+ Meer informatie

Het gesprek over het H. Avondmaal en het huisbezoek

14 minuten leestijd

III

Moeilijkheden waarop de ambtsdrager stuit bij het gesprek over het H, Avond-maal.

2. Geloof en verzekerd geloof vereist bij het aangaan van het H. Avondmaal?

Een veel voorkomende moeilijkheid bij het aangaan aan het H. Avondmaal is dat men van mening is dat een verzekerd geloof noodzakelijk is om het sacrament mee te vieren. Men zegt dan: ik weet niet of ik een kind van God ben; ik sta lang niet altijd in de blijdschap; voor mijn besef mis ik de troost van de vergeving der zonden; als ik een kind van God was zou het heel anders bij mij zijn en dit alles tesamen maakt dat ik niet kan aangaan.

Dit is een veel gekoesterd misverstand. Een misverstand dat zoveel nawerking heeft, dat velen, die wel aangaan toch innerlijk door deze gedachte geremd worden zodat de vreugde van de ontmoeting met de Here aan Zijn tafel hun ontnomen wordt

In dit verband is er menigmaal op gewezen, dat het formulier voor het H Avond maal hier en daar een enigszins afmanend karakter heeft Anderen, die ten koste van alles de juistheid van het formulier willen vasthouden hebben deze mening bestreden Toch kan het enigszins afmanende karakter van het formu-lier met geheel ontkend worden Dat wil helemaal niet zeggen, dat de opstellers bedoeld hebben om de gelovigen van het H Avondmaal af te houden Even-min, dat ZIJ van oordeel waren dat zij beter konden afweren van dan lokken tot de tafel des Heren Want dit laatste wordt weersproken door het gedeelte dat begint met ‘Maar dit wordt ons, geliefde broeders en zusters met voor gehouden, om de verslagen harten der gelovigen kleinmoedig te maken ‘ Het enigszins afmanend karakter van het formulier vmdt veeleer zijn oorzaak in de tijd toen het formulier werd opgesteld Vele gelovigen waren zojuist uit de roomse kerk gekomen waar een schrikbarende Avondmaalspraktijk heerste De zeden waren toentertijd vnj ruw en er waren allerlei misstanden met betrek-king tot het christelijke leven De weerslag daarvan vmdt men op verschillen-de plaatsen m het formulier De zonde-lijst, die in het formulier is opgeno-men bewijst dat wel heel sterk Om dezelfde reden moest de kerk wel de dingen klaar en duidelijk en scherp stellen

Daar komt iets bij

De taal, die het formulier gebruikt is de onze met meer Dat wil zeggen er zijn uitdrukkingen, die door ons met meer begrepen worden terwijl diezelfde uit-drukkingen voor de gelovigen destijds geen enkele moeite gaven Duidelijk wordt dat wanneer we het tweede stuk van de zelfbeproevmg lezen Het formu-lier zegt daar ‘Ten andere onderzoeke een iegelijk zijn hart, of hij ook deze gewisse belofte Gods gelooft, dat hem al zijn zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus vergeven zijn

Iemand, die dit met aandacht leest kan inderdaad begrijpen waar het om gaat HIJ zal weten, dat heengewezen wordt naai de bc’ofte van God, die inhoudt de vergeving der zonden Het geloof moet zich dus richten op de belofte, die zeker is of ook vast, betrouwbaar Of dit altijd zo begrepen wordt is een tweede Veien bliiken m de praktijk dit toch zo niet op te vatten Zij lezen er in, dat men toch maar moet weten dat de zonden vergeven zijn Blijkbaar is deze manier van uitdrukken niet erg doorzichtig Van hieruit is het te verklaren dat de zaak waar het hier om gaat ook wel eens anders wordt uitgedrukt Ds J H Velema omschrijft op dit punt de toelating tot het H Avondmaal in het derde deel van zijn catechisatieboekje aldus ‘en nochthans de gewisse belofte Gods geloven dat voor al hun zonden vergeving is m Christus bloed’ Zakelijk geeft dit de bedoeling van het formulier juist weer maar het wordt duidelijker gezegd en kan daarom beter begrepen worden Onze vaderen hadden echter met de minste moeite met de door hen gegeven omschrijving Het is evenwel goed m het gesprek over het huisbezoek te weten waar het precies in het formulier om gaat

En daarbij dient men wel te bedenken dat de bedoeling van de Catechismus in haar uitspraak over het geloof in de vergeving der zonden dezelfde is, als die van het formulier.

De catechismus zegt het voor ons besef nog iets onduidelijker dan het for-mulier. We lezen immers in antwoord 81: ‘en nochthans vertrouwen, dat deze (n.l. hun zonden) om Christus wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met zijn lijden en sterven bedekt is.’

Het Kort Begrip spreekt op gelijke wijze als de Catechismus. Vraag 61 geeft als antwoord: ‘Ten tweede, of ik geloof en vertrouw dat mij al mijn zonden om Christus’ wil vergeven zijn.’

Het formulier, de Catechismus en het Kort Begrip bedoelen zakelijk precies hetzelfde waarbij voor twintigste eeuwse oren het formulier in dit opzicht nog het duidelijkst spreekt omdat er gesproken wordt over de belofte.

Het formulier bedoelt dus niet te zeggen of we gewisselijk geloven, dat alle zonden vergeven zijn; maar of we de gewisse belofte Gods geloven. Er moet dus onderscheid gemaakt worden tussen de beloften Gods, die de vergeving tot in-houd hebben en tussen het geloof waarmee die zekere en gewisse beloften wor-den aangenomen en toegeëigend.

In dit verband moge herinnerd worden aan hetgeen wijlen Prof. G. Wisse schreef in het voortreffelijke werkje: ‘Mag ik ten Avondmaal gaan?’ blz. 17/18: ‘[a-z]et komt dus aan op het al of niet aanwezig zijn van geloof in deze gewisse be-loften Gods. En inderdaad mist ge zulk een geloofsuitgang der ziel totaal, geheel en al, ja dan mogen we niet verder aandringen; inderdaad dan zoudt ge met uw toetreden den Disch des Heeren ontheiligen. Als ge dan maar goed belieft te, dat zulks dan niet is, omdat ge niet verzekerd zijt, maar omdat ge ganselijk zulke geloofswerkzaamheid mist. Geef dan dus niet uw onverzekerd-heid maar uw ongeloof ten deze de schuld. Daar ligt dan de oorzaak. Dan zou ook hier gelden: ze hebben niet kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. In den regel wil men dat niet zo grif toestemmen; dan zou men zichzelf teveel onteren; daar zijn we dan heimelijk en feitelijk nog te vroom en hoogmoedig voor. Laat u dit maar eens goed aangrijpen. Het klinkt voor onszelf altijd wel zo vromer en aannemelijker voor ons vrome vlees om te zeggen: ik heb geen vrijmoedigheid, dan ik heb geen geloot.

De beslissende vraag is tjus niet: wat zie ik in mij zelf; wat denk ik van mij zelf maar hoe sta ik tegenover de belofte des Heren?

Dat zal een wezenlijk onderdeel van het gesprek moeten zijn. In verband hier-mede mag ook nimmer vergeten worden dat de drie delen van de zelfbeproe-ving nooit los van elkaar staan en evenmin van elkaar losgemaakt mogen wor-den. Sommige mensen geven de indruk dat het vrij wat gemakkelijker is om zijn ellende te kennen en zichzelf te mishagen dan te bouwen op de belofte des Heren. Dat is een vergissing. Want het ene deel is niet gemakkelijker dan het andere. Het is veeleer zo dat waar op één deel bevestigend geantwoord moet worden ook de andere delen aanwezig zijn. Een ambtsdrager dient hier wel te onderscheiden. Waar oprecht mishagen is, is ook een werkzi am zijn met de Here Jezus. En dan is taak van de ambtsdrager om de liefde van de Here Jezus te laten zien in het sacrament.

In onze kringen is wel eens gesproken van de geloofs-imperatief. Daarmede werd dan bedoeld de sterke aandrang om toch te geloven. En dat werd dan afgewezen. In vele opzichten terecht. Men bereikt meer om te gewagen van de permissie om te geloven; de vergunning van Gods wege omdat het sacrament ons de onpeilbare liefde van de Here Jezus zichtbaar maakt en in het sacrament de Here Zich liefdevol aan ons opdringt.

Maar nimmer vergete men dat hoezeer men ook naast de verslagenen en bekommerden moet gaan staan de vastigheden des Heren boven alles gaan. En dat deze vóór alles moeten worden verkondigd. Nooit komt duidelijker uit dat het Heil niet in ons ligt dan bij het H. Avondmaal. Maar ook straalt de liefde van de Here Jezus ons nooit meer tegen dan juist bij dit sacrament. En van hieruit zal men dan ook te gelegener tijd spreken kunnen over de zonde van het voorbij gaan van deze grote liefde van de Here Jezus. Johannes zegt het zeer scherp: ‘wie God niet gelooft heeft Hem tot een leugenaar gemaakt.’ Dit woord moge hard klinken maar wij zullen als het nodig is het werkelijk mogen en moeten gebruiken. We spreken dan slechts de Schrift na.

Nu kan het ook gebeuren, dat het geloof zich wel richt op de belofte van het Evangelie maar dat dat geloof uiterst zwak is. Het gevolg zal zijn dat men op weerstanden stuit om aan het H. Avondmaal te gaan of dat men klaagt — zo men wel aangaat — dat men weinig vrucht van de tafel des Heren ontvangt. De ambtsdrager staat dan voor de moeilijke taak na te gaan wat de oorzaken zijn van dat zwakke geloof. Deze kunnen van verschillende aard zijn. En het is niet altijd even gemakkelijk deze oorzaken te vinden. Teminder wanneer men te doen heeft met broeders of zusters, die zich moeilijk uiten. Een mens is al een zeer gecompliceerd wezen en als daar nog bij komt dat men een ander moeilijk een blik gunt in zijn hart wordt de taak van de ambstdrager nog verzwaard. Daarom — maar dit terzijde — is het goed als ambstdragers ver-scheidene jaren achtereen bij dezelfde gezinnen komen op huisbezoek; men leert daardoor de leden der gemeente beter kennen.

In het algemeen kunnen echter twee oorzaken van zwak geloof genoemd wor-den.

3. Gebrek aan geloof als verhindering tot toetreding aan het H. Avondmaal.

Dikwijls gebeurt het dat het geloof wordt aangevochten en niet in kracht kan uitkomen omdat er gebrek is aan heiligmaking. We raken hier het derde punt van de zelfbeproeving. Het is een punt dat nogal eens verwaarloosd wordt. Natuurlijk geeft men toe, dat de H. Geest de begeerte wekt om het leven te beteren. Maar in de praktijk mankeert er aan de beleving van het stuk der dankbaarheid heel veel.

In het algemeen gezegd is het leven der dankbaarheid niet de sterkste zijde van ons kerkelijk leven. Dat is ook wel te verklaren. Men is zeer bevreesd om werkheiligheid te kweken. Bovendien is de bron van dankbaarheid voor een ander nooit te onderscheiden als een zuivere of onzuivere. Een mens kan de mooiste dingen doen en de hartelijkste betuigingen uiten en toch een farizeeër zijn. En niets is zo gevreesd in onze kring als farizeeisme.

Toch mag om bovengenoemde redenen het stuk der dankbaarheid niet achter-gesteld worden. Het behoort even wezenlijk tot de vereisten om toe te gaan tot de tafel des Heren als het mishagen over zichzelf en het geloof in de Here

Jezus. Sterker nog het behoort tot het zaligmakend werk van de H. Geest om de dankbaarheid in het leven van Gods kinderen gestalte te doen krijgen. Daarom moet aan vele christenen, die klagen over gebrek aan geloof de vraag gesteld worden of zij wel werkelijk eerlijk en oprecht tegen de zonden de strijd hebben aangebonden. Ook in dit opzicht is het christen-hart arglistig. Het com-promis zit ons in het bloed met alle gevolgen van dien.

Die zonden behoeven werkelijk geen publieke schanddaden te zijn.

Het oneens zijn met de levensleiding van de Here kan een oorzaak zijn van gebrek aan geloof. Hier zitten heel veel mensen mee. Velen hebben het over berusten; ze bedoelen dan dat je er toch niets aan doen kunt en je er daarom maar bij neer moet leggen. Maar dat is heel iets anders dan overgave. Overgave geeft iets uit handen; geeft over in de handen van de barmhartige Vader waar onze nood en onze zorgen veilig zijn. Maar bij berusting blijft er innerlijk iets zitten. De overmacht dwingt dan om te zwijgen. Maar dat zwijgen wordt mokken. En dan kan het geloof niet groot zijn.

Men vergete in deze tijd evenmin dat velen zijn aangegrepen door de welvaarts-roes. Geld en goed nemen het denken van velen in beslag. De pastorale ds J. van Andel schreef eens: ‘De zorgvuldigheden van een Martha kunnen even-goed het Woord onvruchtbaar maken als de wellusten van een Herodes. De ge-loofde dingen u evengoed schade doen als de verbodene, zoo de begeerte er naar gaat heerschen over uw wil.’

Het Avondmaalsformulier spreekt over zonden, die nog tegen onze wil in ons zijn overgebleven. Deze vormen geen verhindering tot toetreding aan des Heren tafel. Maar dat is wél het geval met onbeleden en onbestreden zonden. Het is immers zo, dat hartelijke vreugde in God door Christus alleen mogelijk is naast hartelijke droefheid over de zonde. Deze twee gaan altijd samen. Waar de één niet is kan ook de ander niet zijn.

Vervolgens kan het feit, dat men de zonde zo moeilijk overwint een oorzaak zijn, dat het geloof zwak blijft. Men redeneert dan: ach, als ik nu maar eens wat minder zondig dacht en deed; als ik maar liefde kon betonen; als ik ‖ dan, ja dan zou ik wel aan kunnen gaan. Maar ik blijf altijd dezelfde.

Het is van belang zich er bewust van te zijn dat achter deze redenering een geheel foutieve gedachte schuil gaat. Dat men n.l. déze gedachte koestert dat men het eerst een heel eind gebracht moet hebben in overwinning van de zonde vóórdat men mag geloven. In feite komt het er dan op neer dat de heiligmaking vóór de rechtvaardigmaking wordt gesteld. Men zou dan eerst allerlei dingen moeten opruimen vóór men tot Christus mag gaan.

Het zijn niet alleen oudere Christenen, die met deze moeilijkheid worstelen. Veel jongeren zitten er eveneens mee. En dat juist de jongeren met deze vragen moeite hebben is ook wel te begrijpen. Zij leven immers zoveel te feller en zij ervaren het op concrete punten soms nog meer dan de ouderen dat het vlees zwak is. En dan vlees niet alleen in sexuele zin maar zoals de Bijbel vlees be-doelt. Overigens leert de praktijk van het ambtelijke leven wel dat de vragen op het sexuele terrein vele zijn en dat het hoog tijd wordt dat wij ook als ambts-dragers in deze leiding geven. Want sexuele moeilijkheden zijn de oorzaak van veel geestelijke duisternis.

Het is een heerlijk iets om als ambtsdrager in bovengenoemde nood te mogen troosten en te mogen spreken van de liefde van de Here Jezus. Want Jezus is immers gekomen om de zonden weg te nemen. Hij is gekomen om te be-vrijden. Hij is sterker dan de duivel.

Daarnaast zal men de vragen, die hier liggen toch ook moeten toespitsen op de vraag of het gebrek aan zonde-overwinning niet voortkomt uit gebrek aan geloof in Jezus, die schuldigen aanneemt. We moeten dat laatste vooral heel sterk benadrukken.

Het is verbijsterend en ontstellend wat men op dit punt soms tegenkomt. Als men de ambtsdrager wanneer er concrete zonden zijn geweest, vraagt; gelooft u nu dat uw zonden u vergeven zijn is het antwoord soms een schouder-ophalen; of ook men vraagt: hoe kun je dat nu weten en zolang ik dat niet weet kan en mag ik toch ten Avondmaal gaan?

Daarom moet de nadruk er op gelegd worden dat wanneer wij onze zonden belijden en er berouw over hebben, we vertrouwend tot de Here mogen gaan. En eveneens, dat Christus overwinnaar is en dat het gebed met het vertrouwen moet doortrokken zijn dat Christus metterdaad ook voor de persoonlijke zon-den heeft geboet. En vervolgens dat het H. Avondmaal is ingesteld voor diege-nen, die begeren dat hun leven gebeterd wordt.

Prof. Wisse heeft in zijn eerder aangehaald werkje er terecht de nadruk op gelegd, dat het begeren van verbetering des levens maar niet een kenmerk is óf we Avondmaal mogen vieren maar dat het zó staat: ‘n.l. wie dat nu, deze begeerte in zich bevinden, door dezulken is het nu ingesteld. Daar zegt de Here nu als het ware tegen: leeft er zulk een begeerte in u, wel, zie hoe Ik dan de tafel voor uw aangezicht heb toegericht, opdat deze begeerte zou bevredigd worden; m.a.w. hier zorgt uw Verbonds-God, volk van vurig zielsverlangen, dat ge die begeerte zou bevredigd zien. Dezulken behoeven nu niet hopeloos hun ongeval te blijven aanstaren; neen, die treden nu tot dit van God verordineerde middel toe, om genezing onder Zijn vleugelen te vinden’.

(word vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.