+ Meer informatie

De Diaconie en de Armenwet

8 minuten leestijd

Motto: Ieder diaken behoort krachtig mede te werken om de diaconale hulpverleening op hooger plan te brengen.

DOOR JAC. PONSEN Secretaris van den Armenraad te Groningen.

Inleiding.

Het is voor den diaken van groot belang te weten volgens welke beginselen de sociale hulpverleening in ons land wordt uitgeoefend. Deze beginselen zijn neergelegd in de armenwet; wij spreken meestal van de nieuwe armenwet van 1912 in tegenstelling met de oude wet van 1854.

Met deze nieuwe armenwet is het armwezen in ons vaderland in een geheel nieuw stadium gekomen. Het zou ons te ver voeren de verschilpunten tusschen beide wetten te gaan opsommen, temeer, daar wij het in deze verhandeling hoofdzakelijk willen hebben over de verschillende wettelijke bepalingen, die voor de kerkelijke armenzorg van belang zijn en die onze diaconieën raken.

Onder de verschillende instellingen, die het gansche complex van het Maatschappelijk Steunwezen vormen, neemt de diaconie der Ned. Herv. Kerk wel een zeer aanzienlijke plaats in. Dat behoeft waarlijk geen nader beloog. Het is daarom toe te juichen, dat de wetgever zich op het standpunt gesteld heeft, het zelfstandig karakter der diaconie volkomen te eerbiedigen en haar zoo weinig mogelijk door bindende bepalingen belemmeringen in den weg te leggen. Trouwens in tegenstelling met andere wetten, bevat juist de armenwet maar heel weinig artikelen met dwingend gezag.

Beginselen.

Van de voornaamste beginselen, welke aan deze wet ten grondslag liggen en tot den opbouw daarvan hebben geleid, behooren wij in de eerste plaats te noemen de omstandigheid, dat de financiëele en maatschappelijke hulpverleening vóór alles toekomt aan de kerkelijke en de particuliere liefdadigheid en dat de burgerlijke armverzorging dan pas optreedt als de kerkelijke en particuliere tekort schieten. In verband hiermede laat de wetgever dan ook de kerkelijke armenzorg absoluut vrij in hare werkzaamheid en legt haar ook geen hinderpalen in den weg. Daarnevens wordt van haar verwacht, dat zij al het mogelijke zal doen om de arme en behoeftige leden der kerk te ondersteunen, helst geheel en al, zoodat de overheid geen aanvullingsondersteuning be hoeft te verleenen.

Het karakter der christelijke barmhartigheid onzer kerk is dan ook uitermate geschikt om de verzorging van hare verarmde broeders en zusters geheel op zich te nemen. Daarbij, wij ontveinzen het ons niet, zullen wel eens moeilijkheden rijzen in den vorm van uitgeputte kassen, waardoor de diaconale zorg haar taak niet naar behooren zal kunnen vervullen; desniettegenstaande verwacht de wetgever toch nièt, dat de kerk een beroep zal doen op hulp van overheidswege, maar dat zij veeleer „den vuurhaard van de echt menschelijke liefde warm houdt, die buiten dwang om spontaan, uit de hoogste en heiligste beginselen geelt en zich aan de armen wijdt.”

Een ander beginsel in de armenwet neergelegd is dat der samenwerking tusschen de verschillende instellingen van weldadigheid, die het maatschappelijk hulpbetoon in een gemeente dragen. Het orgaan dier samenwerking is het instituut van den armenraad.

Wettelijke bepalingen.

De diaconie valt onder de bepalingen der wel, omdat ze is een instelling van weldadigheid in den zin der wel; als zoodanig is zij geplaatst op de lijst van instellingen van weldadigheid bedoeld in artikel 3. Zulk een lijst moet in iedere gemeente van alle daarin gevestigde instellingen van weldadigheid door Burgemeester en Wethouders worden opgemaakt en bijgehouden naar de onder-scheidingen in artikel 2 vermeld. De plaatsing op deze lijst brengt volgens artikel 5 voor de diaconie mede de hoedanigheid van rechtspersoon, indien zij deze tenminste niet uit anderen hoofde bezit. Het vermeld zijn op deze lijst brengt nog eenige andere voordeelen mede. Zoo deelt de diaconie mee in de algemeene armengelden, dat zijn volgens artikel 16 gehlen, die moeten worden geacht bestemd te zijn ten behoeve van alle noodlijdenden; deze gelden worden naar een bepaald schema door den Armenraad of door Burgemeester en Wethouders verdeeld.

Overeenkomstig dit artikel, om slechts een enkel voorbeeld te noemen, heeft de Groningsche Diaconie, door bemiddeling van den armenraad aldaar, over een tijdvak van 20 jaar een bedrag van ruim ƒ 13.000.— in contanten ontvangen. Dit artikel is dus niet van geldelijk belang ontbloot.

Nog een ander voordeel is gelegen in het feit, dat de diaconie de bevoegdheid heeft, volgens artikel 42 een vertegenwoordiger en een plaatsvervangend vertegenwoordiger in den armenraad aan te wijzen.

Van deze bevoegdheid hebben de diaconieën in plaatsen, waar een Armenraad gevestigd is, steeds gebruik gemaakt, overtuigd als ze waren, dat medewerking aan het bevorderen der samenwerking op het gebied van het maatschappelijk steunwezen een eerste eisch is. En de Armenraden zelf kunnen getuigen, dat zij in de vertegenwoordigers der diaconieën, die meestal de functie vervulden van bestuurslid, ja zelfs van voorzitter en vice-voorzitter, zeer belangstellende leden hebben gevonden.

Er zijn echter ook eenige bindende bepalingen, en wel de artikelen 12 en 13.

In verband met de gewenschte samenwerking ten opzichte van de armenzorg rust, volgens artikel 12 op alle instellingen van weldadigheid, dus ook op de diaconieën, de verplichting aan den armenraad of aan Burgemeester en Wethouders op te geven of een arme, die elders ondersteuning heelt aangevraagd, ook door de diaconie wordt geholpen en zoo ja, in welken vorm en met welk bedrag.

Dit artikel heeft nog al wat voeten in de aarde gehad. T oen namelijk deze wet nog een ontwerp was, is er bij de regeering sterken aandrang uitgeoefend om de diaconieën te verplichten tot het doen van opgave van naam en bedrag der ondersteuning van al hare armen.

Het beginsel der kerk verbiedt echter de financieele moeilijkheden der behoeftige broeders en zusters aan derden mede te deelen, zoolang deze tenminste hun nooden zelf niet openbaar hebben gemaakt.

Uit het onderhavige artikel volgt natuurlijk ook, dat een diaconie bevoegd is om wederkeerig de bedoelde inlichtingen te vragen met betrekking tot behoeftigen, die door een burgerlijke of andere instelling ondersteund worden.

Ditzelfde artikel 12 heeft vooral in de grootere gemeenten al geleid tot een betere registratie en tot een betere organisatie van de diaconale hulpverleening.

In verband met het bepaalde in de Grondwet en met het door de Kroon jaarlijks aan de Staten-Generaal aan te bieden verslag van de verrichtingen aangaande het armbestuur, zijn volgens artikel 15 de besturen van alle instellingen van weldadigheid, dus ook onze diaconieën, verplicht, om aan den Armenraad ol Burgemeester en Wethouders, binnen een bepaalden termijn en naar een voorgeschreven indeeling opgaven in te zenden van het aantal bedeelden of verpleegden, van de inkomsten uit bezittingen, makingen, collecten, subsidies of andere vrijwillige bijdragen alsmede van de uitgaven voor onderstand van allerlei aard, voor beheer en voor andere doeleinden gedurende het laatst afgeloopen dienst- of kalenderjaar.

Het nut en de waarde van een goede statistiek van het armwezen zijn in den loop der jaren al meer en meer erkend.

Een zeer belangrijk artikel is het 31ste, waarin de samen werking geregeld wordt tusschen, in ons geval, de diaconie en de burgerlijke instelling. D it is het artikel, waarin de zoogenaamde „dubbele bedeeling” besproken worth, en waarin verder voorschriften worden gegeven om te streven naar samenwerking, het brengen van eenheid in de ondersteuning en in alles, wat met die ondersteuning samenhangt. Het bestuur der burgerlijke instelling is bevoegd er toe mede te werken, dat de ondersteuning uitgereikten het toezicht gehouden wordt door één instelling.

Dit artikel opent den weg tot grootsche daden. Aanvaardt de diaconie de „dubbele bedeeling”, d.w.z. laat ze hare behoeftige broeders en zusters mede ondersteunen door de overheid, dan verdient ze den naam van een bedeelingsinstituut voor de massa en wordt ze een verlengstuk van de openbare armenzorg. Ze staat dan haar eigen, voorname, zelfstandige plaats, welke ze zoo met eere inneemt onder de vereenigingen, die maatschappelijke hulp verleenen, af en spreekt het openlijk uit, dat ze geen prijs meer stelt op het onderscheid, dat gemaakt moet worden tusschen de diaconale zorg en den overheidssteun. Immers er is tusschen beide een karakteristiek verschil.

De kerk brengt offers; de christelijke handreiking is offergave, is afstaan van het zijne en dit karakter ontbreekt aan den overheidssteun. De diakenen deelen de offergaven uit. En juist deze offergaven zijn het, welke de diaconie haar roeping bewust doen worden. De diaconie heeft een eigen taak, de diaconie heeft een eigen arbeidsveld, de diaconie is een volkomen zelfstandige instelling. Van de diaconale zorg gaat bezieling, gaat idealisme uit, omdat die zorg gericht is op de meelevende ver armde broeders en zusters van hetzelfde kerkgenootschap. Daardoor gevoelt de diaken zich vrij en onaf hankelijk; hij durft zich te laten zien, durlt te vragen om nog meer, omdat de nood zoo groot is; zijn diaconaal bewustzijn groeit. Wat een perspectief zit er in deze wettelijke bepaling!!

Vervolgens is voor de diaconie ook van belang het hoofdstuk dat getiteld is „Van het verhaal”. De diaconie kan reeds verleende ondersteuning verhalen op den ondersteunde zelf, zoo hij tol teruggave in staat is, op de nalatenschap bij zijn overlijden en in de derde plaats op hen die, volgens het Burgerlijk Wetboek tot zijn onderhoud verplicht zijn. Een groep bepalingen wijst in deze materie den weg.

Slotopmerking.

Wij hebben in het vorenstaande, in het kort, eenige bepalingen en beginselen besproken, die van groot belang geacht moeten worden voor de diaconie en den diaken.

Duidelijk is gebleken, dat de wetgever de diaconale armenzorg als een zaak van groot belang heeft geacht. Nu mag dan ook de kerkelijke gemeente niet achter blijven. Zij moge haar roeping verstaan, dat een bloeiende kerk en een intens geloofsleven, een goed geleide diaconale armenzorg brengt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.