+ Meer informatie

EEN DIAGNOSE

22 minuten leestijd

Inleiding

Wij zijn vandaag als chr.geref. ambtsdragers onder zorgelijke omstandigheden bijeen. Dat blijkt uit het feit dat het comité dat deze conferentie organiseert twee broeders heeft uitgenodigd om resp. een diagnose te geven van wat er met de CGK aan de hand is, en een therapie tegen de geconstateerde kwaal aan te dragen. Dat betekent dat wij met z’n allen vandaag als het ware in de spreekkamer van de dokter zitten en dat het niet de vraag is of er iets aan de hand is, maar dat we er van uit gaan dat er iets aan de hand is. Misschien reageert u nu al: daar hoef je geen dokter voor te zijn. Je kunt er je ogen voor sluiten en krampachtig blijven wijzen op goede dingen, die er gelukkig ook nog zijn. Maar anders: denkt u maar aan de manier waarop onze kerken in het nieuws komen door verdrietige plaatselijke ontwikkelingen. U als ambtsdragers weet op hoeveel clas-sistafels moeiten en zorgen van gemeenten worden gedeponeerd, omdat men er plaatselijk niet meer uit komt. En hoeveel gemeenten zijn er, die hun problemen nog binnenskamers kunnen houden, terwijl tegelijk duidelijk is dat het niet echt goed gaat. Er ligt een matheid over de prediking van de dienaar des Woords. Het wordt steeds moeilijker om de vacatures voor ouderling en diaken op te vullen. De kerkgang loopt terug, zeker in de tweede dienst. Jongeren haken af en werfkracht naar buiten is er niet of nauwelijks.

Toch, wanneer wij vandaag rondom het aangegeven thema bijeen zijn in de spreekkamer van de dokter—biddend om de presentie van de grote Heelmeester -, gaat het blijkens de uitnodiging tot deze conferentie niet allereerst om de genoemde symptomen, hoe ernstig ook, maar om de vraag: wat zit hier achter; wat zijn de oorzaken? Het comité spreekt immers over “de verdeeldheid die onze kerken kenmerkt”—dat is geen kenmerk van de ware kerk. We lezen van de noodzaak om orde op zaken te stellen en van de tijd die dringt, mede met het oog op de contacten die wij als CGK hebben met andere kerken. Er valt een woord als “desintegratie”, dat doet denken aan verval en uiteenvallen. We worden geroepen tot hernieuwde bezinning op ons geestelijke gedachtegoed. De vraag klinkt, waaraan in onze kerken de prediking herkenbaar is als samenbindend element.

Het comité stelt deze zaken in nauwe aansluiting aan het onderdeel “kerkelijke ‘eigenheid’ en de roeping tot eenheid” van het rapport van deputaten eenheid, dat diende op de GS van Leeuwarden/Nunspeet 2001, welke synode dit onderdeel bij de kerken aanbeval als een waardevolle handleiding bij het gesprek over eenheid, ook in eigen kerkverband. Tot dat gesprek zijn wij vandaag bijeen en het is mijn opdracht om ter inleiding een diagnose te stellen: wat is er aan de hand?

Leidraad voor de diagnose

Het stellen van een diagnose kan op zichzelf allerlei problemen meebrengen; u weet dat wellicht van een bezoek bij uw arts. Eigenlijk is een diagnose alleen plezierig, wanneer na grondig onderzoek kan worden vastgesteld dat de patiënt gezond is. Pijnlijk is het wanneer de uitslag is dat de patient ongeneeslijk ziek is. Je voelt je genomen, wanneer een dokter in zijn spreekkamer even met u praat en dan zonder onderzoek meent te kunnen constateren dat er niets aan de hand is. En onbevredigend is het, wanneer onderzoek niets oplevert, terwijl de patient voelt dat er iets niet in orde is.

Daarom is het van belang goed af te spreken op welke punten het onderzoek dat tot de diagnose moet leiden, zich zal richten. Het genoemde onderdeel van het rapport van deputaten Eenheid kan ons daarbij goede diensten bewijzen. Een paar zaken wil ik eruit lichten.

Allereerst stellen deputaten terecht dat de grondslag voor de eenheid nergens anders gelegen is dan in Schrift en belijdenis. Dat houdt in een kerkelijk leven in gehoorzaamheid aan de Here, met het oog gericht op de Here Jezus Christus, het enige Hoofd van de kerk.

Wanneer we vanuit deze principiële grondslag vervolgens in de lijn van deputaten en synode proberen ons onderzoek op een paar punten toe te spitsen, wil ik drie vragen stellen:

1. wat leren we?

2. wat geloven we?

3. wat preken we?

1. Wat leren we?

Anders gezegd: hoe is het onder ons gesteld met de kennis van Gods Woord en van wat ik maar aanduid als de objectieve geloofswaarheden? Natuurlijk, ik zal de eerste zijn om toe te geven dat het niet voldoende is om parate bijbelkennis te hebben en een aantal woorden uit de belijdenissen van de kerk uit het hoofd te kennen. Maar is het misplaatst wanneer de waarschuwing van Hosea (4: 6) in onze tijd klinkt: “Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is”? ledere ambtsdrager die met het pastoraat aan dementerende broeders en zusters te maken heeft, weet hoe belangrijk het is, wanneer deze ouderen in hun jeugd de Psalmen uit hun hoofd hebben geleerd. Hoevelen zijn er niet, met wie die bekende psalmverzen, gezongen of geciteerd, de enige vorm van communicatie vormen, wezenlijke communicatie zoals duidelijk merkbaar is, ook al zijn ze vijf minuten later je bezoek al weer vergeten? Realiseren wij ons wel eens, dat deze vorm van geestelijk gesprek al in de kinderjaren moet worden voorbereid en is het één van de zaken die onze aandacht hebben wanneer we als ambtsdrager vragen naar het onderwijs dat de kinderen van de gemeente ontvangen?

Hebben wij zelf een fonds aan parate kennis? Niet alleen van Psalmen, maar ook van de leer? Wij willen dat onze belijdeniscatechisanten de centrale antwoorden van de Catechismus uit hun hoofd leren. Kennen wij als ambtsdrager die kern van het christelijk belijden: “Wat is uw enige troost?” “Wat is een waar geloof?” “Hoe bent u rechtvaardig voor God?” Een ander voorbeeld. Onlangs stond in de Wekker het verhaal van ds. Vogel uit Middelburg, die een paar weken college heeft gegeven aan een seminarie in India en onmiddellijk bij aankomst gecontroleerd werd op zijn confessionele betrouwbaarheid. Men vroeg hem naar de vijf punten waar het in de Dordtse Leerregels om gaat. Dat is een vraag die iedere ambtsdrager naar mijn overtuiging onmiddellijk moet kunnen beantwoorden, zeker in onze tijd met zijn evangelische beïnvloeding. Zou iedere ambtsdrager die toets aandurven? En om nog maar een greep te doen: weten we waar en hoe onze belijdenis spreekt over uitverkiezing en voorzienigheid, over de namen, de ambten, de naturen en de staten van Christus, over de Heilige Geest en zijn werk?

Oudere predikanten weten nog van ouderlingen die tot grote zegen waren voor gemeente en dienaar, omdat ze thuis waren in werken als de Institutie van Calvijn en de Redelijke Godsdienst van Brakel. Ruim een halve eeuw geleden verkondigde een predikant in onze kerken in een preek een heel wonderlijke opvatting over het geloof. Na de dienst zei een ouderling, een heel eenvoudige boerenman:“Ds, zo leren de oudvaders het niet; zo leert Calvijn het niet, zo leert de belijdenis het niet, en vooral zo leert Gods Woord het niet! U wilt wat u gezegd hebt vanmiddag wel herroepen?” Zou dat vandaag nog zo kunnen gebeuren? Is niet één van de problemen in onze kerken het gebrek aan kennis, met als gevolg daarvan een gebrek aan onderscheidingsvermogen en een openstaan voor allerlei wind van leer, in ieder geval voor verwatering en vervlakking?

Ik ben van mening dat wij de gevaren die ons op dit punt bedreigen, niet moeten onderschatten. Wij leven als CGK niet meer op een eiland, als dat ooit al het geval is geweest. Hoe oud is de uitdrukking: “Als het regent in de Geref. kerken, dan druppelt het in de CGK”? Ook onder ons zijn er leden die moeite hebben met de bijbelse leer van de verzoening door voldoening. Hoeveel catecheten stuiten niet op het feit dat catechisanten zo beïnvloed zijn door gedachten uit de evangelische wereld, dat ze hun schouders ophalen over wat de confessie leert ten aanzien van de verzoening en van de totale verdorvenheid van de mens? Ze zijn al doordrenkt door de leer van de algemene verzoening en de gedachte dat een mens een vrije wil heeft om het goede te kiezen. Zijn er onder ons geen ambtsdragers, die menen dat het te verenigen is met het gereformeerde karakter van de kerk wanneer er ruimte wordt geboden voor de volwassendoop in plaats van de kinderdoop en daarmee laten merken dat ze geen zicht meer hebben op een zo centrale notie als het genadeverbond? En hoeveel ouderen en jongeren komt u tegen in uw gemeente, die zo geïnfecteerd zijn door het denken van onze multiculturele en multireligieuze samenleving, dat ze van gedachte zijn dat we toch allemaal één God dienen, in welke vorm en onder welke naam dan ook?” Natuurlijk is er wel verschil, zeggen sommigen, maarten diepste….” En ze zeggen:“Dat gelooft u toch ook!?”

Dat brengt me bij het tweede punt.

2. Wat geloven we?

Onder dit kopje wil ik beginnen ons als CGK-leden aan anderen te spiegelen. Meestal spiegelt men zich dan zacht, zoals het spreekwoord zegt. Of dat nu ook het geval zal zijn, staat nog te bezien. Die anderen, daarmee bedoel ik de gereformeerden zoals ze ons getekend worden door Agnes Amelink in haar boek, dat die naam draagt: “De gereformeerden”. In een boeiende verhaaltrant laat zij de ontwikkeling zien van de gereformeerden, waarmee ze vooral de GKN bedoelt, maar niet alleen hen. Op een indringende manier zijn we getuige van de geestelijke veranderingen in het denkklimaat van een familie binnen een eeuw: een grootmoeder die de Here echt vreest en weet heeft van de worsteling om te komen tot de zekerheid van het geloof en een nageslacht dat daarvan vervreemd is, met daartussenin een generatie die een geloof overdroeg zonder inhoud, de generatie van “het lege testament” zoals Piet van de Ploeg het raak typeerde. Amelink schrijft in het laatste hoofdstuk: “Voorgoed is veranderd de plaats van de bijbel in het leven van elke dag. De bijbelkennis is geweldig teruggelopen...Ook de plek die de Psalmen in de geloofsbeleving innamen, komt niet meer terug.” Meer nog dan het boek van Geert Mak: “De eeuw van mijn vader”, heeft mij dit boek beziggehouden. Het gaat dan ook dieper, is ontdekkender. Het is een spiegel. Is het zo erg bij ons? Nee, tenminste niet in die mate, maar toch..!

Hoe is het onder ons als het gaat om het geloven met het hart wat wij belijden met de mond? Wat is de oorzaak wanneer ambtsdragers het niet nodig vinden om zondags tweemaal naar de kerk te gaan? Ik hoorde dat ooit eens aanduiden als ‘een andere vorm van geloofsbeleving’, maar is het niet veeleer een bewijs van verwatering en vervlakking? Het lijkt me in ieder geval voor jongeren in de gemeente een merkwaardig verschijnsel: een broeder in de kerkenraadsbank, die zingt: “Hoe lief heb ik Uw woning”, terwijl die jongere weet: vanmiddag zijn er kennelijk dingen die hij liever doet.

Misschien komt het hierboven genoemde (nog) slechts incidenteel voor. Daarom haast ik me om ook op dit punt wat dieper af te steken. Wij staan als ambtsdragers in dienst van de Here. Allemaal hebben wij—de één met schroom, de ander met wat meer vrijmoedigheid—‘ja’ gezegd op de vraag of wij in ons hart gevoelen dat we door de gemeente “en mitsdien van God zelf, tot deze heilige dienst beroepen zijn”. Dat heeft als het goed is een diepe en blijvende indruk op ons gemaakt: de Here, die voor deze heilige dienst gebruik wil maken van mensjes uit het stof verrezen (Calvijn). Hij is immers de Here, de Heilige, de gans Andere, die te rein van ogen is dan dat Hij de zonde zou kunnen verdragen. En wij zijn zondaren. Hij is de grote, almachtige God, bij wie vergeleken wij mensen zijn als een druppel aan een emmer en een stofje aan een weegschaal.

Wat luistert het nauw in de dienst van deze God! De zonen van Aäron hebben het gemerkt, toen ze vreemd vuur op het altaar in het heiligdom brachten (Lev. 10). Mozes en Aäron hebben het gemerkt, toen Mozes sloeg op de rots terwijl de Here had geboden tot die rots te spreken. “Gij hebt Mij niet geheiligd”, sprak de Here (Num. 20). Ze lieten op dat moment niet zien wie de Here is; het ergste waarvan een ambtsdrager beschuldigd kan worden. Uzza merkte het toen hij—met de beste bedoelingen waarschijnlijk—de Ark des Heren aanraakte (2 Sam. 6). En Jesaja roept het uit wanneer hij in zijn roepingsvisioen de Here ziet: “Wee mij want ik verga, omdat ik een man van onreine lippen ben en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is” (Jes. 6).

Zijn wij ons ervan bewust hoe nauw het luistert? Blijkt in onze ambtelijke dienst het besef van de heiligheid des Heren en vervult ons dat met een diepe eerbied en ontzag? Is die eerbied niet een wezenlijk onderdeel van de vreze des Heren, die juist een ambtsdrager moet sieren omdat zij het beginsel der wijsheid is. Weten wij nog wat het is te beven voor het Woord van de Here, zodat wij in kinderlijke aanhankelijkheid en afhankelijkheid vragen: “Wat wilt Gij dat ik doen zal?”

Uit de voorbeelden die ik noemde blijkt, dat wij in de ontmoeting met deze Here ook leren wie wij zelf zijn en wat zonde is. En ook dat wordt merkbaar in het leven van een ambtsdrager. Terwijl we enerzijds naast een zondaar in de gemeente gaan staan, omdat we leren instemmen met Paulus, die zichzelf de grootste zondaar noemde, kennen we ook iets van de ernst van de zonde en de droefheid over de zonde. We hebben immers ontdekt dat zonde zonde is tegen God: “Tegen U, U alleen heb ik gezondigd”. Zou dat niet merkbaar worden in de manier waarop we met zonden in de gemeente omgaan en zondaren tegemoet treden? Er is verdriet over de zonde, bewogenheid vanuit de wetenschap van de schrik des Heren, terwijl we tegelijkertijd onmogelijk goed kunnen praten wat de Here zonde noemt. Misschien mag ik in dit verband deze vraag stellen: weten wij nog het verschil tussen de barmhartigheid van de goddeloze, die wreed is, en de barmhartigheid van de Here die roemt tegen een welverdiend oordeel?

Nog iets. Ambtsdragers zijn ambassadeurs, gezanten van Christus’ wege. Jezus zegt: “Wie u ontvangt, ontvangt Mij”. Dat betekent op zijn minst, dat wij de Here persoonlijk moeten kennen. Hoe zouden wij anders mensen tot Hem kunnen leiden? Wij zijn dan blinde leidslieden, die blinden leiden en samen in de gracht vallen. U merkt aan een door de Here geroepen ambtsdrager, dat hij weet Wie hem gezonden heeft, ook al is die kennis soms nog heel beperkt. Denkt u maar aan Andreas van wie we lezen: “Hij leidde hem tot Jezus” (Joh.1). Maar vanaf het eerste begin gaat het altijd weer om Jezus, opdat zondaren Hem leren kennen en hoe langer hoe meer alles in Hem leren vinden.

Het kan strelend zijn voor ons vlees, wanneer men ons degelijk en ernstig vindt of juist vlot en eigentijds. Maar een ambtdrager is iemand van wie de gemeente merkt: Hij heeft de Here Jezus lief en om Zijnentwil heeft hij hart voor de schapen en liefde tot de gemeente. Geldt dat van ons? Vindt u het goed wanneer we die vraag vandaag aan elkaar stellen? Het is niet zo vreemd, dat de preses van de laatste GS aan de synodeleden (!) vroeg: “Kent u de enige troost?” Daar komt het op aan en dat is allerminst vanzelfsprekend. Niet voor niets noemt het bevestigingsformulier voor de dienaren des Woords die twee dingen in één adem: “Heb Christus lief en weid Zijn schapen”. Dan kan het alleen. En die liefde tot Christus wordt daar geboren waar ik als zondaar het grote wonder ontdek: Hij heeft mij eerst liefgehad. En dat leer ik ten diepste slechts daar, waar Hij Zichzelf aan mij bekend maakt als Borg en Zaligmaker: “Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven”.

Dan merkt de gemeente, dan merken ook jongeren: die broeder heeft de Here Jezus lief. Hij weet over wie hij spreekt en hij wil die kennis zo graag delen. Broeders, verlangen wij er naar om vriend van de Bruidegom te zijn, opdat Hij groot worde? Is er bij ons iets van de bruid, die een ander nieuwsgierig maakt en heilig jaloers door het schoonste lied van haar Koning te zingen: “Zulk Eén is mijn Liefste; al wat aan Hem is, is gans begeerlijk”? Als ik daar nog een vraag aan mag toevoegen: komt u nog toe aan het zich ‘oefenen in de verborgenheden van het geloof’? Kunt u vanuit wat u zelf leert geestelijke leiding geven aan ouderen en jongeren? Ligt het niet aan ons wanneer een huisbezoek blijft steken in een gesprek over koetjes en kalfjes?

Mag ik ter afsluiting van dit onderdeel één voorbeeld noemen, dat mijn zorgen op dit punt voor mijn besef onderstreept? In deze laatste maanden heb ik van verschillende kanten de klacht gehoord, dat gemeenten nauwelijks meer lijdenspreken zouden horen. Die klacht kwam van teveel kanten om aan een incident te denken. Ik hoorde hem trouwens ook uit andere kerken. Wat zit hier achter? Het gaat immers in de lijdensweken om het hart van het Evangelie: Jezus Christus en die gekruisigd. Wordt de gemeente dan wel voldoende gewezen: “Zie, het Lam Gods”? En als het zicht hierop ontbreekt, lopen wij dan niet het gevaar dat we terecht komen in de situatie van Laodicea: de gemeente die alles had en waar het aan niets ontbrak, maar Jezus stond buiten de deur en ze hadden het niet eens in de gaten. Dan kunnen we rechtzinnig zijn, maar we hebben de eerste liefde verlaten en lopen het dodelijke gevaar dat de kandelaar wordt weggenomen. Dan kunnen we veel leven maken en kan het heel gezellig zijn, maar dan zijn we dood. De zeven brieven aan de gemeenten in Klein-Azië spreken duidelijke taal. Wij menen toch niet dat wij daarboven staan?

3. Wat preken we?

De vraag die in de aankondiging van deze conferentie in verband met de prediking gesteld wordt, luidt: “Waaraan is in onze kerken de prediking herkenbaar als samenbindend element?”

Deputaten eenheid besteden in hun rapport aan de prediking uitgebreid aandacht. Omdat het rapport nog niet beschikbaar is, begin ik met een uitgebreid citaat uit het rapport aan de generale synode:

“2.3.2.3. De prediking

Het ‘eigene’ van de CGK ligt wel het meest in de prediking. Niet dat ooit iets exclusiefs werd beoogd. Het ging en gaat daarbij om wezenlijke elementen uit de gereformeerde Reformatie, waarbij in de lijn van de Afscheiding ook de invloed van de Nadere Reformatie een rol speelde. Dat de CG prediking iets eigens kreeg, heeft te maken met de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken. Daar zette een neo-calvinistische verbondsbeschouwing een stempel op de prediking, waarbij opnieuw op het spel stond wat juist in de kerk van de Afscheiding weer teruggekregen was.

De elementen die daarbij een rol speelden zijn tot de dag van vandaag waard te noemen en te bewaren. Daarbij gaat het om de visie op de gemeente als verbondsgemeente, ook van belang voor het pastoraat en voor de onderlinge communicatie over het geestelijk leven, ja voor de totale functionering van de gemeente.

Men zou kunnen zeggen—het gaat daarbij om die zaken die in recente jaren relevant bleken in de discussies met NGK en GKV over de toe-eigening van het heil. Met name in de overeenstemming met de GKV over een aantal zaken is terug te vinden wat inhoudelijk van belang is: de visie op het beloftekarakter van het genadeverbond, uitkomend in de wijze waarop over verbond en verkiezing wordt gesproken en over tweeërlei kinderen des verbonds, en waarop dus de gemeente wordt beschouwd, en het werk van de Heilige Geest wordt benadrukt—met aandacht voor de verhouding tussen Woord en Geest. Ook de aandacht voor de bevinding in het geestelijk leven hoort hierbij. In de Acta van vrijwel alle generale synoden van de laatste decennia zijn de zaken die hierbij in het geding zijn terug te vinden, met name in de behandeling van de rapporten van deputa-ten voor de eenheid van gereformeerde belijders.

Na de recente overeenstemming op een aantal essentiële punten die met de prediking te maken hebben tussen CGK en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) is de opmerking gemaakt, dat het niet slechts zaak is deze erfenis aan anderen voor te houden, maar dat het van wezenlijk belang is ook in de eigen kerken over het fundamentele belang van deze persoonlijke prediking te waken.”

Even verderop schrijven deputaten nog iets dat van belang is met het oog op ons onderwerp: (2.3.3.1): “De zaken waarin het aankomt op het recht doen aan het Woord in overeenstemming met de belijdenis—die een uiting is van de gemeenschappelijke onderworpenheid aan de Schriften—zullen we moeten en willen bewaren. Daar ging het om bij de zaken van de toe-eigening des heils. Van de prediking mag geëist worden, dat die daar recht aan doet.”

De synodale commissie die de bespreking van dit rapport op de synode voorbereidde, spreekt van een waardevolle bezinning en zegt: “Terecht wordt gesteld dat het ‘eigene’ van de CGK wel het meest ligt in de prediking en dat het daarbij gaat om wezenlijke elementen uit de gereformeerde Reformatie (en in de lijn van de Afscheiding ook de invloed van de Nadere Reformatie), die bewaard dienen te worden. Wel tekent de commissie daar bij aan: “Had ook niet meer aan de orde moeten komen dat de verschillen ten aanzien van de prediking binnen eigen kerkelijke leven soms ook de functionering van confessionele beginselen raakt en daarom wel van groot gewicht zijn?”

Wanneer wij op ons laten inwerken wat hier gezegd wordt ten aanzien van de prediking als het ‘eigene’ van de CGK en behorend tot de normatieve identiteit van de kerken, en dat van de prediking geëist mag worden dat deze aan de genoemde zaken recht doet; als wij daarbij voegen de opmerking van de synodale commissie ten aanzien van verschillen die de functionering van confessionele beginselen raken, dan zal duidelijk zijn dat hier een belangrijk aandachtspunt ligt voor ons als ambtsdragers. In het bijzonder van de ouderlingen wordt immers gezegd, dat zij ‘inzonderheid ook mede toezicht nemen op de lering van de dienaren des Woords’, waar in ieder geval ook de prediking onder valt. Dat hebben de ouderlingen o.a. te doen als degenen die naar het NT -isch woord hebben te waken over de zielen, die aan hun ambtelijke zorg zijn toevertrouwd. Ik ga er van uit dat wij allen die verantwoordelijkheid voelen. Dat betekent dat wij steeds weer de vraag stellen: wordt onze gemeente gevoed met en gebouwd op het Woord; krijgt zij goede geestelijke leiding vanuit het Woord; worden gemeenteleden eerlijk behandeld; worden ze niet afgehouden van de grote Herder der schapen, maar ook niet misleid met het oog op de eeuwigheid; worden zij vermaand en vertroost naar het Woord?

Juist op dit punt zullen wij eens rekenschap moeten afleggen.

Op dit punt zijn er vragen te stellen en zijn er zorgen. Het waren mijns inziens geen lichtvaardige kreten, toen in het voorgesprek voor deze conferentie woorden klonken als vervlakking, versimpeling en verwatering in de prediking. Publiekelijk klinken ook onder ons stemmen die zeggen dat de prediking naar Schrift en belijdenis het niet meer doet. Alsof het woord dat het Gode behaagd heeft door de dwaasheid van de prediking zalig te maken, niet meer zou gelden in de 21 -ste eeuw. Ook onder ons wordt soms publiekelijk gesuggereerd dat het in de zaken die wij aanduiden met de term ‘ toe-eigening van het heil’zou gaan om bijzaken, die niet bepalend zijn voor de eenheid van de kerk.

Te vaak klinken opmerkingen als: “dat horen wij bijna niet meer”, wanneer een prediker vanuit het Woord een persoonlijke toespitsing maakt. Te vaak klinken klachten over een prediking waarin niet meer gesproken wordt over de noodzaak van de wedergeboorte en niet meer wordt opgeroepen tot waarachtige bekering, en waarin het lijkt alsof de verbondsgemeente een gemeente van alleen maar gelovigen is, zodat het onderscheidende element gevoeglijk kan ontbreken. Te vaak wordt het bevindelijke element gemist, niet alleen in progressieve, maar ook in wat wij behoudende gemeenten noemen, als daar misschien wel vertrouwde termen en klanken te horen zijn, maar het werk van de Geest teveel ontbreekt in de prediking.

Letten wij daarop? Toetsen wij de prediking aan Schrift en belijdenis, en toetsen we niet alleen wat we horen, maar letten we ook op wat gemist wordt? Beseffen wij onze verantwoordelijkheid ten aanzien van alle voorgangers, maar inzonderheid ook van studenten, die in onze gemeente voorgaan om door de oefening te leren? Blijven reacties niet al te vaak beperkt tot opmerkingen over de voordracht e.d.?

Dit laatste onderdeel is in zoverre het belangrijkste, dat in de prediking uitkomt wat wij geloven en belijden. Deputaten noemen enkele onopgeefbare zaken: de visie op het belofte-karakter van het genadeverbond en de gemeentebeschouwing die daarmee verbonden is; aandacht voor de bijzondere Geesteswerking met het Woord en de bevinding als een wezenlijk onderdeel van de prediking. U mag dat van mij schriftuurlijk- confessionele prediking noemen, een term die in onze kerken al jaren gebruikt wordt. U mag dat met wijlen prof. W. Kremer aandacht voor de ‘geestelijke leiding in de prediking’ noemen. Maar hoe u het noemt, ten diepste zullen wij het over deze zaken eens moeten zijn, bij alle verscheidenheid die er in onze kerken altijd is geweest, zal het proces van desintegratie gestuit kunnen worden. In het zoeken van, luisteren naar en herkennen van elkaar op deze wezenlijke punten ligt de weg naar herstel van eenheid.

Wanneer u de juistheid van deze diagnose zou betwijfelen, hebt u uiteraard de mogelijkheid om een second opinion aan te vragen. Daarmee geeft u aan dat u in ieder geval een betrouwbare diagnose wilt, omdat de zaak daar ernstig genoeg voor is. Ik hoop wel vurig dat wij bewaard worden voor de mentaliteit van een ambtsdrager, over wiens dienst de bijbel niet positief oordeelt: Eli, de hogepriester uit de Richterentijd.Toen Samuël in de nacht bij hem kwam had hij tot tweemaal toe slechts het advies: “Ga maar slapen!” Intussen was het de Here zelf die Samuël riep. Menselijk gesproken zouden de gevolgen voor Israël niet te overzien zijn geweest wanneer Samuël dit advies had opgevolgd. De stem van de profetie zou tot zwijgen zijn gebracht.

De Here geve ons dat we wakker zijn of wakker worden, om in verootmoediging en met verwachting te zeggen: “Spreek Here, Uw knecht hoort!”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.