+ Meer informatie

Moet het anders?

8 minuten leestijd

Het is een zegen van de Heere, dat we nog een Zondag hebben. Een dag, waarop we met de gemeente kunnen samenkomen. Samenkomen om het Woord Gods te horen. Dat is ook het hoofddoel van de samenkomst der gemeente. We komen niet samen om een dominee te horen of naar een redenaar te luisteren. Wie dit beoogt gaat naar de kerk, om te horen naar hetgeen een mens te zeggen heeft. Het gaat ’s Zondags om het Woord, het Woord alleen. Dat Woord moet onze ziel doorhuiveren, ons leven beheersen. Het Woord is d bron des levens. Het zaad der wedergeboorte. De enige voedingsbron. Het licht op het levenspad. De gids op de reis naar de eeuwigheid. Dat Woord beschaamt en bemoedigt. Het breekt af en bouwt op. Door dat Woord wordt, uit genade, Gods kennis, zelfkennis en Christuskennis verkregen. Door dat Woord wordt naar Gods welbehagen leven verwekt, leven versterkt en leven bekroond. Vandaar dat de bediening des Woords van zo’n geweldige, grote betekenis is. Het legt ook aan allen, die het Woord te brengen hebben, de hoge verplichting op, dat Woord van God geheel en dat Woord alleen te vertolken. Het Woord moet verkondigd worden. Het is Goddelijke eis. Nu heeft de eeuwen door de prediking van het Woord reeds plaatsgevonden. Telkens kwam echter de vraag aan de orde, hoe er gepreekt dient te worden. Deze vraag behoort nu niet tot het verleden. Ook vandaag wordt zij vernomen. Bij de predikers zelf leeft deze vraag, maar ook bij vele gemeenteleden, zowel ouderen als jongeren. Nu wordt er in de overdenking van deze vraag geen eenheid ontdekt. Dit wordt duidelijk bemerkt in de gesprekken. De opmerking doet het niet meer in 1973. Die prediking was te eenzijdig of te bekrompen. Dat kwam omdat men leefde bij enkele geloofszaken. De prediking richtte zich alleen op de ziel en het welzijn der ziel. In de prediking ging het hoofdzakelijk over de kenmerken van een waar christen en zijn beleving. Aan meer kwam men niet toe. Voor meer had men geen oog. Wat naast het welzijn van de ziel lag had direct geen waarde. Moest de aandacht maar zijdelings hebben. De predikers hadden ook een bepaalde preektrant en een bepaalde preekstijl. Die preektrant doet het nu niet meer en de preekstijl verstaat men niet meer. De predikers, die zich vandaag in verschillende opzichten aan hen verwant weten, behoren tot een wegstervend geslacht. Of dit waar is, weet ik niet. Dit is welbekend, dat zulkeen prediking waarin het bevindelijk element gehonoreerd wordt in ons vaderland nog ingang vindt. Dit blijkt duidelijk uit de kerkgang. Aan het kerkbezoek. En dat niet alleen ’s morgens, maar ook ’s middags of ’s avonds. Door Gods goedheid heeft deze prediking nog vat op velen. Zowel ouderen als jongeren. In de gemeenten, waar een prediking nog gehoord wordt van de souvereine genade Gods in Christus, waar het bevindelijke element nog domineert in de prediking behoeft men, Gode zij dank, nog niet te klagen over de opkomst der gemeente. Daar behoeft men niet te gaan experimenteren. Daar wordt niet gedacht aan themadiensten, vierdiensten, informatiediensten, discussiediensten, avondgebedsdiensten of lofdiensten. Daar leeft de gedachte niet om te komen tot meer afwisseling in de middag of avondsamenkomst. Daar wordt de catechismus prediking nog graag gehoord. Men zou het een gemis gevoelen, wanneer deze prediking verviel. We zeggen het niet uit de hoogte, maar al dat experimenteren -getuigt van geestelijke armoede. Armoede ook in de prediking. Men meent hierdoor de mensen weer naar de middagdiensten te trekken.

We zijn er echter van overtuigd, dat die aantrekkingskracht maar tijdelijk zal zijn. De praktijk in verschillende gemeenten laat ons dit duidelijk zien. Zo ook het streven naar eigentijdse prediking. De taal moet eigentijds zijn. De taal van de moderne mens moet in de prediking doorklinken. Immers die taal kennen ook onze jonge mensen. Men vergeet echter, dat er woorden en uitdrukkingen zijn, die de moderne mens niet kent en die in zijn denkschema niet passen. Dit zijn woorden en uitdrukkingen die het wezen van het evangelie uitmaken en niet weggelaten kunnen worden zonder het evangelie te verminderen en van zijn kracht te beroven. Deze woorden of uitdrukkingen zijn niet te vervangen. Specifiek bijbelse woorden zijn: zonde en genade, bekering en wedergeboorte. Rechtvaardiging en heiliging. Volkomen bijbels zijn de volgende uitdrukkingen: voor God in de schuld komen - zondaar voor God worden - de droefheid naar God kennen - de belijdenissen: tegen U heb ik gezondigd - ik weet, dat in mij geen goed woont - de beden als: uit de diepten roep ik tot U, o God wees mij zondaar genadig, schep mij een rein hart, o God, Heere, bekeer mij tot U! De Bijbel zelf is vol van woorden en uitdrukkingen die in de prediking niet mogen ontbreken en wanneer ze vervangen worden, dan wordt het wezen daarvan in de prediking niet aangegeven. Dan is de prediking in de volle zin van het Woord geen bijbelse prediking meer. Wie zich aan deze woorden en uitdrukkingen in de prediking ergert, ergert zich niet slechts aan deze woorden, maar aan de inhoud ervan. Men heeft een afkeer tegen de bepaalde vorm van geloofsleven, dat in deze woorden en uitdrukkingen zijn uitdrukking vindt. Voor verschillenden moet de preek zelf eigentijds zijn. Nu is het zeker waar, dat de prediking de eigen tijd in het blikveld moet hebben. De gemeente moet gewapend Worden tegen de machten, die zich in elke tijd weer hullen in een ander kleed. De roeping voor het dagelijkse leven moet voorgesteld worden. Elke prediking moet tijdprediking zijn. Maar niet eigentijds. De roep om eigentijds prediking, het streven naar eigentijds prediking is in wezen het begeren van en het brengen van een verminkt evangelie. Een tijdgebonden Woord van God. Men denkt dat de ware bijbelse prediking historisch gebonden, statisch, wereldvreemd, tijdloos is. Dit is zij pertinent niet. De ware bijbelse prediking gaat ook bijbels in op de vragen van onze tijd. Zoals dit ons in de Bijbel zelf wordt aangegeven. In die prediking klinkt het bijbelse woord: alzo zegt de Heere! Een theoloog van vandaag schrijft in één van zijn werken: „De in zwang zijnde slogans „actuele prediking” en „eigentijdse verkondiging” betekenen reeds een verzwakking en ontwaarding van de rechtse prediking. Alsof er werkelijke prediking zou kunnen bestaan, die niet terzake zou zijn! De bijbelse prediking bezit een eigen actualiteit, die boven het eigentijdse uitgaat en haar in elke tijd weer nieuw en verrassend maakt. Zij heeft een inhoud en zeggingskracht, die haar onafhankelijk maakt van elk tijdsstramien en daarom geldend voor elke tijd. Zij zegt immers wie de mens is voor God. Daarbij gaat het om de ontzagwekkende realiteiten van zonde en genade, Wet en Evangelie, oordeel en vrijspraak, kruis en opstanding, verzoening en verlossing.

De prediking van die werkelijkheden was er al in de dagen van de patriarchen en profeten en zij zal er zijn tot de jongste dag. Zij wordt niet van slag af gebracht door de vragen en noden, die welke zelfverzekerde tijd ook haar opdringt. Zij weigert de vragen en noden die haar worden voorgehouden, ernstig te nemen, omdat zij de mens, die de vragen stelt, op een veel dieper en wezenlijker wijze ernstig neemt, dan hij blijkens die vragen en noden zichzelf ziet en kent. Zij plaatst altijd weer opnieuw de mens, in welke tijd ook in de laatste ernst van de eeuwigheid. Zij spreekt niet over een aardse erfenis, die verdeeld moet worden; maar over de hebzucht en gierigheid, die het menselijk hart van armen en rijken vervullen en hem afhouden van God. Zij predikt niet de spijs die vergaat maar de spijze die blijft tot in het eeuwige leven. Zulk een prediking blijft altijd nieuw, levend, jong, krachtig. Zij voedt de mens, uit genade, met waarachtige teerkost, met Manna uit de hemel”.

Dezelfde theoloog heeft ook nog een woord voor de predikers. „Hij is geen rechte prediker, als hij in de leer gaat bij deze of gene rhetor; als hij leengoed voor de prediking gaat halen in de moderne literatuur, als hij put uit de actualiteit van alledag en dat alles ineenflanst tot eigentijdse prediking. Hij is de ware Schriftgeleerde, die uit de schat van het Woord oude en nieuwe dingen voortbrengt. Ware prediking vooronderstelt, dat ons gehele denken doordrenkt raakt van de Schrift; dat al onze gedachten, gevoelens en overleggingen in gevangenschap staan van het Woord Gods; dat wij slaven, knechten, dienaars van het Woord geheel leven onder beslag en de vrucht van dat Woord. Bij de rechte prediker moet iets in vervulling gaan van de profetische uitspraak: „Zijn rieken zal zijn in de vreze des Heeren”.

Dat alles maakt het predikambt zwaarder en moeilijker dan meestal wordt beseft. Maar het maakt het ook wijder en dieper. De predikant zelf ervaart er in de eerste plaats de zegenrijke vruchten van en het is hem een oorzaak van vreugde, om uitdeler te mogen zijn van de onuitputtelijke diepten van het Woord”.

Vandaar dat we als antwoord op de vraag: moet het anders? geroepen worden te zeggen: het mag niet anders! Woord en kerk eisen dit!

Wie daarbij leeft, zoekt zijn kracht niet in nieuwe vormen maar bidt:


Ontbied ons Heer’ aan ’t hemelhof;
Doe Gij ons buigen in het stof.
Door Woord en Geest Uw stem verstaan;
Laat ons bij U ter schole gaan.
Span onze zielesnaren
op toon, o Heer’!


want; Wie is tot deze last bekwaam!
Om in Zijn heil’ge Naam,
aan God gewijd,
Zijn Woord vol majesteit;
Zijn vloek, Zijn zegeningen
de mensen aan te dringen!
Wie is bereid!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.