+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

24

Scherp werd het optreden van Majoor Ongeloof tegenover de kapiteins van Koning El-Schaddai in het openbaar veroordeeld door de heer Verstand. Daar het de toekomst van de gehele stad gold mocht dat in geen geval bedekt blijven.

In de eerste plaats betrof dat zoals u weet zijn eigenmachtig optreden daar Mensziel in deze niet geraadpleegd werd, om haar des te dieper weg te drukken in de verschrikkelijke duisternis van Diabolus.

Ten tweede kwam de Majoor bedriegelijk als hij is, vredesvoorwaarden aan de kapiteins voor te stellen die zij geenszins konden inwilligen, tenzij zij tevreden zouden zijn zo El-Schaddai alleen Prins in naam werd. En Mensziel onderwijl het recht zou hebben in alle boosheid en ijdelheid voort te leven. Zodat metterdaad in werkelijkheid Diabolus koning zou blijven en de Ander alleen Koning in naam worden.

En ten derde, zo sprak de heer Verstand, „hebt gij nadat de kapiteins ons gehoord hadden op wat condities zij ons in genade wilden aannemen, gij zelf met uw ongezouten, goddeloze en ontijdige redenen alles weder vernietigd.” Het doet ons weldadig aan, dat de heer Verstand zonder schroom de goddeloze praktijk van de oude Majoor aan het licht kwam te brengen. Voor de stad is het een eerste vereiste te weten waar zij aan toe is met het geredeneer van Ongeloof.

Dit horende, riep Ongeloof luidkeels uit: „Verraad! verraad! Te wapen! Te wapen; gij allen die vertrouwde vrienden van Diabolus zijt in Mensziel.”

Daar de Majoor Ongeloof alles haat wat recht en redelijk is nam hij zijn toevlucht tot het leger van Diabolus. In de verdenkingen van het ongeloof ontmoet u altijd de bestrijdingen van Diabolus.

Waarop Verstand echter en terecht repliceerde: „Mijnheer, gij moogt mijn woorden niet zulk een zin geven, als ’t u blieft.” „Echter houd ik mij verzekerd, dat de kapiteins van zulk een hoge Heer als El-Schaddai een geheel andere behandeling verdienen. En niet wij maar gij zijt met uw dubbelhartigheid de oorzaak van het muiten in de stad tegen u.”

Daarop begon de oude Registreerder, de heer Consciëntie, te spreken, zeggende: „Mijnheer, gij behoeft dus niet te smalen op hetgeen mijnheer Verstand heeft gezegd. Het is blijkbaar dat hij de waarheid heeft gesproken en dat ge een vijand van Mensziel zijt. Wees derhalve overtuigd van de boosheid uwer stoute en vermetele taal en de droefheid die gij de kapiteins hebt aangedaan. Ja ook van de schade die gij daarmede aan Mensziel hebt berokkend. Hadt gij de voorwaarden niet afgewezen doch aan onze behandeling overgelaten, dan zou dat in het belang van Mensziel geweest zijn.”

Brutaalweg werd hierop door Ongeloof geantwoord: „Mijnheer, zo ik het leve, zal ik deze boodschap van u aan Diabolus doen en van hem zult ge wel een antwoord op uw woorden bekomen. Inmiddels zullen wij het goede voor de stad zoeken en u niet raad komen vragen.” En begrijpelijk, want Ongeloof heeft maar één raadsman en dat is Diabolus.

„Mijnheer,” zeide Verstand, „gij en uw Prins zijt beiden vreemdelingen in Mensziel en geen ingeborenen. En daarom wordt in deze situatie de stad door u in elk opzicht verwaarloosd. Als gij ons in grote zwarigheid en engte gebracht hebt dan neemt gij als het u te benauwd wordt de vlucht. Misschien zet ge ons dan wel in brand en loopt ge in de rook of bij het licht van de vlammen heen om ons aan de grootste ellende prijs te geven.”

Gehoord hebbende van deze oproerigheid kwamen de heren Wil, Vooroordeel en Kwaderust, benevens verscheidene nieuwgemaakte Raadsleden, schepenen van de muren en stadspoorten af om handelend op te treden. Maar daarop begon ieder zijn eigen taal te spreken zodat er niets met onderscheid gehoord kon worden. Maar eindelijk kreeg de oude vos Ongeloof met een zekere handigheid weer de aandacht en sprak: „Hier is een stel onrustige geesten die de stad in alle daden van rebellie tegen onze Prins ophitsen.” En met nog wat valse beschuldigingen wist hij de oproerige stad wel te stillen. Met het gevolg dat de heer Verstand en de heer Consciëntie als roervinken en leiders van deze zware oploop in Mensziel opgesloten werden, om zo mogelijk in de gevangenis tot bezinning te komen.

Het was niet mogelijk zich te ontworstelen aan het geweld van Majoor Ongeloof. Als het mogelijk geweest was had men de heren Verstand en Consciëntie wel zodanig met lamheid geslagen zodat hun stem die sprak ten gunste van de kapiteins van El-Schaddai nooit weer gehoord zou zijn geworden.

Nee, in geen geval, hoe goed ook bedoeld, met de hulp van al de redelijkheid door de heer Verstand naar voren gebracht en het pleiten van de heer Consciëntie voor het recht der zaak dat de stad een verbond zou sluiten met de kapiteins van El-Schaddai, was Mensziel niet te redden.

Met allerlei bedrieglijke redevoering kwamen de lieden van Diabolus’ partij zich met steeds meer besüstheid aan hem te verbinden. ’k Wou, zo sprak hij toen, „dat gij zo onwillig waart om mij te verlaten, als ik ben om u te verlaten.” En dat werd beaamd als zijnde in aller belang.

De kapiteins nochtans, wetende wat hun Koning wel kon doen, lieten zich daarom het hart niet ontvallen. Zij zonden derhalve een nadere sommatie, één die scherper en ernstiger was dan de naastvoorgaande. Maar hoe vaker die van Mensziel een aanmaning kregen om zich met El-Schaddai te laten verzoenen, hoe verder zij zich van Hem kwamen af te wenden.

„Maar gelijk zij henlieden riepen, alzo gingen zij van hun aangezicht weg.” Met een Goddelijke opdracht kwamen de profeten tot het afkerige volk tot Hem, weder te keren om te wandelen in Zijn wegen. Maar ach, hoe ernstig en welmenend de lokstem ook was, het volk weigerde er gehoor aan te geven. Het week zelfs steeds verder van de Heere af om het de profeten te betuigen dat werk niet langer voort te zetten.

Het redelijk denken van het verstand en het richter lijk optreden van de consciëntie werd in Mensziel niet meer gehoord daar de heren Verstand en Consciëntie moesten zwijgen in de gevangenis. Met al de zorg en liefde door de kapiteins aan de stad besteed is ’t niet beter maar veel erger geworden. ’t Is alsof de stad zo maar onder zal gaan in het oordeel der verharding. En dat was de echte kapiteins van het leger een oorzaak van smart. Het is geen geringe zaak, maar het ergste dat te bedenken is onder al die bearbeiding te sterven in de greep van Diabolus, om eeuwig gepijnigd te worden door de worm die niet sterft. Daarover werd door de kapiteins ernstig nagedacht ten einde te weten wat hun nog te doen stond tot behoud van de eens zo schone stad Mensziel.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.