+ Meer informatie

Het karakter van de belijdenis des geloofs (III)

11 minuten leestijd

De Chr. Ger. opvatting (1834—1892)

Het is voor ons van belang om te weten, hoe er in de kerk der Afscheiding over het afleggen van belijdenis is gedacht.

De eerste Synode (1836) sprak zich er reeds over uit: Degenen, die belijdenis van hun geloof doen, kunnen door de gemeente als lidmaten Christi erkend worden en tot het gebruik van de heilige sacramenten, de tekenen en zegelen van het verbond der genade, toegelaten worden, „zullende echter een iegelijk worden vermaand, dat niemand erkend mag worden voor een lidmaat van de Kerke Christi, dan op belijdenis des geloofs, en geenszins ten gevolge van het van buiten leeren van eenige waarheden” (art. 59).

Het treft ons, dat de belijdenis hier zo uitdrukkelijk belijdenis des geloofs wordt genoemd. Dat het de bedoeling was om ook in dit opzicht in het spoor van de Reformatie te gaan, blijkt ook uit de erkenning van de belijdende leden als lidmaten van de kerk van Christus en als lidmaten van Christus: het oordeel der liefde. Als de belijdenis niet als gelóófsbelijdenis zou worden beschouwd, zou ook dit oordeel der liefde vervallen.

Het kan echter voorkomen, dat iemand door de kerkeraad wordt toegelaten tot het heilig avondmaal, terwijl hij het oprechte geloof mist. Ook de ambtsdragers zijn geen kenners der harten.

Er zijn uitspraken van de Synode van 1846, die ons doen zien, dat men in die tijd wars was van alle idealisme.

In dat jaar werden enige verschillen in de leer aan de Synode voorgelegd. Wij lezen in art. 18 van de „Handelingen en besluiten der synodale vergadering”, dat sommige leraars niemand als lid wilden aannemen, dan die van zichzelf geloofden en daarvan getuigenis aflegden, dat zij begenadigden waren.

De vergadering oordeelt: „Dat een iegelijk moet worden opgenomen tot Lidmaat der Kerk en toegelaten tot het Heilig Avondmaal, die het ware voorwerp des geloofs regt belijdt en naar de ware godzaligheid zoekt te wandelen; evenwel volgt daaruit niet, dat die allen ware en levendige geloovigen zijn, gelijk ook Art. 29 der Nederl. Geloofsbelijdenis spreekt, dat er onder de Leden der Kerk hypocryten zijn”.

Over het verband van belijdenis en avondmaal is op de Synode van 1879 in den brede gesproken.

De zaak werd aan de orde gesteld door de Classis Dordrecht. Deze Classis had aan de Provinciale Vergadering van Zuid-Holland gevraagd, hoe er gehandeld moest worden met leden van de gemeente, die aldoor het gebruik van het heilig avondmaal nalaten op grond van de onbekeerlijkheid, waarin zij, naar hun eigen zeggen, leven. Behoorde de censuur niet op dergelijke leden te worden toegepast?

Het antwoord was: „De Provinciale Vergadering, oordeelende dat de Doop ten Avondmaal verplicht, raadt de Classis Dordrecht wel degelijk onderscheid te maken tusschen verachting der Sacramenten en nalating van bet H. Avondmaal uit gemoedelijk bezwaar; naardien hierop de kerkelijke censuur nooit is toegepast”.

De Classis meende hiertegen in appel te moeten gaan bij de Synode van 1879. Deze leden — zo werd door haar in een memorie betoogd — zijn geen verwerpers van Gods Woord en geen goddelozen, maar rechtzinnige, zedelijke, godsdienstige leden, die zich onafgebroken onthouden van de tafel des Heren wegens hun ongeloof, dat zich openbaart in een niet aannemen van Jezus, zoals Johannes dat tekent in Jo . 1:11: de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Als belijders zondigen zij tegen het bevel: Doe dat tot Mijn gedachtenis, en tegen het vierde gebod naar de uitlegging van de Catechismus, Zondag 38.

Is het nu niet met Gods Woord, het karakter van de kerk Gods en de praktijk van de Gereformeerde Kerk in strijd om aan bedoelde leden de rechten der kerk te verlenen, hen de doopsgelofte te laten afleggen en voor alle ambten verkiesbaar te stellen?

De Classis Dordrecht had drie vragen:

1. Heeft de kerk in 1846 haar instemming betuigende met de verklaring van Brakel aangaande art. 28 der Ned. Geloofsbelijdenis, niet beleden: geen andere leden te dulden dan die als ware Christen-gelovigen hun zaligheid van Christus verwachten?

2. Is het belijdenis-doen iets anders dan aanvrage om toelating tot de tafel des Heren en het ontvangen van recht daartoe?

3. Is het tegen Gods Woord aan zulke leden te ontzeggen: verkiesbaarheid tot kerkelijke ambten en het recht om de doopsgelofte af te leggen?

De Synode beantwoordde die vragen niet rechtstreeks, omdat zij geen commissie van advies was, maar moest wel op het appel ingaan (art. 58).

Volgens haar was dit kwaad niet in de eerste plaats door een synodaal besluit of toepassing van de censuur op bijzondere personen te overwinnen, maar door degelijk onderwijs, zowel door ouderlingen als door predikanten, op de catechisatie en in de prediking des Woords. Zij vond daarom geen grond om haar goedkeuring te onthouden aan het besluit van de Provinciale Vergadering, en wees in die gevallen, dat het geen verachting van de sacramenten is maar „gemoedelijk bezwaar” de pastorale weg.

Ook de overwegingen, die aan het oordeel van de Synode voorafgaan, zijn van betekenis.

De eerste overweging is: dat het heilig avondmaal als instelling des Heren een voorrecht is, door Hem aan de gemeente geschonken, van welk voorrecht ieder, die belijdenis des geloofs heeft afgelegd, verplicht is gebruik te maken.

De tweede: dat onze vaderen blijkens art. 73 van de Synode van Dordrecht van 1574 het niet telkens communiceren wel degelijk als een bestraffenswaardig feit beschouwd hebben.

En de derde: dat met de feitelijke toestand te rekenen is, en dat het kwaad, waarop de Classis Dordrecht zo ernstig de aandacht vestigde, een ziekteverschijnsel is, waarvan de aanvang in het grijs verleden en in de historische ontwikkeling der Gereformeerde Kerk te zoeken is.

Het avondmaal wordt dus gezien als een voorrecht, dat de Here aan de gemeente schonk. En ieder, die belijdenis heeft afgelegd, is verplicht om er gebruik van te maken.

Het wordt in het geheel niet als normaal beschouwd, wanneer belijdende leden geen avondmaal vieren: het is een „kwaad”, een „ziekteverschijnsel”. Allen noemden het „een wonde in het gemeentelijk leven”.

Men was het er ook over eens, dat het probleem nog niet zo eenvoudig was.

De Chr. Ger. opvatting (na 1892)

Evenals vóór 1892 hebben onze kerken na 1892 in de reformatorische lijn willen blijven. De belijdenis draagt het karakter van geloofsbelijdenis.

Dat komt tot uitdrukking in het besluit van de Synode van 1913 (art. 61): „De Synode, handhavende het besluit der Synode van 1846, gehoord de toelichting en bespreking der instructie ’s-Gravenhage, spreekt uit, dat op grond van Gods Woord en de belijdenisschriften der Kerk, een levend geloof als eisch Gods bij het afleggen van geloofsbelijdenis gevorderd moet worden. Zij erkent nochtans, dat de mensch niet kan zien wat in het hart van den belijder voor God is, zoodat zij niet meer van den belijder eischt dan wat de mond belijdt, indien het leven zulks niet tegenspreekt”.

Om de draagwijdte van deze beslissing te begrijpen, moeten wij letten op de discussie, die eraan voorafging.

In 1912 schreef S. te K. (ds. J. J. van der Schuit te Kampen) in ons kerkelijk orgaan artikelen over de liturgische geschriften.

Zijn visie op de belijdenis komt heel duidelijk uit in „De Wekker” van 13 augustus 1912. Hij betreurt het, dat men vooral in het zuiden van ons land met een zekere voorliefde spreekt van belijdenis der waarheid. Dat heeft tot gevolg, dat een historisch geloof voldoende wordt geacht om belijdenis te doen. Maar het gaat in de ure van de belijdenis om het geloof in de onderwerpelijke zin van het woord. „Er moet, hoe klein ook, toch aanwezig zijn een levend geloof. Belijdenis des geloofs afleggen is een daad des harten, is het doen van een keuze als van Ruth: uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Wie belijdenis aflegt moet werkelijk iets te belijden hebben. Wie zijn geloof uitspreekt, moet in beginsel het geloof bezitten, want vergeet nooit, dat belijdenis den toegang tot het Heilig Avondmaal ontsluit en daartoe behoort geloof”.

Het kwam al spoedig aan het licht, dat er waren, die hier anders over dachten Docent De Bruin maakte er bezwaar tegen, eerst in artikelen in „De Wekker”, en daarna in een maandblad, dat hij met enkele vrienden in januari 1913 uitgaf en dat slechts heel kort heeft bestaan. Het heette: „Waarheid en vrede”.

Twee standpunten stonden toen tegenover elkaar: „De kerk van Christus moet niet vóór alle dingen vragen naar een historisch, maar bovenal naar een zaligmakend, naar een levend geloof” (Van der Schuit) en: „De kerk moet dus toelaten allen die het geloof in voorwerpelijken zin zuiver belijden” of: „De kerk eischt om ter belijdenis, zowel als om tot het Avondmaal toegelaten te worden instemming met de belijdenis en niet levend geloof” (De Bruin).

Via een instructie van de Classis ’s-Gravenhage kwam de zaak op de Synode van 1913. In de instructie werd een nadere verklaring van de uitdrukking „belijdenis des geloofs” gevraagd. Het ging dus niet zozeer over de vragen van de praktijk als wel over het beginsel: wat is het karakter van de belijdenis?

Daarom is de uitspraak van 1913 ook zo belangrijk. Men kan er een poging in zien om de tegenstellingen te overbruggen. Het besluit van 1846, waarop docent De Bruin zich vooral beriep, werd gehandhaafd, maar ook werd vastgelegd, dat het op een levend geloof aankomt. Omdat dit de eis Gods bij het afleggen van geloofsbelijdenis is, moet de kerk daarnaar vragen. En juist hierbij wordt naar Gods Woord en de belijdenisgeschriften der kerk verwezen.

Dat het in de praktijk moeilijk genoeg kan zijn, wist de Synode ook wel. Dat is zowel door Docent De Bruin als door anderen sterk naar voren gebracht. Maar dat was geen reden om het principieel anders te stellen.

Men heeft in 1913 zeker niet gemeend, dat men er het laatste woord over gezegd had.

In de Acta van de Generale Synode van 1950 staat weer een artikel over „belijdenis des geloofs”.

Naar aanleiding van een kwestie, die zich in Zwolle had voorgedaan, vroeg de Particuliere Synode van het Noorden, dat de Generale Synode erop aandringen zou, dat in de kerken beleefd zou worden het onlosmakelijk verband tussen het afleggen van belijdenis en het gebruik van de sacramenten.

De Generale Synode doet dan een uitspraak — met alle nadruk en grote klem: „Belijdenis afleggen betekent: belijdenis des geloofs doen, en niet der waarheid zonder meer. Daarom geldt bij het doen van belijdenis dezelfde maatstaf als bij de voorbereiding voor het Heilig Avondmaal. Een kerkeraad, die bij het afnemen van en het toelaten tot de openbare belijdenis tevreden is met de verklaring van een historisch geloof, is in strijd met de uitspraken van Gods Woord en de grondslagen van de Gereformeerde leer. Met beslistheid verwijst de Synode naar de uitspraken van 1574, 1836, 1879, 1913”.

De Synode dringt er bij de kerken ten ernstigste op aan, dat beleefd worde het onlosmakelijk verband tussen het afleggen van belijdenis des geloofs en het gebruik der sacramenten.

Met deze uitspraak wilde de Synode van 1950 bevestigen, dat zij in de lijn der vaderen bleef (art. 89).

Belijdenisvragen

De bezinning op het karakter van de belijdenis des geloofs leidde er meermalen toe, dat nieuwe belijdenisvragen wenselijk werden geacht, waarin ook de samenhang van belijdenis en avondmaal duidelijker tot uitdrukking gebracht zou kunnen worden dan in de „vragen van Voetius”.

De Generale Synode van 1953 had dan ook een voorstel van deputaten voor herziening van de liturgische formulieren te behandelen, die een concept aanboden, dat evenwel niet aanvaard is, omdat het aan de nodige eenparigheid ontbrak.

In de derde vraag van het concept staat: „Betuigt gij, waar gij door uw openbaar belijden ook toegang vraagt tot het Heilig Avondmaal, dat gij u vanwege uwe zonden mishaagt, u voor God verootmoedigt, uw leven buiten uzelf in Jezus Christus, de enige Borg, zoekt”.

In het formulier, dat sinds de Generale Synode van 1965—’66 gebruikt kan worden, treft ons de uitdrukking: de dood des Heren verkondigen. De tweede vraag van dit formulier luidt immers: Betuigt gij dat ge u vanwege uw zonden mishaagt, u voor God verootmoedigt, uw leven buiten uzelf in Jezus

Christus zoekt, en begeert ge ’s Heren dood te verkondigen tot versterking van uw geloof?

Terecht is in de vergadering van de Synode opgemerkt, dat de kerken van de Reformatie en de Afscheiding in de onderhavige kwestie steeds principieel de juiste lijn getrokken hebben.

Natuurlijk zijn ook de vragen van 1966 niet volmaakt, maar ze hebben m.i. in vergelijking met die van Voetius iets voor.

Misschien denkt men, dat het doen van belijdenis er bij het stellen van deze vragen niet gemakkelijker op wordt. Maar moet dat dan?

Het geloven met het hart en het belijden met de mond (Rom. 10:9 en 10) mogen niet van elkaar gescheiden worden. Daarom is de belijdenis, waar het in de kerk om gaat, belijdenis van het geloof.

In 1836, in 1913 en in 1966!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.