+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

45.

Toen nu de morgenstond daar was, wendde de Pelgrim de blik achterwaarts, niet uit begeerte om terug te keren, maar om bij het daglicht te zien aan welke gevaren hij in de duisternis had bloot gestaan. Hij zag nu duidelijk de afgrond aan de ene en het moeras aan de andere zijde van de weg, en hoe smal het pad was, waarover hij was gegaan. Ook zag hij de schrikkelijke gedaanten, de vurige draken der hel, maar alles heel in de verte, want toen de dag aanbrak kwamen zij niet dichterbij. Maar zij werden hem toch geopenbaard, overeenkomstig het woord der Schrift: „Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwen brengt hij voort in het licht”.

De Pelgrim keek om en de Heere Jezus zegt: „Niemand die zijn hand aan de ploeg slaaten ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods”. Wanneer de akkerman al ploegende omkijkt is het niet mogelijk om rechte voren te maken. Hij gaat scheef, slaat wat over, en wie dat doet in het geestelijk ploegen is niet bekwaam tot het Koninkrijk Gods.

Maar hier staat de zaak bij de Pelgrim geheel anders. AI zwoegende en ploegende in de Vallei keek hij niet om. Maar hij is veilig gekomen aan het einde van de vallei. En wanneer de ploeger aan het einde van de akker is gekomen, dan mag hij gerust even omkijken of zijn voor wel recht getogen is. Door het geloof heeft de Pelgrim een rechte gang gemaakt in de Vallei, en dat is hem een oorzaak van verwondering. Het was door de kracht van Christus, dat hij niet in de afgrond is gevallen en dat hij niet door een verkeerde stap in het moeras kwam.

Nu was de Pelgrim innerlijk ontroerd wegens zijn bevrijding uit al de gevaren van de zo moeilijke weg, hoewel de vrees nu geweken was, zag hij te duidelijker in het volle licht van de dag, hoe dreigend zij geweest waren. En op dit ogenblik rees de zon boven de kimmen, dat was voor hem opnieuw een blijk van genade. Want hoewel het eerste gedeelte van de Vallei der schaduw des doodsgevaarlijk was, toch was het andere gedeelte, dat hij nog moest doortrekken, indien mogelijk nog gevaarlijker. Van de plek waar hij nu stond tot aan het einde van de Vallei was de weg zo vol strikken, vallen, putten en kloven dat, zou het even donker geweest zijn als bij de aanvang en al had hij ook duizend levens te verliezen, er ware reden geweest voor de vrees die alle te zullen verliezen. Maar, zoals ik daareven zeide: juist toen ging de zon voor hem op. Toen zeide de Pelgrim: „Zijn lamp doet Hij schijnen boven mijn hoofd en bij Zijn licht doorwandel ik de duisternis”.

In dat licht bereikte hij nu het einde van de vallei.

Maar zo lang ge nog niet gekomen zijt aan het einde van de vallei, verkeert ge nog en zucht ge nog in de duisternis. Ge ziet geen lichtpunt, ge ontvangt geen troostwoord. Het is alsof de Heere u heeft vergeten. De vrees, dat Hij u heeft verlaten komt met steeds meer kracht op u aan. Niet één reiziger naar Sion heeft er aan gedacht in zulke verschrikkingen ooit te zullen komen. Nog nooit hebt ge het zo bang en zo benauwd op de wereld gehad als nu. Vermoeid en uitgeput vanwege het worstelen met de duisternis, komen vele verschrikkingen met des te meer kracht op u af. Ge kunt er niet tegen op. En toch kunt u het ook weer niet opgeven. Onder dat alles is er een zucht in uw hart naar de Heere, een verlangen naar Zijn hulp. Want de Heere heeft het beloofd, dat Hij het licht zal doen opgaan in de duisternis. Hij zal de vijand schelden. Hij zal u leiden op de voor u zo onbekende weg, op het pad waarvan ge geen wetenschap hebt gehad. Denk eens terug aan het smaken van Gods goedertierenheid. Door al uw leed en bange vrees kon dat toch niet uit uw geheugen gewist worden? Neem het dan ter harte dat het is door Gods goedertierenheid, dat wij niet vernield zijn.

Zeker, met een zoete verkwikking van Gods goedertierenheid is u nog niet gesteld vanuit de banden in de vrijheid, vanuit uw duisternis in het licht van Gods vriendelijk aangezicht, ’t Is volkomen waar. De Knecht des Heeren moet er aan te pas komen. Hij zegt: „De Heere Heere heeft Mij een tong der geleerden gegeven, opdat Ik wete met de moede een woord ter rechter tijd te spreken; Hij wekt alle morgen. Hij wekt Mij het oor, dat Ik hoor, gelijk die geleerd worden. De Heere Heere heeft Mij het oor geopend, en Ik ben niet wederspannig. Ik wijk niet achterwaarts”. Daar de Knecht des Heeren in de staat van Zijn vernedering naar Zijn God en Vader luisterde, was Hij als waarachtig mens nooit moedeloos en zo weet Hij met de moede een woord ter rechter tijd te spreken.

Hij spreekt vanuit Zijn smart tot ons om naar Hem te luisteren: „Ik geef Mijn rug degenen, die Mij slaan, en Mijn wangen degenen, die Mij het haar uitplukken. Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel. Want de Heere Heere helpt Mij, daarom word Ik niet te schande, daarom heb Ik Mijn aangezicht gesteld als een keisteen, want Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden”.

De Knecht des Heeren heeft de weg gebaand, en ook voor u gebaand, door de duisternis van haat en smaad heen, opdat ge in Zijn kracht Zijn voetstappen zoudt leren drukken. In Hem is de onuitputtelijke bron van moed en kracht. Hij spreekt tot u en met u vanuit de diepte van Zijn vernedering.

Daarop zag ik in mijn droom, dat bij de uitgang der vallei de grond bedekt was met bloed, as en beenderen van mensen, zelfs pelgrims, die in vroeger dagen langs diezelfde weg waren gegaan. Terwijl ik overdacht, wat de oorzaak kon geweest zijn van het geweld, dat hier gepleegd was, ontdekte ik op enige afstand een spelonk, waarin in vroeger tijd twee reuzen hun verblijf hielden. Paus en Heiden genaamd. Door hun geweld en hun dwingelandij waren de mensen, wier beenderen en overblijfselen daar verstrooid lagen, wreedaardig vermoord. Thans kon de Pelgrim ongehinderd deze plaats voorbij trekken en ik verbaasde mij daarover. Later is mij gebleken, dat dit geschiedde, omdat Heiden al sedert lang dood is. Wat de andere reus Paus betreft, al is hij nog in leven, dan is hij toch door ouderdom en ook door allerlei harde ervaringen uit vroeger tijd zo suf en zo stijf geworden, dat hij niet veel meer kan doen dan voor de ingang der spelonk zitten en de pelgrims aangrijnzen die voorbij komen, en zich op de nagels bijten van spijt, dat hij ze niet kan bereiken.

Zo zag ik dan de Pelgrim verder trekken, maar toen hij de oude man daar zag zitten voor de ingang der spelonk, wist hij niet wat hij daarvan moest denken, temeer toen deze, buiten zichzelf van nijdigheid omdat hij de Pelgrim niet kon bereiken, hem toeriep: „Gij zult niet veranderen, tenzij er nog meer van uw soort verbrand worden”. Maar de Pelgrim behield zijn kalmte en trok goedsmoeds voorbij, terwijl hem geen letsel hoegenaamd werd toegebracht. Nu hief de Pelgrim een lied aan, dat aldus luidde:


O wonder — ja, dat is ’t — dat ik.
Bewaard wierd in dit dal vol schrik.
Waar ’k door moest. Dat de hand, die mij
Er heeft bevrijd, gezegend zij!
’k Was in gevaar van hel en nacht,
Van zonde en van duivels macht!
Ja, strik en kuil en net en val.
Omringden mij daar overal.
Hoe licht ware ik, zo dwaas, onwaard.
Gevat, verstrikt, geploft ter aard’!
Maar Jezus redde mij het leven,
Hem zij de kroon der eer’ gegeven!


Opgekomen uit deze zware beproeving des geloofs heeft de Pelgrim wasdom gekregen in zijn geloofskennis en kinderlijk vertrouwen, wat hem met blijdschap deed verder reizen. Het moet ons duidelijk zijn, dat geloofs-oefeningen en beproevingen niet alleen nodig zijn tot zaligheid, maar ook tot wasdom van het geestelijk leven. En dat wordt in de weg der gehoorzaamheid verkregen.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.