst de besnijdenis des harten zoeken, want dat is tot eer van de Heere als wij vanuit de rechtvaardigmaking in het wezen des geloofs, deze zoeken in de oefeningen des geloofs. En dat is tot zaligheid van onze harten. En vandaaruit leidt de Heilige Geest het hart der gelovigen op de weg van heiligmaking die in Christus is.

Door af te wijken van de orde des heils blijft men staan in de eerste beginselen van het genadeleven. Daarin wordt de bediening van Christus gemist tot grote schade van het geestelijke leven. En zonder dat we er erg in hebben verzanden we in een wettische geest die ons in het dorre doet wonen. Het innig en levendig werkzaam zijn uit het gemis van een heilsweldaad die in Christus is, werkt profijtelijk en bindt ons hart aan de troon der genade.

Maar blijft men staan in de eerste beginselen van het genadeleven en wordt men daarin ten onrechte opgebouwd, dan ontstaat daardooi een geestelijke onvruchtbaarheid met wat wettische woelingen. Daarmee kan men wel bestaan zolang men van die droggrond niet wordt afgestoten vanwege de ongenoegzaamheid de Heere daarin te ontmoeten. Toch breekt die dag aan, dan gaat het gewoonlijk gepaard met grote vei schrikkingen. Veracht de dag der kleine dingen met, maar die er genoeg aan heeft stelt zijn ziel in groot gevaar.

Galaten 2 : 1-3.

Soest

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.