+ Meer informatie

De Epicureërs

2 minuten leestijd

Zij zijn als zwijnen die de eikels aten, steeds wroetend in de modderige grond — waar ieder telkens weer zijn voedsel vond — en zagen niet dat d' eikels boven zaten.

Wat zouden zij zich op een God verlaten? Zij vulden gulzig hongerige mond: het leven is er slechts een korte stond, leef en geniet en eet uit volle maten.

En 't lichaam wentelt in steeds nieuwe lust, en 't leven leeft een rusteloze rust, want 't arme hart kan nooit verzadigd raken.

Zij maken van de aard' een paradijs; beseffen niet, dat zij per enk'le reis een zeek're tocht naar d' eeuwigheid gaan maken.

De tollenaar

Ik kan op mijn verdiensten nimmer bogen, ik durf niet vooraan in de tempel staan, ik durf mijn ogen niet eens op te slaan, ik heb geschraapt naar nietig aards vermogen.

Ik heb geroofd, voor God en mens gelogen, ik heb nnj elke dag zo snood misgaan, de wegen die ik ging zijn kromme paan Hoe zou ik durven naad'ren voor Uw ogen ?

O Heere, wil mij, zondaar, toch vergeven, Gij zijt de Weg, de Waarheid en het Leven, Bij U is uitkomst tegen d' eeuw'ge dood.

Gij hebt mij, Heere, nog niet weggestoten Heb dank voor ied're ademtocht genoten en voor het onverdiende daag'lijks brood.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.