+ Meer informatie

De Deugden Gods (n.)

God nooit de Auteur van de zonde!

5 minuten leestijd

, , God doet al, wat Hem behaagt en wat Hem behaagt te doen is door Hemzelf bepaald in Zijn eeuwige onveranderlijke wil des besluits. Naar die wil voert Hij in de tijd dadelijk uit, wat Hij besloten heeft, of laat Hij de zonde openbaar worden en bedrijven tot meerdere verheerlijking van Zichzelf in Zijn schepselen. God is nimmer Auteur van de zonde, al heeft Hij het bestaan der zonde gewrld en de val van engelen en mensen besloten. Het kwade komt dan ook gans niet

buiten God om, doch wordt en werkt naar Gods wil, staat onder Zijn regering en dient tot het door God bepaaide einde." (Ds Kersten, Geref. Dogmatiek, pag. 96.)

Al heeft God dus de zonde mede opgenomen in Zijn verborgen wil, in Zijn eeuwig raadsbesluit, toch is de aandrift tot zondigen nimmer van Godswege opgelegd of ingeschapen. Integendeel! De mens werd juist geschapen met de reine, heilige begeerte om God volmaakt te dienen en te gehoorzamen, terwijl de Heere hem tevens een wil geschonken had, die vrij in al zijn handelen was. Dat was noodzakelijk, omdat God een schepsel wilde hebben, dat uit eigen verlangen en aandrift Hem zou dienen en eren.

Uitgaande dus van de gedachte, dat de mens in de staat der rechtheid een vrije wil bezat, houden we echter eveneens vast aan de waarheid, dat de mens toch nooit iets ondernemen kon, waardoor hij, met eerbied gezegd, de Heere kon overrompelen of venrassen. In Gods eeuwig Raadsbesluit stond reeds vast, dat de mens zou zondigen; maar tevens lag er in die Raad vast, dat de zonde een gevolg van des mensen vrije wil zou zijn. Aan de ene zijde kon God dus nooit door de zonde verrast worden, aan de andere zijde kan de schuld der zonde nimmer op God geschoven worden. Had God de mens geschapen met een instinct gelijk de dieren, die geen eigen verstandelijk overleg, geen eigen oordeel, geen zelfstandige wil bezitten, ja, dan zou de schuld bij God liggen; maar nu de Heere een wezen in het leven riep, dat naar Z ij n eigen beeld, dus met verstand, wil en gevoel; met kennis, gerechtigheid en heiligheid versierd werd, nu ligt ook de volle verantwoordelijkheid zijner daden voor zijn eigen rekening.

En nu had de Heere na de zondeval, toen de zonde, de ongehoorzaamheid en het ongeloof aan God in de wereld haar intrede deed, de mens dadelijk de kans tot verder zondigen kunnen ontnemen, door hem als een slaaf te boeien en van de zonde weg te sleuren, doch Hij heeft de kanker der zonde gelegenheid gegeven, zijn verwoestend proces verder voort te zetten. Ook hierin toonde de Heere, dat de mens een redelijk, zedelijk schepsel was, verantwoordelijk voor zijn daden. Zeker, de Heere zou direct na die vreselijke misdaad in het Paradijs de Satan vernietigd kunnen hebben, en de zonde uit het hart van de mens hebben kunnen uitbranden, en hem verder gedwongen kunnen hebben, om voortaan Zijn God te moeten dienen; maar dat zou de scheppingseer van God te na zijn gekomen. Hij maakt immers van Zijn mensenkinderen geen slaven en geen machines, maar als Hij de zonde beteugelen wil, dan doet Hij dat met het volle behoud van des mensen hoge positie als beelddrager. Als straks de zonde van de aarde zal zijn weggedaan, en Zijn uitverkoren kerk Hem tot in alle eeuwigheid de lof en dank zal toebrengen voor Zijn ontfermende zondaarsliefde en reddende genade, dan zal die lofzang en dat danklied geen gedwongen en afgeperste noodzakelijkheid zijn, maar het hart der verlosten zal uit eigen geheiligde aandrift aan hun Schepper en Redder de dank hunner bevrijde zielen brengen. Zó alleen is er waarlijk lof en aanbidding; en zo alleen heeft die lof en aanbidding voor de hoge God waarde en betekenis.

En zo verstaan we het, dat de Heere, als Hij de zonde van de aarde en uit de harten verdrijven wil, eerst die zonde moet laten uitwerken en in al haar vreselijkheid moet laten openbaar worden, opdat de mens en ook de Satan zien en ervaren zal, waartoe de heilloze zondeval de schepselen Gods gebracht heeft, en opdat èn Satan, èn de mens God rechtvaardigen zal, óók in de doorwerking van het kwade in de wereld.

De zonde is een macht in de wereld, die zich tegen God verheft; en de Heere gaat met die zonde een e e r 1 ij k e strijd aan. God werpt de Satan, de werkmeester der zonde niet eerst met geweld terneer, om daarna de zonde uit te bannen, maar Hij laat èn de Satan èn de zondemacht in de wereld hun eigen ganggaan, opdat het openbaar zal worden, wat er terecht komt van alles wat zich tegen God te weer stelt. En straks in de jongste dag, als de zonde haar vernielende werking voleind zal hebben, en de Satan al zijn krachten tegen God en Zijn Gezalfde uitgeput zal hebben, en hij het zelf zal moeten erkennen, dat zijn haat tegen God en het heilige de nederlaag lijdt, dan, maar dan ook volkomen, zal de Heere hem met de adem Zijns monds verdoen, en dan zullen niet alleen de gezaligden, maar ook de Satan en de ganse hellemacht het recht Gods erkennen, en zal de grimmigheid der verlorenen nog Gods Naam loffelijk maken.

..Gewis, der mensen gramschap zal, Wanneer z' op 't hevigst is aan 't blaken, Uw groten lof nog groter maken." (Ps. 76 : 5, ber.)

J. KRAMP.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.