+ Meer informatie

Voor de jeugd

7 minuten leestijd

Beste Jongelui!

Het is voor de verzorger van deze rubriek niet altijd eenvoudig om op alle vragen die hem worden gesteld, een passend antwoord te geven. Want er zijn zoveel problemen waarover op zo heel verschillende manier gedacht wordt. Als men dan over een bepaalde zaak gaat schrijven, loopt men gevaar dat de één gaat zeggen: Daar ben ik het roerend mee eens, terwijl de ander zegt: Daar ben ik het helemaal niet mee eens. Een derde zoekt weer een tussenweg en is vóór noch tegen. Het komt hem allemaal als van ondergeschikt belang voor. Hij vindt het zonde van de tijd die er aan besteed wordt en van het papier dat er voor gebruikt wordt.

Waar ik het nu over hebben moet, dat is over het lange haar. En dan ditmaal niet over het haar van de meisjes of de vrouwen, waar in vroeger jaren al zo veel over te doen is geweest, maar over het haar van jongens en ook wel mannen.

Het is een bekend feit dat er tegenwoordig heel veel jongens zijn, die hun haren laten groeien. Laatst kwam ik bij de kapper die mij vertelde, dat er van de jeugd tussen de 15 en de 25 jaar bijna niemand meer in zijn zaak kwam.

De tijden veranderen en wij ook, zo wordt wel eens gezegd en tot op zekere hoogte moet dit worden toegegeven. Ik zeg: tot zekere hoogte, omdat de mens in zijn wezen altijd zichzelf gelijk blijft. Hij is een gevallen mens.

Ik heb de tijd gekend, dat het haar van de jongens of laat ik maar zeggen van de jongelui van het mannelijke geslacht, zo kort mogelijk werd geknipt. Men noemde dat millimeteren. Daar waren natuurlijk nog heel wat variaties op. Want als men klein was, dan werd men meestal zonder meer kaal geknipt. Dit was ook goed, in de strijd tegen het ongedierte, wat zich vroeger nog al eens op de hoofden van de jongelui bevond. Men kon ook een kuifje ‘laten staan wat heus niet onaardig stond. Werd men wat ouder dan liet men in het vrij kort gehouden haar een scheiding aanbrengen of het werd in zijn geheel achterovergekamd. Ook had men nog het zogenaamde brosmodel. Dat is een hoofd waarop alle haren als stekeltjes overeind stonden. Elk had ook toen zijn smaak. Schier niemand viel daarover. Alleen, wanneer je haren wat te lang begonnen te worden, en dat was dan nog zeer kort naar de begrippen van nu, vroeg men wel eens aan je, of je een kwartje moest hebben om naar de kapper te gaan, dan wel of men een kollekte voor je houden moest. De ouderen zullen deze dingen zich nog wel herinneren. Als je bij de kapper kwam, dan wist je voor een kwartje alles. Ook waren er kappers, die het in mijn jeugd nog goedkoper deden, b.v. voor twintig cent en dan kreeg je, als je roken mocht, nog een sigaar toe. Mocht je niet roken dan werd je met een rolletje pepermunt naar huis gestuurd.

Doch onze jonge mensen leven in een heel andere tijd. Een tijd waarin er een zeker wedijver is, om het haar zolang mogelijk te hebben en te houden. Dit probleem heeft in menig gezin al een bron van ellende gevormd. De jongelui moesten dan naar de kapper en dan het men het „stiekum” iedere keer een beetje langer knippen. Dat klinkt natuurlijk een beetje gek, maar jullie begrijpen wel, wat ik daarmee bedoel.

Nu kun je daar verschillend over oordelen. Waar liggen de grenzen?

Ik zal niet één jeugdige vriend veroordelen wanneer hij zijn haar niet laat millimeteren, zoals vroeger de gewoonte, „mode” was, als hij het haar keurig verzorgt. Ik geloof niet dat men dan in strijd handelt met het woord van God.

Doch het wordt anders wanneer het haar zo lang gehouden wordt, dat men op een vrouw gaat gelijken. Dan wil ik hier maar heel eenvoudig de schrift laten spreken. 1 Cor. 11, dat vroeger (waarom nu niet meer?) heel dikwijls aangehaald werd, omdat men daarmede de vrouwen wat te zeggen had, kan ook worden aangehaald omdat het de mannen wat te zeggen heeft. Paulus toch schrijft in 1 Cor. 11 : 14: „Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is, maar zo een vrouw lang haar draagt, dit haar ene eer is, omdat het lange haar haar voor een deksel gegeven is?” Ik zou zeggen, dit is toch duidelijk genoeg? Wat moet ik daar nu eigenlijk nog aan toevoegen?

Als onze jonge vrienden zich heel eenvoudig aan de H. Schrift houden, dan behoeven ze heus niet voor „gek” te lopen, zoals dat nogal eens gezegd wordt, en dan wordt daar in menige huiselijke kring een bron van ellende mee voorkomen. En wat nog meer zegt: Heel veel zonden worden er mee voorkomen. Want als de ouders zich boos maken terwijl de kinderen met hun wederstrevigheid daar de oorzaak van zijn, wie is er dan met de lange haren het meest gediend? Ik dacht dat een kind hier wel het antwoord op geven kon. De duivel, dit hebben wij al meer geschreven, is erg listig. Hij maakt overal gebruik van, zelfs van de haren, om twist en tweedracht te zaaien. Om jong en oud tegen elkaar op te zetten. Het is uiteindelijk allemaal een gevolg van het zich niet houden aan het Woord des Heeren, hetwelk een lamp is voor de voet en een licht op het pad.

Tendeze mocht jong en oud wel voor de aandacht hebben, wat er staat in Ps. 119 :4 -5: „Gij hebt geboden dat men Uw bevelen zeer bewaren zal. Och dat mijne wegen gericht werden om Uwe inzettingen te bewaren.”

Nu weet ik wel, dat als men verkeerd wil, men met jonge mensen vandaag de dag niet zo gauw klaar is. Want als men de Schrift laat spreken en men is een beetje bij de tijd, dan komt men met een werk van b.v. Vader Brakel, die zijn „Redelijke Godsdienst” heeft geschreven. Daar staat een foto van hem in, met zeer lange gekrulde haren. Zo is niet alleen vader Brakel afgebeeld, maar zo kan men van zovelen, die de naam van godzalig hebben gedragen en nog dragen, portretten laten zien, met lange haren, gepoederde pruiken enz.

Wanneer onze jonge mensen met dergelijke voorbeelden aankomen, kun je er natuurlijk je niet van af maken door te zeggen: Dat was toen zo, in die tijd. Want dat bevredigt niet. Want dan zeggen onze jonge mensen, logisch: We leven nu in deze tijd. We moeten nooit de tijd de stijl aan laten geven, daar waar het woord van God zich duidelijk uitspreekt. En dan zeg ik, zonder meer: Op dit punt waren onze „oudvaders” ook de plank mis. Eerlijk is eerlijk. Geen tweeërlei weegsteen, en geen tweeërlei efa. Want beiden zijn de Heere een gruwel.

Ik zou ten deze willen zeggen tot degenen, die de oudvaders gebruiken, om daarmede hun m.i.z. zondige praktijken goed te praten: Doe ten deze niet naar hun daden, wat de haren betreft, maar naar hun woorden en volgt hun geloof na. Hiermede zet ik achter deze „harengeschiedenis” maar een punt, in de hoop dat het voor deze of gene toch nog wat goeds tot inhoud heeft gehad.

Dezelfde schrijver over de „haren”, vroeg ook mijn oordeel over de T.V.

Ten deze zou ik hem willen verwijzen naar datgene wat anderhalf jaar geleden, daarover door mij geschreven is. Ik mag hem misschien er wel bij vertellen, gehoord te hebben van iemand, die van plan was om een T.V. te kopen. Doch hij kreeg, voordat hij daartoe overging, van bevriende zijde, ons blad te lezen, waarin dat artikel over de T.V. stond. Het had tot resultaat, dat hij er van af zag, om zo’n ding te kopen en abonné werd op ons blad. Dus, wie weet, waarde broeder, die al zoveel voor ons blad gedaan heeft, of het her-lezen niet tot gevolg heeft, dat er nog meer abonnees komen. We zijn over de gang van zaken wat ons blad betreft wel erg tevree, maar voldaan………? Aan u en alle andere lezers en lezeressen nu maar weer het woord. Ik bedoel: de daad! Elke abonné wint een abonné. Eén en één is twee. Twee en twee is vier. Vier en vier is acht enz. Daarin ligt ten slotte een deel van onze kracht.

Met hartelijke groeten jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.