+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui!

Ik heb altijd nog een vraag liggen, waarvan de vraagsteller het op prijs zou stellen als ik deze „eens” in Bewaar het Pand beantwoordde. Ik ben blij, dat hij het woordje „eens” er bij gezet heeft, daar ik mij anders zou moeten verontschuldigen, dat ik hem zo lang heb laten wachten. Maar dat is meer uit onmogelijkheid geschied dan uit onwilligheid. Er zijn altijd van die dingen, die, mede beinvloed door de omstandigheden, voorrang verkrijgen, waardoor andere zaken dan weer op de achtergrond komen te staan.

Maar dat „eens” is dan nu aangebroken en ik hoop dat ik de vrager tevreden zal kunnen stellen. En niet alleen hem, maar ook al degenen, die dit lezen. Want het probleem dat hij opwerpt, dat is al heel oud. En hij, of liever zij - want de vraagsteller is een vrouwelijk persoon - is niet de enige die daar eens over nagedacht heeft. Ik weet tenminste nog heel goed, dat ik in mijn jongensjaren daar ook mee gezeten heb en er nooit helemaal uitgekomen ben. Ik kom er nog niet helemaal uit, omdat het over zaken gaat, waaromtrent de H.S. geen absolute uitspraak doet. Er zijn nu eenmaal zaken die voor ons verborgen zijn en die we ook verborgen moeten laten. Want de verborgen dingen zijn voor de Heere onze God. De geopenbaarde echter zijn voor ons en onze kinderen. En wat dan ten deze geopenbaard is, wil ik proberen mede te delen. Ik druk mij al weer heel voorzichtig uit, omdat omtrent het geopenbaarde de meningen ook al weer verschillend zijn. Niet dat men het geopenbaarde niet aanvaardt, gelukkig wel. Maar ik bedoel, wat de uitlegging betreft.

Hoewel er natuurlijk velen zijn, die het geopenbaarde ook niet meer aanvaarden. De zodanigen zijn er echter altijd geweest en die zullen er ook wel blijven. Ik zou jullie ten deze maar één raad kunnen geven, n.l. als je deze mensen ontmoet: Scheid je af van dezulken.

Inmiddels ben ik weer aan het redeneren gegaan, en weten jullie nog steeds niet, waar nu eigenlijk de vraag over handelt. Nu, het gaat over de oorsprong van de zonde. Dat Adam en Eva gevallen zijn, dat is een bekende zaak, voor hen die in de bijbel geloven. Hoe dit in z’n werk gegaan is, dat is ons uitvoerig meegedeeld. De Satan, kwam in de gedaante van een slang tot Eva, en heeft haar verleid, om te eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads. Eva, die zich liet verleiden, is daarna Adam tot een valstrik geworden en is zodoende ook van God afgevallen, met alle ellendige gevolgen van dien.

Maar door wie is de Satan nu verleid geworden? zo luidde de vraag. Kijk, dat is nu niet zo eenvoudig om daar een klaar antwoord op te geven. De meningen die hieromtrent in de loop der eeuwen, zo kan ik het wel zeggen, ten beste zijn gegeven, zijn legio. Ik zal ze jullie niet allemaal verhalen. Ik wil alleen zeggen, hoe mijn gedachten daarover zijn. En die gedachten van mij, zijn dan ook uit de aard der zaak, weer ontstaan, aan de hand van hetgeen anderen over deze materie ten berde hebben gebracht.

De Satan is oorspronkelijk een door God geschapen engel. Hij is, evenals alle andere schepselen, door God goed geschapen. Want God zag „al” wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed.

Nu is er in de engelen-wereld verscheidenheid. Dat leert de bijbel duidelijk. Er zijn aartsengelen (archangelen), dat zijn zeer voorname engelen. Waarschijnlijk wel de voornaamste die er zijn. Verder wordt er in de bijbel gesproken over: Cherubijnen en serafijnen, machten, tronen, heerschappijen enz. Het zijn allemaal benamingen die verschillende rangen en standen aangeven in de engelenwereld.

Twee engelen worden ons met name genoemd, n.l. Michaël en Gabriël. Tot de aartsengelen moet oorspronkelijk de Satan ook behoord hebben. Hij is een zeer geniale engel geweest. Hij is, gelijk de andere engelen en ook de mens, geschapen, als een redelijk, zedelijk wezen. Waardoor de mogelijkheid van te kunnen vallen, aanwezig was. Van buiten af is hij niet verleid. Dat was niet mogelijk. Want vóór hem was de zonde nog niet bedreven. De zonde moet daarom van uit hemzelf opgekomen zijn. Hoe dit mogelijk geweest is, daar zal het absolute antwoord wel nooit op gegeven kunnen worden. De meeste rechtzinnige verklaarders gaan niet verder dan te zeggen, dat God dit heeft „willen toelaten”. Hij heeft dus willen toelaten, dat de „mogelijkheid van te kunnen vallen, die in de Satan, als redelijk zedelijk wezen aanwezig was”, naar buiten tot openbaring is gekomen. Dit tot meerdere glorie van al Zijn deugden. Hoe dit nu kan, zonder uiteindelijk God als de oorzaak van de zonde te zien, geloof ik te moeten zeggen, dat ons verstand te eindig en te beperkt is om daar een antwoord op te kunnen geven. Prof. Wisse heeft ten deze eens gezegd: Wat mijn verstand niet begrijpen kan, daarvan zegt mijn geloof, dat het bij God in orde is. Ik geloof, dat we hier achter ons denken ook een punt moeten zetten en niet curieuselijk moeten gaan onderzoeken, datgene wat God verborgen gehouden heeft.

Wat nu de zonde geweest is, die de Satan bedreven heeft, daar kan iets meer van gezegd worden, hoewel ook dit met de nodige voorzichtigheid gebeuren moet. Het algemeen gevoelen is, dat dit hoogmoed geweest is. Dit algemeen gevoelen, onder de rechtzinnige schriftverklaarders, berust dan op de volgende gronden:

Het is de eerste zonde waartoe hij de mens heeft zoeken te verleiden. Hij heeft hem tot hoogmoed aangezet, door hem voor te houden, dat hij als God zou zijn, wanneer hij van de ’ verboden boom zou eten, kennende het goed en het kwaad. De mens was geschapen „gelijkend op God”, gelijk een kind op zijn ouders kan gelijken. Doch een kind kan nooit „gelijk aan” zijn ouders worden. Het blijft altijd ondergeschikt. Zo kon de mens ook nooit gelijk aan God worden. Zou hij daar toch maar staan, dan zou dit niet anders dan vermetele hoogmoed wezen. En „hoogmoed gaat voor de val”. Waar de Satan zelf in gevallen zou zijn, daar heeft hij ook het schepsel in terecht willen brengen, wat hem door zijn listige omleidingen ook gelukt is.

Vervolgens voert men aan wat er staat in Joh. 8: 44, waar o.a. van de Satan gezegd wordt, dat hij „in de waarheid niet is staande gebleven”. God had hem in een rechte, ware verhouding tegenover Zichzelf geplaatst. Dat was een aan God ondergeschikte plaats. Doch daar is hij niet tevreden mee geweest. Hij is daar niet in staande gebleven. Hij is daar uitgegaan, vrijwillig. Hij heeft zich tegen God gekeerd, is van God afgevallen en heeft in zijn val een grote schare engelen meegenomen. Daaromtrent staat geschreven in de brief van Judas vers 6, dat er engelen (meervoud) zijn, die hun beginsel niet hebben bewaard, maar hunne eigen woonstede verlaten hebben, en die worden nu tot het oordeel des groten dags, met eeuwige banden, onder de duisternis bewaard. Als het gaat over de vraag, wat de zonde van de Satan geweest is, kan ook nog gewezen worden op wat Paulus schrijft aan Timotheus, in 1 Tim. 3: 6, dat geen nieuweling tot eens opzienersambt verkoren moet worden, opdat „hij dan niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels valle.” Opgeblazenheid, zelfverheffing zou dan dé zonde zijn geweest, die door de Satan bedreven is. Hij wilde ook als God zijn. En dat is niet mogelijk, want dan zouden er twee Goden moeten kunnen zijn. En dat verdraagt de idee „God” niet. Er is maar één allerhoogste God. Er kunnen geen twee Allerhoogsten zijn.

Wat de verklaring betreft, geloof ik dat we het hierbij moeten laten. De Satan heeft een ontzaglijke macht, met zijn gehele aanhang. Dat is zonder meer wel duidelijk. Hij woelt en werkt in deze wereld. Ook in onze harten van nature. Want alle mensen zijn in Adam de Satan toegevallen en stellen zich aan de zijde van de Satan tegen God op.

Gelukkig is er Eén sterker dan de Satan, en dat is de Heere Jezus Christus. Deze heeft die „oude Slang” op de heuvel Golgotha, de kop vermorzeld. Doch al is zijn kop vermorzeld en daardoor zijn ondergang verzekerd, hij roert inmiddels nog heftig met zijn staart, om, indien het hem mogelijk ware, alles op deze aarde te verwoesten.

Zoekt, beste vrienden, tegen deze Boze, schuiling alleen bij Hem, die ons aldus heeft leren bidden: „Verlos ons van de Boze en leidt ons niet in verzoeking”. Alleen bij God, die de almachtige Schepper is van hemel en aarde, is kracht te verkrijgen in de strijd tegen de Satan. Want al Gods kinderen krijgen daar in meer of mindere mate mee te doen. Uiteindelijk hebben alle mensen daar mee te doen. Maar de meeste mensen hebben daar, helaas, geen last van. Het zijn gewillige onderdanen van de vorst der duisternis. Doch zodra als men de „goede keuze” mag leren doen in z’n leven, dan krijgt men last van deze helhond. Doch hij drijft dan altijd de schapen weer naar de Herder toe. En:


’t Is Israëls God, die krachten geeft.
Van Wien al het volk zijn sterkte heeft.
Looft God, elk moet Hem vrezen.


De hartelijke groeten van jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.