+ Meer informatie

De stee van Hendrik-Jan Wassink

"Ik kreeg de boerderij en moest vader aan 't end brengen, afgelopen"

6 minuten leestijd

Waar Brummen eindigt begint Cortenoever. En waar Cortenoever eindigt ligt het boerderijtje van HendrikJan Wassink. Redelijk bereikbaar, mits er niet te veel water door de IJssel wordt aangevoerd. Dan zit hij rondom in het nat. Niet dat hem dat hindert. Hij haalt de koeien en de paarden op stal en zoekt zijn plaatsje bij de kachel op. „Je moet alleen zorgen dat je voldoende hooi hebt voor de dieren. En voor jezelf wat in de diepvries, een klein beetje groente en aardappelen en ietsjes onder de kurk."

De waanzin van de twintigste eeuw heeft Cortenoever over het hoofd gezien. Vergeten Hgt de polder met z'n buitendijkse uiterwaarden in een bocht van de IJssel, ter hoogte van Brummen. Een onoplettende haas ontsnapt door een wanhoopssprong aan een confrontatie met m'n voorbumper. Op een versgeploegde akker stappen twee mannetjesfazanten deftig knikkend rond. Breed is de "Weg naar het Ganzenei" niet. Voor tegenliggers is geen ruimte. Ze zijn er ook niet. Wel zo nu en dan een verbaasd hinnikend paard, in het weiland naast de weg. „Doorrijden tot je denkt dat je fout zit, dan ben je er bijna", heeft een behulpzame Brummenaar me geadviseerd. De twijfel is me inderdaad tot de hppen gerezen als ik het rode pannendak zie van het bedoeninkje van Hendrik Jan Wassink, deels verscholen achter kreupelhout. In de hooischuur liggen balen stro, waarop kippen met pril kroost rondscharrelen. De overige schuren en schuurtjes dragen het stempel van de doe-hetzelver. Opgetrokken uit afvalhout en golfplaten. Op het erf staan antieke landbouwmachines.

Aangebrand
Als ik de auto al ver achter me heb, komt een Drentse patrijshond aangestormd. „Goed volk jongen, goed volk", lispel ik, en schuifel zo onopvallend mogelijk rond de boerderij. De deur is op slot, de gordijnen voor de slaapkamer zijn gesloten. Maar achter de muur klink hoopgevend gerommel, gevolgd door het knarsend geluid van een sleutel in een verroest slot. „Hier Hector", roept een stem. Het dier, dat me tot nu toe trouw heeft vergezeld, gehoorzaamt onmiddellijk. In de deur-1> opening staat de bewoner van de afgelegen stee. „Kom binnen", nodigt hij hartelijk en gaat me door het keukentje voor naar de woonkamer. Het gasstel is egaal zwart. Zo te zien resten aangebrande aardappel. Op het granieten aanrecht staan pannen met etensresten. In het woonkamertje ligt het stof millimeters dik op de meubels. Wassink heeft er geen last van. Als man alleen heeft hij weinig eisen. Onder de buitenkraan spoelt hij de prut uit de koffiepot, deponeert nieuwe koffie op de bodem en giet er kokend water op. „Laat het koffiedik maar zitten", raadt hij aan. „Dat is weer voor morgen." De koffiepot verwijnt in een theemuts op de oliekachel. Aardgas is in Cortenoever een onbetaalbare luxe. Riolering ook.

Keurig geregeld
Eerste Kerstdag 1925 kwam Hendrik-Jan in het boerderijtje ter wereld. De IJssel was weer eens buiten haar oevers getreden, zodat de stee omgeven was door een zee van water. Maar de borst van moeder was gevuld en meer had hij niet nodig. In de laatste oorlogsweken werden bij schermutselingen tussen Duitsers en Canadezen verschillende boerderijen in Cortenoever, waaronder "'t Hijendaal" van de familie Wassink, in puin geschoten. Acht jaar later werd de stee weer opgebouwd. Toen vader Wassink de tachtig gepasseerd was, nam Hendrik het spul van hem over. „M'n moeder was allang dood, m'n zuster was getrouwd, m'n broer was ook getrouwd. Het was allemaal keurig geregeld: Ik kreeg de boerderij en moest vader aan 't end brengen, afgelopen. Hij is 93 geworden. De laatste twee jaar ging het hier niet meer en heeft-ie in Zutphen op een verzorgingsflat gezeten, 'k Moest hem er 's middags heen brengen. Ik er 's avonds weer naartoe, 'k Had er wel een beetje pijn in de buik van. Maar 't eerste wat-ie zei was: 't is hier best, de koffie is al warm. Klaar was Kees. 't Is altijd een makkelijke man geweest. D'r heb nooit veel aan gehaperd."

Zeeuwse paarden
De grond was inmiddels door de adellijke familie Van Sytzama overgedaan aan Staatsbosbeheer. „Daar pachtte ik het van. Het kostte niet alles, dat mag je wel weten. Met de Van Sytzama's heb ik ook nog regelmatig contact. Reuze mensen. Als ze drie, vier mooie jachtdagen hadden gehad, was alles prima voor elkaar." Sinds twee jaar beurt Wassink aow en gaat hij als rustend landbouwer door het leven. Voor een appel en een ei mag hij een stuk weiland van Staatsbosbeheer gebruiken voor z'n twaalf vleeskoeien en vijf paarden: twee Gelderse tuigpaarden en drie Zeeuwse trekpaarden. Tot het laatst toe heeft hij met levende trekkers geboerd. Sinds hij de Zeeuwen heeft leren kennen, zijn de Gelderse paarden ver in zijn achting gedaald. „Met die Zeeuwen kun je lezen en schrijven", glundert hij, terwijl hij twee indrukwekkende knollen inspant. „Die linkse is Geurt en de rechtse Monique. Moet je toch 's kijken man, hoe rustig ze blijven staan. Je kunt er alles mee doen." Ten bewijs gaat hij klem achter Geurt staan en slaat het beest op het brede achterwerk. De hengst knippert zelfs niet met de ogen. Met één commando van Wassink komt het tweetal in beweging, naar het weilandje bij de appelbongerd achter de boerderij, om een kar op te halen.

Limonade
Nu de landarbeid is afgelopen, houdt de Brummense paardenliefliebber de dieren op alternatieve wijze bezig. Zo nu en dan doet hij een klusje voor Staatsbosbeheer. Als het aardig weer is maakt hij een ritje door Cortenoever. Of hij gaat met een boerenkar vol schooljeugd Brummen door. „Ik heb een juffrouw die me altijd opbelt als ze jarig is. Of ik een stukje met de klas wil rijden. Waarom niet? 'k Heb een boerenwagen waar er veertig op kunnen. Twee van die grote peerden ervoor en vooruit met het spul. Eerst naar de speeltuin. De juffrouw tussen de kinderen in, met een mand vol krentenboUetjes en een beetje limonade. Totdat de limonade op is. Dan is het feest gebeurd en gaan we weer terug." Behalve de grote wagen heeft de gepensioneerde landbouwer nog een vijftal kleinere boerenkarren, twee koetsen en een Oostenrijkse arreslee. Her en der gestald in gammele schuurtjes die hij in verloren uren in elkaar heeft getimmerd. Aan het onderhoud besteedt hij niet veel tijd. De karren zien er geteisterd uit. Een antieke ketting-eg ligt zwaar geschonden in het gras. Brandnetels hebben zich door de verrotte planken omhoog gewerkt. Wassink vindt het wel best. Hij heeft het ding niet meer nodig en het ligt niemand in de weg.

Onder de kurk
„'k Heb er nog wel eens over gedacht om te solliciteren bij de Koninklijke stallen, als koetsier", laat hij me in een vlaag van vertrouwelijkheid weten, „'k Heb 't toch maar niet gedaan. Ik ben bang dat m'n snuit daar wat uit de toon zou vallen. En ik wil hier eigenlijk niet weg. Zeg nou zelf, waar woon je mooier dan hier? Geen fabrieken, geen schoorstenen, alles puur natuur. M'n vader is hier 93 geworden tussen de paarden en ik hoop het ook te worden." Zoals het er nu uitziet, houdt hij dit voorjaar het land droog. Mocht de IJssel buiten z'n bevers treden, dan is het hem ook best. „Als de kachel maar brandt, afgelopen. Gewoon afwachten. De ene keer duurt het tien dagen, de andere keer veertien dagen. Je moet alleen zorgen dat je voldoende hooi hebt voor de dieren. En voor jezelf wat in de diepvries, een klein beetje groente en aardappelen en ietsjes onder de kurk. Dan lukt dat best, jong."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.