+ Meer informatie

TER OVERWEGING

13 minuten leestijd

Dr. C.J. den Heyer, Kruispunten op de messiaanse weg. Beeiden van Jezus in het Nieuwe Testament. Serie Kamper Cahiers, deel 74. Uitg. Kok - Kampen. 108 blz. f 24,90.

In dit geschrift publiceert dr. Den Heyer de inaugurele rede die hij in de aula van de Theol. Universiteit van de Geref. Kerken heeft gehouden (in bewerkte tekst). Zowel de inhoud van deze rede als de plaats waar deze werd uitgesproken, markeren wat de schrijver onlangs stelde nl. dat de Geref. Kerken met de publikatie van het rapport “God met ons” definitief afscheid hebben genomen van ‘een bijbelopvatting die vele decennia kenmerkend was geweest voor gereformeerde theologie’. Het hele betoog doet uitkomen dat - om zo te zeggen - ziel en zaligheid verkocht zijn voor de zgn. ‘historischkritische exegese van de Bijbel en met name van de evangeliën’ en dàt in conflict ‘met het belijden van de kerk zoals dat in eeuwenoude symbolen en dogma’s was geformuleerd’ (blz. 5). Dankzij dat historisch-kritische onderzoek blijkbaar wordt gepretendeerd over ‘de’ exegese van de tekst te beschikken die ‘op gespannen voet’ staat met het kerkelijk belijden (23). Daarom weet ‘de exegeet die zich niet door dogmatische vooronderstellingen laat leiden’, het ‘beter’ dan evangelisten en apostelen die ‘de woorden en daden van Jezus, zijn leven en lijden, zijn sterven aan het kruis en zijn opwekking ten derden dage, interpreteren in het licht van het Oude Testament en zien als vervulling van de Schriften’ (23). De ‘historisch-kritisch geschoolde exegeten, die weigeren zich door dogmatische vooronderstellingen de wet te laten voorschrijven’ (25), weten zich ‘gevangen in een krachtenveld dat door twee stromingen wordt beheerst’ nl. het ‘belijden van de kerk’ én de ‘inzichten en resultaten van de wetenschappelijke bestudering van het Nieuwe Testament’ (39). Van beheersing door de confessie is bij Den Heyer niet veel te merken! Des te meer blijkt hij gevangen in die -overigens nogal wisselende -inzichten en resultaten, al is hij niet bevreesd voor ‘onzekerheden’, immers ‘zonder hypothesen kan totaal niets gezegd worden’ (40)! Vandaar vrijmoedig ‘ik veronderstel’ even verder gevolgd door ‘dat bewijst’ (41)! Leveren hypothesen, veronderstellingen soms bewijskracht - verdiscontering van ‘pendelbewegingen’ (44) inbegrepen? En als hypothesen zonder nadere verantwoording als thesen gaan functioneren - zoals ik als aankomend studentje destijds in Groningen ontdekte en in geschritten als deze gepraktizeerd zie - moet dat dan als ‘wetenschappelijke bestudering’ aangemerkt worden? Te waarderen is zonder twijtel dat Den Heyer oog én hart heett voor wat wel de joodse wortels van het Christendom worden genoemd. Hij wijst op de ‘joodse interesse voor de man uit Nazaret’. Joden gaan “op zoek naar het historisch verhaal over Jezus van Nazareth’; daarbij ‘kost het hun minder moeite dan vele christelijke nieuwtestamentici in deze tijd geloof te schenken aan de verhalen in de evangeliën en zonder veel zorgen, bijna naïef, uit te gaan van de historische betrouwbaarheid van de evangeliën’ (45). Den Heyer vat dan zijn ‘visie op de historische waarde van de evangeliën in één zin samen: onhistorisch zijn de vier evangeliën niet, maar het zijn stellig geen biografieën van Jezus in de moderne zin van het woord’. Als dan Paulus min of meer wordt uitgespeeld tegen deze evangeliën, dan lijkt het me niet simpel de wortels van deze visie als joods te duiden. Zijn ze misschien beter te ontdekken in de zgn. Verlichting van ruim tweehonderd jaar geleden? Dan verbaast het niet dat het betoog uitloopt op: ‘Jezus is het beeld van Gods liefde voor mensen. Theologieën die aan dat beeld geen of onvoldoende recht doen, daarvan kan en moet gezegd worden dat ze beneden het niveau van het Nieuwe Testament blijven’ (63). Moge de ‘theologia crucis’ van Paulus niet ‘het laatste woord, de maat’ zijn (62), het laatste woord van dit betoog doet de vraag opkomen of hiermee voldoende recht wordt gedaan aan het Nieuwe Testament met inbegrip van dat van het Oude Testament. Wie pretenderen ook maar weer met de Here Jezus als (voor)beeld theologisch het laatste woord te hebben?

Dr. Simon Schoon, Paulus. Grensganger tussen Israël en de volken. Uitg. Kok-Kampen. 116 blz. f 19,90.

Dit boekje heeft z’n ontstaan te danken aan een serie preken. Dr. Schoon heeft de barrière niet gemeden die volgens zijn Inleiding ‘predikers moeten overwinnen om aan Paulus te beginnen’ en kon zo dus ‘al die geloofsvoorstellingen, die de gemeente blijft meezeulen’ ter sprake brengen, al is hij zich bewust dat ook zijn ‘benadering eenzijdig gevonden kan worden’ (blz. 8). Dat bewustzijn weerhoudt hem niet om waar het maar mogelijk is, zich te distantiëren van dogma en dogmatiek (7, 22, 34 enz.). Zelfs een beknòpte dogmatiek wekt geen sympathie (54-‘Apeldoorn’ bedoeld?). Paulus is geen dogmaticus en bouwde geen systematisch theologisch systeem (75). Wij lezen Paulus over het algemeen door ’de bril van Augustinus en Luther’ en hebben daardoor niet of nauwelijks zicht op de ‘echte Paulus’ (67). Of de ‘echte Paulus’ uit dit boekje naar voren komt? De schrijver ziet in elk geval de mogelijkheid dat zijn benadering ‘minder eenzijdig’ is dan ‘de klassiek-reformatorische opvatting, die Paulus uitsluitend interpreteert met het oog op het persoonlijk heil van de gelovige’ (9). In het ‘gareel’ van de ‘klassieke tweenaturenleer - door het concilie van Chalcedon 451 beleden - is in de 20e eeuw niemand te ‘dwingen’; het is ‘onmogelijk’ om deze ‘terug te projecteren in de evangeliën’ (33) en voor Paulus zijn al die formuleringen over de Godheid van Jezus, de Drieëenheid, de wezenseenheid van Jezus met de Vader ’onbegrijpelijke klanken’ geweest (112). Ook Anseimus, Calvijn, de Heidelbergse Catechismus hadden geen kijk op die echte Paulus (47, 68, 88).

Zo wordt er heel wat overhoop gehaald, waarbij ‘k de gedachte niet kwijt kan worden dat dr. Schoon zich stevig in het gareel van het dogma van de dogmaloosheid heeft gedwongen. In dat gareel pleegt men kritiekloos zonder meer te accepteren (of te pretenderen) dat ‘wij moderne mensen’ het theologische wiel pas hebben uitgevonden, waardoor de theologische kar - in dit geval met Paulus erbij - eerst goed te trekken viel, na bijna twintig eeuwen vastgezeten te hebben. Prachtige passages staan in dit boek, waarin de pastorale inzet van Paulus en zijn relatie met Israël worden getekend, maar ze worden als het ware ingekokerd in dit dogma dat zich met zelf gemaakte en absoluut gestelde dogma’s afzet tegen dogmatiek en confessie - niet zonder vertekening overigens voorgesteld - zoals de kerk der eeuwen die op onze tafel legt. En daarbij de vlag van de dogmaloosheid breed uitzwaait. Maar’t is de grote vraag of die vlag ooit de lading dekt. Zou ook te overwegen zijn in het dogma - in wezen volkomen afhankelijk van wat God ons in Zijn Woord openbaarde - een loflied op die openbaring te zien en te waarderen met erkenning van het ten dele dat in deze bedeling alle mensenwerk en -woord eigen is? En mag de confessie fungeren als akkoord van geméénschap die aan ontbinding wordt prijsgegeven door het akkoord uit te hollen resp. te ontkennen?

Dr. L. Meulenberg, Basilius de Grote. Een bruggenbouwer. Uitg. Kok - Kampen 80 blz. f 17,50.

In dit boekje wordt ons een beknopte levensschets geboden van Basilius die van 330 tot 379 leefde en in 370 bisschop werd van Caesarea in Klein-Azië. Als medestander van Athanasius was hij betrokken bij de theologische strijd in die tijd, een strijd die door vele laat-twintigste-eeuwse theologen die zich graag modern noemen, nogal negatief wordt beoordeeld: in feite waardeloos! Het is goed met een dergelijk figuur nader kennis te maken, met de tijd waarin hij leefde en de strijd die hij voerde. Het ging wel terdege om wezenlijke zaken: ‘als Jezus Christus niet geheel in de goddelijke natuur deelt, Verliest onze hoop zich in vage bespiegelingen (…) blijft er van echte solidariteit weinig over’ (44v.), wordt Hij ‘hoogstens een voorbeeld’ (21). Zijn botsing met de keizer zegt veel over de relatie tussen kerk en staat in die tijd (26w.). Zo zou er meer op te merken zijn dat de moeite van kennis nemen loont en enig begrip kan wekken voor de strijd om in die tijd kérk te zijn.

Pirn van de Kerk, Geloven in de kern. Gids voor een zinvolle christelijke gemeente in een klein dorp. Uitg. Kok - Kampen. 124 blz. f 29,90.

Wie ons Jaarboek raadpleegt, zal ontdekken dat het merendeel van onze kerken meer als streek- dan als dorpsgemeente functioneert. Dit boek richt zich vooral op de opbouw van de dórpsgemeente, waarbij de zgn. volkskerk op de achtergrond staat (vandaag in feite meer anachronisme en pretentie dan realiteit). De toegenomen mobiliteit van en migratie in de samenleving bedreigen de oude dorpsgemeente. Tegenover ’een konservatieve groep’ die zich sterk maakt in ‘diverse kerken’, ‘daarbij anderen afstotend, waar de identiteit, het wij-gevoel door deze groep wordt bepaald en het leven zich aan de leer dient aan te passen’, heeft de schrijver geschreven voor ‘dorpskerken, dorpsmensen, die met elkaar willen geloven in de kern en zo onderweg willen zijn’ (111). Wat dit ‘geloven in de kern’ concreet betekent, wordt vrij uitvoerig omschreven en wellicht het best getypeerd met wat de schrijver citeert: ‘Verlossing in Christus houdt in het werken aan vrijheid en gerechtigheid voor anderen’ (69). Het zgn. ‘marktdenken’ wordt dan fors aangepakt (58, 68, 78, 94, 108), waarbij - gemakshalve? - finaal wordt genegeerd dat het bureaudenken minstens zoveel uitwassen heeft geproduceerd (maar dat was wel zo link bij voorbaat de overheid medeplichtig te maken). Of een ‘christelijke gemeente’ zelfs in een ‘klein dorp’ met déze ’identiteit’, dit ‘wij-gevoel’, déze ’leer’ veel verder komt? ’k Kan me een andere gids voorstellen!

Ds. C. van de Velde e.a., Van werkelijkheid naar ideaal. Een praktisch boek over gemeenteopbouw. Uitg. Kok Voorhoeve - Kampen (in samenwerking met CeGe Boek). 164 blz. f 27,50.

Zo’n andere gids wordt ons in dit boek aangeboden door een tiental auteurs: drs. R. ter Beek, drs. J. Bosch (van Deventer), drs. N. Dijkstra-Algra, prof. dr. K. Runia, ds. W. Smouter„ drs. J. Staat, ds. F.H. Veenhuizen, ds. C. van de Velde, dr. W. Verboom en dr. C. Vermeulen. Concreet en praktisch worden in een zestien hoofdstukken de zaken aan de orde gesteld en ingeleid die zinvol zijn voor consciëntieuze gemeenteopbouw. De meeste hoofdstukken eindigen met gespreksvragen, gesprekssuggesties of iets dergelijks voor gespreksgroepen en voor de kerkeraad. De schrijvers bedoelen een ‘werkboek’ voor de gemeente: ‘om er in een gespreksgroep mee bezig te zijn’. Maar ook voor de kerkeraden ‘om te gebruiken in hun program van gemeenteopbouw en voor het maken van een beleidsplan dat uitmondt in een werkplan’ (80). Het zou te veel ruimte vragen breed op deze toch wel ambitieuze en zwaarwichtige doelstelling in te gaan. Dat de confessie alsmede de eigen identiteit niet expliciet ter sprake komen, is in het kader van dit boek niet zozeer te verwachten. Het zal evenwel niet onmogelijk zijn om dat in eigen ‘beleidsplan’ of ‘werkplan’ te verdisconteren. Het zou irreëel zijn in de huidige kerksituatie die facetten van gemeenteopbouw te bagatelliseren en terzijde te stellen, ook al staan confessie en historie bij vele niet hoog genoteerd. Graag aanbevolen.

John Bunyan, Het water des levens. En wie dorst, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet Openbaringen 22:17. Vertaald door drs. G.W.L Verburg-Balke. Uitg. De Groot Goudriaan - Kampen. 72 blz. f 15,90.

In dit boekje, verschenen in de serie ‘Geschritten van Schotse en Engelse Puriteinen’, biedt de bekende Bunyan een ‘verklaring aan over het water des levens en de kracht daarvan’. Beginnend met een verklaring van Openb. 22:1 handelt hij achtereenvolgens over de omvang en overvloed, de oorsprong en bron, de aard en kwaliteit en de andere kwaliteiten van het water des levens om te eindigen met een ‘toepassing’.

Inderdaad, toepasselijke lectuur, geheel in de stijl van Bunyan. Enige informatie over dit werkje van Bunyan had m.i. niet mogen ontbreken.

Ds. A. van der Veer, Vul opnleuw mljn hart. Bijbels dagboek. 2e druk. Uitg. Kok Voorhoeve - Kampen. 78 blz. f 15,90.

Een bundel meditaties ter grootte van anderhalve bladzijde die in het EO-programmablad Visie werden gepubliceerd, waaronder twaalf over ‘Vragen aan Jezus’ en tien over ‘Kleine dingen’; de rest voert andere titels (bijv.: ‘Het verschil tussen H2O en water…’- het maakt verschil of een scheikundige z’n formule gebruikt of de zo juist genoemde Bunyan schrijft over water!). Ook al worden geen dagen of maanden genoemd, deze evenzeer naar eigen stijl geschreven meditaties laten zich als een ‘dagboek’ lezen, óók “toepasselijk” zij het in zegging anders dan Bunyans geschrift.

J. de Bruin e.a., Colijn. Bouwstenen voor een biografie. Uitg. Kok - Kampen 1994. 338 blz. f 39,50.

In September is het vijftig jaar geleden dat Colijn stiert. De Vrije Universiteit heeft door middel van een studiedag aan die herdenking en aan de figuur van Colijn zelf aandacht besteed. Dit boek is met het oog op die samenkomst geschreven. Het is geen biografie. Verschillende auteurs behandelen perioden en thema’s uit Coiijns leven, zoals zijn verblijf als beroepssoldaat in het voormalig Nederlands-lndië, zijn dienstverband bij de ‘Koninklijke’, zijn relatie tot de V.U. en tot Duitsland, evenals thema’s uit de politiek, vooral handel en economie.

Het is een prachtig boek geworden met heel wat - voor mij onbekende - informatie. Het boek heeft iets weg van een eerherstel van Colijn. leder die in Colijn is geïnteresseerd en in de periode waarin hij zich in de politiek bewoog, moet dit boek niet ongelezen laten.

S.W. Couwenberg (red.), Westerse cultuur: model voor de hele wereld? Uitg. Kok Agora (in samenwerking met Studiekring Civis Mundi, Rotterdam) - Kampen 1994. 144 blz. f 29,90.

Jaarlijks komt een boek als dit uit. De bedoeling ervan is een peiling te verrichten in onze cultuur. De titel bepaalt de vraagstelling van alle bijdragen. Centraal thema daarin is de modemiteit. Islam, Derde Wereld, mensenrechten, Azië, wereldsysteem zijn de invalshoeken om over modemiteit te schrijven. Het meest boeide mij de bijdrage van prof. Laeyendecker, over Problematische kanten van de modemiteit.

Annelies van Heyst, Marjet Derks (red.), Terra Incognita. Historisch onderzoek naar katholicisme en vrouwelijkheid. Uitg. Kok Agora - Kampen 1994. 209 blz. f 35,-.

De auteurs, allen vrouwen, onderzoeken de rol van vrouwen in het rooms-katholieke leven. Het gaat om figuren en bewegingen die voor ons minder bekend zijn. Het is wel boeiend te zien hoe vrouwen een belangrijke rol hebben gespeeld. Zij werden door leidinggevende figuren vaak naar achter gedrongen.

De schrijfsters proberen op een tamelijk evenwichtige wijze de bijdragen van de besproken vrouwen aan het rooms-katholieke leven te bepalen.

C.N. van Dis, W.G. Rietkerk en A.Th. Hegger, Eugen Drewermann. Psychologische bijbeluitleg. Amersfoortse studies nr. 16. 152 blz. f 10,-.

De drie schrijvers gaan in op de theologie, de exegese en de dieptepsychologie van Drewermann. Zij weten veel van zijn werk af en geven vanuit hun eigen discipline terecht kritiek. Voor een kritische kennismaking met de grondstellingen van Drewermanns psychologische theologie is dit geschrift een goed hulpmiddel. Drewermann is een zeer omstreden rooms-katholieke theoloog, die het evangelie uitlegt in het kader van de dieptepsychologie. Deze kritische inleiding is een goed hulpmiddel om Drewermanns introleer te verstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.