+ Meer informatie

ONZE KERKEN VAN 1892 TOT 1982

10 minuten leestijd

Fotoboek of kerkgeschiedenis?

Op onze laatste Schooldag werd een mooi gebonden en royaal geïllustreerd boek gepresenteerd: En toch niet verteerd 1). Het was te verwachten, dat het zijn weg wel zou vinden. Op de dag dat het uitkwam, werden er al honderden exemplaren van verkocht. Maar hoe gaat het dan met een werk waarin tientallen foto’s zijn opgenomen? Men bladert erin, men maakt elkaar ergens op attent, hier en daar wordt iets gelezen dat opvalt en dan wordt het opzij gelegd. En dat laatste is niet de bedoeling van hen die het schreven.

De auteurs, ds. M. Drayer, prof.dr. W. van ’t Spijker en ds. J.H. Velema, gaven het behalve een titel, die ontleend is aan ons kerkelijk zegel, waarop de woorden „nee tarnen consumebatur” uit de Latijnse vertaling van Exod. 3: 2 staan, ook een ondertitel mee: Uit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken sinds 1892. Als de afgedrukte foto’s de hoofdzaak waren, zou ons blad wel met een recensie kunnen volstaan, maar als het gaat om een geïllustreerde kerkgeschiedenis, mag er wel een artikel aan gewijd worden.

Toch moeten we ons er ook weer niet meer van voorstellen dan het zelf pretendeert te zijn. Het zou wel heel mooi zijn, als de drie auteurs de geschiedenis van onze kerken van 1892 tot 1982 beschreven hadden, maar dat stelt eisen waaraan dit werk niet voldoet. Het behoorde dan vollediger te zijn, het zou een strakkere compositie dienen te hebben en er zou een verantwoording van de methode gegeven moeten worden. Bovendien mocht men dan een opgave van literatuur verwachten.

Nu is door de schrijvers en samenstellers een keus gedaan uit het historisch materiaal, dat in overvloed voorhanden is. Zij zeggen zelf, dat zij bepaalde aspecten behandeld hebben. Om er enkele te noemen: Theologische Hogeschool, verenigingsleven, spanningen de jaren door, kerkelijke deputaatschappen en verhouding tot andere kerken. Maar tegelijk wordt de voortgang in de geschiedenis zichtbaar in de titels van verschillende hoofdstukken. Het boek begint met de strijd om het voortbestaan (de jaren 1892 tot 1900). In het hoofdstuk over kerken en kerkelijke veranderingen staan wel foto’s van afgevaardigden naar latere synodes (1950, 1962 en 1977), maar het zegt nauwelijks iets over dit aspect van het kerkelijk leven gedurende de tweede helft van de 90 jaar. Het geeft veel wetenswaardigheden en merkwaardigheden tot aan het jaar 1937, toen de kwestie van de vrouwelijke haardracht tot een synodale waarschuwing tegen alle wereldgelijkvormigheid leidde.

In een apart hoofdstuk gaat het voornamelijk over de wijze waarop een tweede generatie na 1892 het beginsel van de Afscheiding heeft verstaan.

Het zou te overwegen zijn om van drie generaties te spreken en de 90 jaar in drie perioden te verdelen: van 1892 tot rond 1920; van 1920 tot rond 1950 en van 1950 tot rond 1982. Bij elk van die perioden van ongeveer 30 jaar zouden gebeurtenissen en verschijnselen te noemen zijn die in die tijd van betekenis waren, vraagstukken die toen aan de orde kwamen en personen die leiding hebben gegeven. Dat is natuurlijk voor de eerste periode gemakkelijker dan voor de laatste. Maar zo komt er wel meer tekening in de geschiedenis. Het is van belang een goed zicht op de ontwikkeling te krijgen.

We nemen het boek nu zoals het is. Als we het eens lezen met het oog op de ambtsdragers? Ze hebben hun eigen maandblad, maar horen we daar iets van en wordt van hun conferenties ergens melding gemaakt? Er is al eens opgemerkt, dat de beelden van de dominees — hoogleraren en studenten in de theologie meegerekend — domineren (Jac. Lelsz). Gelukkig staan er ook verschillende foto’s van kerkeraden in: van Leeuwarden tot Rotterdam-West. Achter de kerkeraden moeten we de gemeenten zelf zien, want zonder gemeente zou er geen kerkeraad zijn. Juist in de plaatselijke kerken klopt het hart van ons kerkelijk leven.

De vele foto’s mogen interessant zijn en sommige, vooral de oudere, zelfs waardevol, maar met het woord komen we in de kerk verder dan met beelden. Het is echter zowel een leesboek als een kijkboek. Het is een boeiende beschrijving van diverse aspecten van ons kerkelijk leven. Het zijn grepen uit de geschiedenis van onze kerken in deze 90 jaar.

Informatief en instructief

En toch niet verteerd is niet het eerste dat in dit genre verschenen is. Er was al een boek over het leven en werken van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. In 1982 konden de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika herdenken, dat zij 75 jaar bestonden. Ook dat leverde een boek op.

Een dergelijke bundel is altijd een bron van informatie. En doet de kennis van de kerk de liefde tot de kerk niet toenemen? In elk geval kwijnt het kerkelijk besef, wanneer er geen belangstelling meer is voor het kerkelijk leven zoals het reilt en zeilt.

Wie teruggaat in de geschiedenis van de kerk, of het nu 90 jaar is of meer dan een eeuw, vindt ook genoeg dat erg menselijk is, maar niet past bij de stijl van de kerk van Christus. Er zijn toonbeelden van trouw, maar ook voorbeelden van ontrouw. Er zijn contrasten en conflicten. We zouden niet goed geïnformeerd worden, als alles wat anders had moeten zijn, maar werd overgeslagen. Dan zou het beeld zelfs vertekend zijn.

De auteurs hebben ernaar gestreefd een werk tot stand te brengen dat ons de nodige informatie niet onthoudt.

Toch is dit boek niet alleen informatief. Het is ook instructief. Ambtsdragers kunnen er zeker winst mee doen. Ik zou hier vooral op enkele feiten en momenten uit deze 90 jaar willen wijzen die niet algemeen bekend zijn. Het is maar een selectie uit de onderwerpen die ter sprake zijn gebracht.

Kort na 1982 hield ds. F.P.L.C. van Lingen, die evenals ds. J. Wisse Czn. eens een voorbeeldig ambtsdrager genoemd is, een indrukwekkend pleidooi voor een verantwoorde theologische opleiding. De praktische inslag van de theologie mag geen moment uit het oog verloren worden. Hoe kan men anderen het evangelie verkondigen, als men zelf de betekenis ervan niet verstaat? Maar daarnaast verdient het wetenschappelijk karakter voortdurend alle aandacht en zorg.

De ontwikkeling van het kerkelijk leven in de jaren na de eerste wereldoorlog ging gepaard met een dieper nadenken over het verbond der genade. Wij mogen dankbaar zijn voor de verschijning van het Lesboek over de Gereformeerde Geloofsleer van ds. J. Jongeleen (1927). Er zijn jaren op gevolgd van polemiek met Schilder enerzijds en Kersten anderzijds, maar uit een belangrijk rapport dat in de Acta van de synode van 1937 te vinden is, kan men afleiden dat dit alles niet voor niets is geweest. Naast ds. Jongeleen heeft vooral prof. J.J. van der Schuit hier het zijne toe bijgedragen. Terecht wordt gezegd, dat in deze verbondstheologie het beroep op de Reformatie (Calvijn) steeds sterker en de toewending naar de Reformatie steeds krachtiger werd.

Prof.dr. W. van’t Spijker schreef over „Spanningen de jaren door”. Diversiteit is er altijd geweest binnen de gereformeerde traditie. Er zijn voor en na predikanten en andere ambtsdragers naar andere kerken overgegaan. Daarbij wordt herinnerd aan de reactie van een man als Van der Schuit. Het was naar zijn oordeel trouwbreuk en een verzaking van het beginsel.

Het conflict dat hij tien jaar voor zijn benoeming in Apeldoorn gehad heeft met prof. P.J.M. de Bruin kon niet onvermeld blijven. De Bruin had ernstige bezwaren tegen wat in „De Wekker” gezegd was over de belijdenis van het geloof in het midden van de gemeente. Kan en mag de kerk een levend geloof eisen bij hen die zij toelaat? Volgens hem niet. Het zou om instemming met de belijdenis gaan. Dit standpunt, door De Bruin verdedigd in zijn maandblad „Waarheid en Vrede”, waarvan overigens maar enkele nummers het licht hebben gezien, is door de synode van 1913 afgewezen. Daar hebben wij de uitspraak aan te danken, dat op grond van Gods Woord en de belijdenisgeschriften van de kerk een levend geloof als eis van God bij het afleggen van geloofsbelijdenis gevorderd moet worden. De synode erkent dat de mens niet kan zien wat in het hart van de belijder voor God is, zodat de kerk niet meer van de belijder eist dan wat de mond belijdt, indien het leven zulks niet tegenspreekt.

Twintig jaar later moest een beslissing genomen worden in een heel andere kwestie. Sindsdien mag geen predikant het chiliasme, zoals ds. A.M. Berkhoff dat voorstond, in woord en geschrift verbreiden als de leer van de Heilige Schrift.

Weer twintig jaar later werd er veel gesproken over verontrusting over de gang van het kerkelijk leven. Dat was voor de synode van 1953 de aanleiding om een getuigenis te doen uitgaan, dat op vele kansels is voorgelezen. Maar het heeft veel van een gelegenheidsstuk. Het was niet overbodig geweest in dit verband de brochure te noemen die prof. W. Kremer, toen nog predikant van Apeldoorn, in hetzelfde jaar had uitgegeven over de „spanningen en gevaren”. Zijn rustige uiteenzetting heeft m.i. meer blijvende betekenis dan het als kanselboodschap bedoelde getuigenis van 1953.

Wie dit gedeelte leest, vraagt zich af, waarom er niet concreter gesproken wordt over spanningen die zich na 1953 hebben voorgedaan. We moeten immers eerlijk erkennen, dat er groepsvorming bestaat en dat er een gebrek aan vertrouwen is.

Maar in het laatste hoofdstuk, geschreven door ds. J.H. Velema, komen we er toch mee in aanraking. Het gaat over de samenbinding. Laat ik een citaat mogen geven: „We zullen op geestelijke wijze samen kerk moeten zijn. Dat betekent dat we ons allen moeten oefenen in zelfverloochening; dat we ons van harte moeten laten corrigeren telkens maar weer door Woord en Geest; dat we onze vastgeroeste visies minstens ter discussie moeten stellen en vaak moeten opgeven; dat we breken met alle mogelijke systemen van welke aard ook en dat we allen dagelijks leerjongeren van Christus willen worden”. Wie van de ambtsdragers zal het hier niet mee eens zijn? Als het goed is, is het ons uit het hart gegrepen!

We lezen verder. Het gaat om die samenbinding die niet berust op menselijke factoren, maar die een gave is van de Heilige Geest — een gave die biddend wordt verkregen. Dan zullen we duidelijk willen zien, dat niet onze progressieve ideeën of onze conservatieve opvattingen het welzijn van de kerk bepalen. Wat de leer betreft hebben we te bewaren wat ons werd toevertrouwd. Maar er zijn ook middelmatige dingen, bijzaken waarvan men geen hoofdzaken mag maken met voorbijzien van de eigenlijke hoofdzaak waar het in de kerk van Christus om gaat.

Er zou nog veel meer te noemen en aan te halen zijn. Na wat ik zojuist naar voren gebracht heb, maak ik maar geen kritische opmerkingen meer. Ze zouden enigszins uit de toon vallen.

We leven snel. De gebeurtenissen uit ons kerkelijk verleden en de figuren die daarin op de voorgrond traden, kunnen heel klein lijken, naarmate de tijd voortgaat. Maar wat gedaan werd uit liefde tot Jezus houdt zijn waarde. Ondanks de zonden en tekorten die er zijn, bleef de Here Zijn kerk vergaderen in de eenheid van het ware geloof.

Het randschrift van ons kerkelijk zegel is inderdaad ook het randschrift om de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken van 1892 tot 1982: Nec tamen consumebatur.

1) Ds.M.Drayer, prof.dr. W. van ’r, ds. J.H. Velema, En toch niet verteerd. Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, Kampen, 1982. 179 blz., eb. f. 37,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.