+ Meer informatie

Oude dwalingen in nieuwe vorm

5 minuten leestijd

De dwaalleer, de leugen, is zo oud als de mensheid zelf. De Heere Jezus heeft eens tot de Joden gezegd: „Gij zijt uit de vader de duivel en wilt de begeerten uws vaders doen — die is in de waarheid niet staande gebleven, want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zichzelf, want hij is een leugenaar en de vader der leugen." Voor de oorsprong van alle dwalingen moeten we dus terug naar het Paradijs. De satan is al begonnen met bedrog: „Gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad, " zo luidde de valse belofte, waarmee hij onze eerste ouders verleidde. Door gehoor te geven aan zijn woord hebben we juist het vermogen verloren om goed en kwaad, waarheid en leugen te onderscheiden. Erger nog, we zijn ontvankelijker voor de leugen dan voor de waarheid, we hebben de duisternis liever dan het licht.

We zijn weieens geneigd ons af te vragen, waarom de Heere de dwaling in Zijn Kerk toelaat. Die probleemstelling is echter al onjuist. We zouden evengoed kunnen vragen waarom de Heere de zonde toelaat, want de dwaling is een vorm van de zonde. Zonde is ongehoorzaamheid, dwaling is ongehoorzaamheid aan Gods geopenbaarde waarheid. Die waarheid is duidelijk genoeg vastgelegd in het Woord van God, en als zodanig niet te betwisten, maar ons verstand is verduisterd, zodat we niet begrijpen de dingen die des Geestes Gods zijn.

Voor de satan is de dwaalleer een geweldig middel om de mens van de zaligheid af te houden. Een oud spreekwoord zegt: „Waar God een kerk sticht, bouwt de duivel een kapel." Toen Christus was opgestaan uit het graf, verzon de satan de leugen dat de discipelen het lichaam van de Meester gestolen hadden. Toen de discipelen op de Pinksterdag, vol des Heiligen Geestes, spraken in andere talen, was de duivel erbij om de mensen te doen geloven dat ze dronken waren.

De natuurlijke mens die de waarheid alleen objectief belijdt en niet subjectief beleeft, staat veel meer ojien voor de dwaling dan de mens die door Gods Geest is verlicht.

Opmerkelijk is het woord van Paulus in zijn tweede brief aan de Thessalonicenzen: „En daarom heeft God in hen gezonden een kracht der dwaling om de leugen te geloven." Maar ook wedergeborenen zijn niet voor dwaling gevrijwaard. De Kerkgeschiedenis levert talrijke bewijzen, dat verschillende „van God geleerde" Godgeleerden op sommige punten gedwaald of minder juiste stellingen verkondigd hebben. We denken slechts aan de avondmaalsleer van Luther. Daarom mogen we niets aannemen op gezag van een mens, maar alleen op het gezag van Gods Woord, waarvoor alle mensenstemmen moeten zwijgen.

En dan is nog weer de grote vraag, hoe we dat Woord uitleggen. Niet, dat de Schrift voor tweeërlei uitleg vatbaar is, maar ook hier geldt weer dat ons verstand verduisterd is. Zelfs de begenadigde mens heeft veel licht en wijsheid van boven nodig om de zin der Schriften te verstaan. We kunnen zo gemakkelijk — te goeder trouw — spreken naar de mond van Jeruzalem, of naar het hart van Jeruzalem, maar we moeten allereerst spreken naar de rechte mening van Gods Geest. Wat niet is naar het Woord, zal geen dageraad zien, ook al heeft het de schijn van rechtzinnigheid. Daarom heeft Jezus ieder Schriftgeleerde, die in het Koninkrijk der hemelen is onderwezen, vergeleken bij een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. En daarom eist de apostel, dat een opziener „een goed getuigenis moet hebben van degenen die buiten zijn, " d.w.z. dat hij op de hoogte moet zijn met de dwalingen van zijn tijd.

De dwaling is oud, maar ze openbaart zich telkens in een nieuwe vorm.

Het Zoonschap van Christus bijvoorbeeld — een eeuwenoud twistpunt — werd reeds geloochend door Arius in de vierde eeuw. Dezelfde dwaling bracht in Calvijns tijd Servet op het schavot en in onze dagen is het de Zwingli-groep (de uiterst-links vrijzinnige vleugel van de Hervormde Kerk) die de Drieëenheid een heidense mythe noemt, waarmee de Kerk nu maar eens voorgoed moet afrekenen! Er is dus ook in dit opzicht niets nieuws onder de zon.

Er zijn echter ook geschilpunten die in een bepaalde tijd aan de orde komen. De Reformatie stelde het zaligworden uit genade alléén tegenover de leer van de goede werken, zoals de Roomse Kerk die predikte. De periode tussen 1850 en 1950 is door een theoloog genoemd: „Een eeuw van strijd over Verbond en Doop."

Het is nodig dat we allereerst de dwalingen van onze eigen tijd goed kennen. Kennis van dwalingen uit vroegere eeuwen is slechts vereist om in het licht van de historie de nieuwere te verstaan.

De theologische strijd tussen Voetius en Coccejus, die de Kerk van de 17de eeuw in beroering heeft gebracht, is voor ons van weinig belang. „De vervloekte en heilloze leer van de Hattemisten" waaraan oude Catechismus-verklaringen zoveel aandacht hebben besteed, heeft z'n betekenis eveneens verloren.

Anders is het gelegen met de Roomsen, de Doopsgezinden en de Remonstranten. Hier hebben we niet te maken met een dwaling die even het hoofd opsteekt om na enkele tientallen jaren voorgoed te verdwijnen, maar met een officiële kerkleer.

We hebben in ons blad enkele artikelen gewijd aan een paar secten en stromingen buiten de kerk: de Jehovah-getuigen, de Mormonen, Christian Science en de Soefi-beweging. We stellen ons voor, nu ook enige dwalingen binnen de kerken te bespreken. Daarvoor moeten we in een volgend artikel eerst de verhouding tussen Kerk en Secte nader beschouwen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.