+ Meer informatie

Gewijde Geschiedenis O.T.

5 minuten leestijd

(Gen. 28 : 10-22 en Gen. 32).

Bethel en Pniël.

In het leven van Gods kinderen zijn belangrgke keerpunten, die voor hen onvergetelijk zijn.

Ook in het veelbewogen leven van Jakob zijn twee belangrijke stations waar we even willen vertoeven.

Toen hij de eerste nacht na zijn vertrek uit de aartsvaderlijke tent zich te slapen legde onder de blote hemel had hij een wonderlijke droom. De hemel werd geopend en hij zag een ladder van de aarde tot de hemel, waarop de engelen Gods op en neder klommen.

Boven op de ladder stond de Heere.

Dit was geen gewone droom, maar een openbaringsdroom.

De geestelijke wereld werd voor die balling geopend. Daaruit weet Jakob, dat God hem gadeslaat.

De Heere spreekt tot hem, en belooft hem, als erfgenaam des Verbonds, het land, waarop hij ligt te slapen, het uitbreken in menigte en de zegen voor alle geslachten.

De Heere herhaalt dus aan Jakob, wat Hij aan Abraham had beloofd.

Als Jakob ontwaakt is zijn ziel ontroerd.

Hg erkent dat God met hem gesproken heeft. Die droom moet betekenis hebben.

Hij spreekt het dan ook uit: „Gewisselijk is de Heere aan deze plaats, en ik heb het niet geweten."

Met eerbiedige vrees-vervult, noemt Jakob deze plaats Bethel, d.i. Huis Gods.

De steen, waarop hij had \geslapen werd met olie gezalfd en gemaakt tot een steen der gedachtenis. Plechtig legt hft een belofte af, dat hij bij zijn terugkomst van alles tienden zal geven. Dit geven van tienden werd later in de Wet opgenomen.

Tn Joh. 1 lezen we, dat de Heere tot Nathanaël zeide:

„Gij zult groter dingen zien, dan deze."

„Gij zult de hemel zien geopend en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op de Zoon des Mensen."

Christus is de ware Jakobsladder, die hemel en aarde verbindt.

Gelukkig de mens, die zulk een Bethel in zgn leven heeft leren kennen.

Van Pniël is sprake als Jakob terugkeert uit Haran.

Bij Bethel was het een droom, bij Pniël is het werkelijkheid, waarvan hij tde onuitwisbare sporen draagt in zijn vlees; hij was hinkende aan zijn heup.

Het licht van Gods raad had geschenen over de donkere schoot van Rebekka.

Twee volkeren waren in haar schoot.

Voor de geboorte heeft Jakob Ezau bij de verzenen gegrepen.

Hij worstelde om de eerste te zijn.

Daarom zijn naam „Jakob", dat is „hiellichter".

Dat worstelend leven wordt gedurig openbaar^ De eerstgeboortezegen werd door hem gezocht in een verkeerde en zondige weg.

Door de kracht van het vlees wil hij haar deelachtig worden.

De Heere zal hem die zegen schenken in een weg van recht, dat is van verootmoediging.

Ezau trekt hem tegemoet met vierhonderd man. Hij laat vrouwen en kinderen en alles wat hij bezit over de Jabbok trekken en Jakob blijft alleen over.

In het gebed zoekt hij hulp en sterkte.

Eerst doorworstelt hij een bange nacht.

Dan komt de lichtende morgen als de dageraad opgaat.

Eindelijk volgt een blijde dag als de zon hem opgaa| en hij de naam dier plaats noemt Pniël, dat is: „Aangezicht Gods".

In plaats dat de Heere hem troost, treedt Hij op hem toe als een Worstelaar.

Jakob heeft al zijn krachten ingespannen om overwinnaar te zgn.

Wanneer de Heere, die hem als Man verschijnt, en dus Zijn almachtig vermogen wel openbaart, maar tegelijk beperkt, aan de heupspier aanraakt, is het met zijn vleselijke kracht gedaan. Nu krijgt zijn strijd een ander karakter.

Nu begint hij om de zegen te bidden en te smeken.

In het geven van geschenken heeft hij zich vorstelijk gedragen met Ezau, en diezelfde vorstelgke houding heeft hij aangenomen tegenover Laban.

Nu gedraagt hij zich vorstelijk met God en heeft zijn hiellichterspractijken afgelegd. Daarom wordt hem ook na het noemen van zijn naam, die Jakobsnaam ontnomen en ontvangt hij de naam „Israël", d.i. „Strijder Gods". Nu ontvangt hij de zegen des Verbonds niet in Gods ongenoegen, maar in Gods gunst. Daar in Pniël is het voor Jakob werkelijkheid geworden wat de dichter heeft gezongen in Psalm 134 : 3:

„Dat 's Heeren zegen op u daal, Zijn gunst uit Sion u bestraal."

De natuur geeft er zelfs getuigenis van, want de zon ging hem op, als hij door Pniël gegaan was. Wel heeft hij een gevoelige overwinning behaald en blijft hij tot zijn dood kreupel, maar hij mag wandelen in het licht van Gods vriendelijk aangezicht. Wel ontkracht in het vlees, maar gesterkt in de geest mag hij delen in de zegen des Verbonds: „Ik zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een zoon zijn."

Er wordt veel over bevinding gesproken, maar bitter weinig echte bevinding gevonden.

Sommige mensen menen, dat dit bevinding is als ze eens gemoedelijk met een bepaalde tekst werkzaam zijn.

Echte bevinding is, als we zaken leren kennen, die nodig zijn op weg naar de eeuwigheid.

Daarvoor is nodig de onderwerpelijke bediening van Gods Geest.

In Psalm 46 zingt de dichter: „Hij is krachtiglijk bevonden een hulp in benauwdheden."

Dat is echte bevinding.

Dan worden we gevoerd uit de bange nacht der ontdekking, door de dageraad der hope, tot de volle heildag.

Dan wijst de zon in de natuur ons naar Hem, van Wie Maleachi zegt: „Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan."

Dan ontvangen we souvereine genade in een weg van recht.

Make de Heere onze jonge mensen in Indië en in Nederland een onderwerp van Zijn bediening, opdat we in ons leven niet alleen een Bethel, maar ook een Pniël door genade mogen leren kennen.

Ds. A. DE BLOIS.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.