+ Meer informatie

Samenspel tussen Diakonaalen maatschappelijk werk

23 minuten leestijd

Eerlijkheidshalve en wellicht ten overvloede, omdat het reeds eerder geschreven en gezegd is, wil ik toch beginnen u allen er vanmorgen op te attenderen, dat deze stof en dit onderwerp niet voor iedereen vandaag nieuw zal zijn Op de vergadering van het BOC m 1966 sprak ik immers over deze zelfde materie

Toen het verzoek van uw komite kwam, heb ik mij afgevraagd of het wel zinvol was om dit nog eens en dan in deze kring naar voren te brengen Toch heb ik dit aanvaard en wel om deze reden, dat ik vermoedde hier een groter aantal diakenen te zullen ontmoeten dan vorig jaar in Hilversum

En juist voor deze groep werkers m de kerk is deze materie met alle vragen, die hier mee samenhangen uiterst belangrijk

Misschien bent u er nog niet aan toe, misschien zit u er midden in, hoe dan ook de diaken van nu en de toekomst heeft en krijgt te maken met die zaken, die wij vandaag bespreken De ontwikkeling binnen het diakonaat brengt automatisch met zich mee een Confrontatie van diakonaat en maatschappelijk werk

En dan zij’n er, dacht ik, drie mogelij’kheden

1 men ziet elkaar werken, laat de ander rustig zijn gang gaan en werkt dus langs elkaar heen, waardoor het gemeentelid met op de beste wijze kan worden geholpen

2 men wordt met de andei gekonfronteerd, ontmoet elkaar en probeert tot samenwerking te komen maar het komt door allerlei oorzaken tot een spanning en verwijdering en

3 door de wederzijdse ontmoetingen en kontakten ontstaat begrip en het daaruit voortvloeiende samenspel

Dat laatste, daarom is het ons vandaag en in de toekomst van ons diakonaal werk begonnen Ik zie het als onze opdracht om dit samenspel zoveel mogelijk te realiseren in de praktijk van ons werk

Dan doet zich echter direkt reeds een moeilijkheid voor de verwarrende, chaotische indruk, die de veihouding tussen diakonaat en maatschappelijk werk momenteel maakt Plaatselijk liggen de verhoudingen zeer genuanceerd en zijn meestal afhankelijk van personen, die òf in bestuurlijke funktie òf in praktisch werk met deze dingen bezig zijn

BIJ belden bespeur ik toch generaal gesproken een soort kramphouding tegenover de ander en dat betekent spanning en kortsluiting

Tech zullen wij heel bewust moeten heenwei ken naar een samenspel Ik knjg nl wel eens de mdiuk, dat er tot nu toe van beide kanten vrij individualistisch is gewerkt Uiteiaard is er samen gesproken natuurlijk is er over dit onderwerp veel geschreven, maar nog te veel is dit spreken en schrijven geweest een spreken en schrijven voor zichzelf, te veel gericht tegen de ander en te weinig open voor elkaar

In het gesprek over en weer is het waar, dat de maatschappelijk werker „een voorsprong heeft op het ambt, „een voorsprong, die gegeven wordt door de grotere mate van deskundigheid, waarover het maatschappelijk werk beschikt” (1) Immers men beschikt hier over goed opgeleide beroepskrachten m volle dienst, die terug kunnen vallen op geschoolde adviseurs en die kunnen werken met de moderne vormingstechniek Door deze grotere mate van deskundigheid loopt men juist in het samenspel tussen het diakonaat en het maatschappelijk werk het gevaar, dat men niet juist op de ander irgespee’d is en bovendien door een onbewuste overschatting van zichzelf de mogelijkheid tot samenspel aan de andei ontneemt

Daarnaast geloof ik, dat bij veel ambtsdragers m hun kontakt met het maat-schappelijk werk en de maatschappelijk werker nog te veel een ook wellicht onbewuste krampachtigheid een belangrijke plaats inneemt, als het gaat over het beoordelen van en het samenwerken met de maatschappelijk werker, een krampachtigheid, die vaak veroorzaakt wordt door de angst van funktie-verlies bij zichzelf

Bovendien merken we nog steeds m alles, wat vandaag over dit onderwerp wordt gepubliceerd, dat het maatschappelijk werk nog met is uitgebalanceerd naar haar organisatie vorm en werkmethode

Enerzijds merken we een ontwikkeling in het maatschappelijk werk, die bedoelt uit te groeien tot een zelfstandige grootheid Het maatschappelijk werk zou dan elke binding ook die met de kerk verhezen en tot een zelfstandige vorm van dienst in de samenleving uitgroeien

Wanneer we echter m herinnering brengen, dat het maatschappelijk werk vanaf het begin georganiseerd is op levensbeschouwelijke basis en derhalve bij en door ons wordt gedragen door het geloof, zal deze dienst nimmer het kontakt met het werk m de kerk mogen en kunnen verliezen

Anderszijds groeit er met name vanuit de kring van het kerkelijk maatschappelijk werk de gedachte, dat de maatschappelijk werkers moeten streven naar verruiming van het ambt zodat binnen de kerkelijke ambten plaats komt voor de maatschappelijk werker

Dit alles moet wel spanning en kortsluiting geven. Trouwens het feit, dat het gemeentelid (de cliënt) bij de praktijk van deze spanning en kortsluiting is betrokken heeft meer dan eens veroorzaakt, dat de betrokkene niet als een derde in dat samenspel was opgenomen, maar vaak het „slachtoffer” werd van de botsing. Daarom, willen wij diakonaal en maatschappelijk werk goed laten funktioneren, dan is een eerlijke bezinning op de regels van het spel van groot belang. Dan moet ik als kerkelijk ambtsdrager en als maatschappelijk werker weten wat ik aan die ander heb, wat die ander wil en van waaruit die ander werkt.

Een goed verstaan van elkaar geeft de mogelijkheid tot een goed funktionerende samenwerking. Wanneer de ambtsdrager en de maatschappelijk werker elkaar leren verstaan door in gesprek en in bezmning voor elkaar open te staan, hebben we al veel gewonnen. Dan blijft uiteiaard eigen verantwoordelijkheid bestaan, dan zijn er voor beiden grenzen, maar dan is er toch ook de samengroeiing tot het ene harmonische geheel.

Het lijkt me daarom juist noodzakelijk, dat wij de beide begrippen wat gaan bepalen en ons dus afvragen, wat is diakonaal en wat is maatschappelijk werk? Het ambt is opdracht. Opdracht van Christus, de volmaakte ambtsdrager en grote diaken Deze Christus wil in deze wereld Zijn kerk bouwen en vergaderen Zijn kudde weiden en vermeerderen. Zijn gemeente verzorgen en regeren door de keikelijke diakonia. En de opdracht en roepmg van de ambtsdrager is dan ook om deze taak in onderworpenheid aan Christus en in gehoorzaamheid aan Zijn Woord te verrichten.

Het diakonale werk raakt de kerkelijke mens, dat is de mens, die de relatie kent tot de kerk en aan de kerk gebonden is. Deze kerkelijke mens wordt in de ver-kondiging en in de gesprekken de weg gewezen waarlangs de in zijn leven gestoorde en gebroken relaties weer hersteld kunnen worden. Ook bij het diakonale werk is het object dus de mens.

De mens in zijn vertikale relatie tot God, zijn Schepper en in zijn horizontale relatie tot de medemens.

De roeping van de diaken is om de mens weer bewust te doen worden van het wezen van zijn mens-zijn. Zijn taak blijft de mens te doen verstaan, dat je pas eigenlijk ten volle mens bent, wanneer je leeft in het snijpunt van die vertikale en die horizontale lijn. In dat kruispunt wordt het mens-zijn ten volle beleefd.

Beide relaties zijn door de zonde verbroken. De zonde immers maakte de mens zelfstandig, d.w.z. daardoor ging hij op-zichzelf-staan, werd hij uit zijn verband gehaald, los van de ander. Harmonie werd disharmonie en orde werd wanorde. En nu is de ambtsdrager geroepen door Woord en Geest deze gebrokenheid op te heffen en te helen in navolging van de Heiland, die heel maakt, wat wij vernielen.

De weg naar heislel woidt dus gewezen. Echtei, de ambtsdrager is meer dan wegwijzer.

Hij zal ook tl achten samen met die mens de weg te gaan. Hij zal die mens begeleiden, de kudde weiden en verzorgen en zo toezicht houden op de ander

.

Ambtsvervulling is in dienst staan van de kerk van Christus en daarmee van Christus Zelf. Deze dienstvervulling gaat niet gepaard met een dwingende, maar veeleer een dienende macht. Een ambtsdrager is een geroepen mens. Hijvervult een opdracht en staat er dus niet in eigen naam of eigen kracht. Door deze roeping is een ambtsdrager een mens, die leiding geeft. Hij stimuleert de integratie. Hij heeft te doen met de nood, met elke nood zonder uitzondering.

De arme moet hij in Gods naam helpen, de bejaarde om Christus” wil bijstaan, de misdeelde uit liefde tot Christus nieuwe levensmogelijkheden bieden. Hij moet deze nood zien, hier en ginds en overal. Hij moet naast de naaste staan, zoals Christus gestaan heeft naast de naaste, naast de stumperds ook van Zijn dagen. Toch is er meer. Want het is niet voldoende, dat we in de kerk beschikken over een stel specialisten en uitverkorenen, die het werk wel voor ons doen. Door de geloofsaktiviteit, door het enthousiasme van de ambtsdrager moet de mentaliteit van de gemeente gewijzigd worden. Hij zal, om met Paulus te spreken, de heiligen moeten toerusten tot dienstbetoon. Hij zal de gemeente moeten laten zien, dat de weg naar God, na herstel van gebroken relaties weer gevonden, tegelijk ook de weg naar de ander is. En de drager van het ambt der gelovigen zal geïnspireerd en gestimuleerd moeten worden tot dit dienstbetoon aan de medemens.

Wat is maatschappelijk werk?

Een definitie van maatschappelijk werk is eigenlijk nog nooit gegeven. Wanneer we het willen omschrijven kunnen we zeggen: barmhartigheidsbetoon aan de naaste, hulp aan de medemens, en dan met name hulp op toegepast wetenschappelijke wijze.

Het is dus een vorm van hulpverlening aan mensen, die in nood zijn geraakt. Alleen zal dit nog nader moeten worden bepaald. Het gaat bij het maatschappelijk werk m.i. niet om elke nood zonder meer. Het raakt de sociale nood, dat is de nood, die iets te maken heeft met de socius, de medemens, de gemeenschap

.

Het maatschappelijk werk wil de mens aanpassen aan het hoge levenstempo en de snelle ontwikkeling van deze tijd.

Want waar mensen samenleven, bestaat een verantwoordelijkheid van de één voor de ander, een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het geheel voor zijn leden en een verantwoordelijkheid van elk lid voor het geheel.

De mens is dus als socius, als medemens in nood. Hij kan geen socius meer zijn. Immers waar hier mensen samenleven doen zich tegelijk ook storingen voor in de onderlinge verhoudingen en de taak en opdracht van het maatschappelijk werk is om te komen tot opbouw van de noodzakelijke intermenselijke relaties en tot herstel van de storingen en de gebrokenheid.

Dit helpen geschiedt op toegepast wetenschappelijke wijze.

Toegepast, omdat het praktisch gericht is en wetenschappelijk, omdat door de ontwikkeling van de maatschappij vormen, die momenteel veel gekompliceerder liggen dan vroeger ook de problemen aanmerkelijk ingewikkelder zijn komen te liggen.

Dit vereist een wetenschappelijke vorming, die inzicht geeft in de totaliteit van die samenleving enerzijds en in het geheel van de enkele mens anderszijds.

Het maatschappelijk werk houdt zich dus bezig met de mens in zijn sociale relaties tot de ander. Brülenburg Wurth heeft dit werk dan ook terecht genoemd: werken aan de medemens.

Maatschappelijk werk is, zegt hij, een bepaalde vorm van werken, zelfs van beroepsmatig werken. Iemand is van beroep maatschappelijk werker, d.w.z. hijheeft er zijn beroep van gemaakt aan mensen te werken, mensen in bepaalde situaties, veelal noodsituaties te helpen, met deze mensen bezig te zijn en zodoende iets van deze mensen te maken, hen behulpzaam te zijn om beter en meer aangepast, meer voor zijn positie en funktie in het gezin of de samenleving berekend, mens te zijn. Het gaat in het maatschappelijk werk dus allereerst en allermeest om de horizontale relaties, de intermenselijke verhoudingen.

Uiteraard is hier de basis van het christelijk maatschappelijk werk toch wel geheel anders dan die van het neutrale m.w.

Is het beide te doen om de mens, proberen beiden van deze mens als socius iets te maken, toch zal juist de christen maatschappelijk werker vanuit zijn persoonlijk geloof dat nimmer van zijn werk kan en mag worden losgemaakt, beseffen, dat horizontale relaties nooit op zichzelf staan, nooit zijn los te maken van de vertikale.

Ik weet, dat dit punt — de vraag naar de verhouding tussen beroepsuitoefening en geloofsbeleving — voor de maatschappelijk werker vandaag in diskussie is en dat hier over ook binnen het christelijk maatschappelijk werk verschillend geoordeeld wordt. Toch meen ik, dat in het kontakt met de medemens steeds iets zal doorklinken van het christelijk ethos, de bijbelse mensopvatting.

Een christelijk maatschappelijk werker is geschoold in dezelfde methode als zijn humanistische kollega. Toch zal er in zijn werk altijd weer iets doorklinken van de motivering, waarom hij dit doet. Al blijft wellicht de vorm van hulpverlening dezelfde, toch zal de achtergrond, vanwaaruit men werkt, en dus ook de inhoud anders, geheel anders zijn. Daarom wil ik het in deze kring ook heel ondubbelzinnig stellen: omdat een christen maatschappelijk werker en een humanist beiden een totaal, ja principieel verschillende basis hebben, daarom zal bij dezelfde methode hun werk inhoudelijk toch geheel anders dienen te zijn. Hier liggen — ik weet dat — wel vele knelpunten, maar wanneer men deze achtergrond en ondergrond uit het oog verliest, is de zin van het christelijk maatschappelijk werk verloren.

Uiteraard komt hier wel de vraag naar voren naar de voorrang. Wat is het eerste in het maatschappelijk werk, die horizontale of die vertikale nood?

Ds van Buuren maakte in een artikel in Contact, schrijvend over de verhouding tussen ambtelijk en maatschappelijk werk, de opmerking, dat het kerkelijk maatschappelijk werk gericht is op het doel van het kerkelijk handelen met de mens. En dat doel omschrijft ds van Buuren dan als: de bekering, het terechtbrengen van de afgedwaalde mens. De redaktie van dit blad voor Geref. maatschappewerk zullen we niet mogen lijk werkers plaatst dan bij dit artikel de eerlijke en m.i. ook juiste opmerking: Hier achter zullen velen een groot vraagteken plaatsen. Wanneer zich in een gezin relatiestoornissen voordoen en de vraag rijst of tot uithuisplaatsing van één der kinderen moet worden overgegaan en de maatschappelijk werkster wordt hierin gevraagd te adviseren, dan is dit advies geven inderdaad een wezenlijk stuk maatschappelijk werk, maar de kerk en het gerichtzijn op de kerk zal hierbij nauwelijks aan de orde komen.”

Inderdaad, ook het christelijk maatschappelijk werk zullen we niet mogen verkerkelijken. Hier zal de vertikale lijn een zaak van de tweede orde blijven, die derhalve niet vooropgaat.

Trouwens het karakter van de nood, waarbij de maatschappelijk werker te hulp geroepen wordt accentueert deze gedachte ten volle. Het gaat om sociale, maatschappelijke nood. Het gaat om een stoornis in de verhouding tot de medemens. De maatschappelijk werker fungeert als een tolk tussen aan de ene kant de mens, die in nood is, omdat hij de verstaanbaarheid met zijn vroeger zo vertrouwde omgeving kwijt is, en aan de andere kant de samenleving. Hij zal die samenleving voor die bepaalde mens weer verstaanbaar moeten maken. En zijn taak is dan ook het zoeken van aanknopingspunten en verbindigen, die nog zijn overgebleven tussen de cliënt en de omgeving om deze verbindingen dan te versterken en te vernieuwen. Bij zijn zoeken naar herstel maakt hij dan ook gebruik van wat er in de mens is overgebleven.

Ik ben me goed bewust de beide begrippen op deze wijze niet ten volle te hebben uitgediept. Hier zou meer te zeggen zijn. Maar naar mijn mening moet het nu mogelijk zijn elkaar te benaderen en met de ander samen te werken. Immers beide werkers in de kerk en in de maatschappij worden bij de vervulling van hun dienst gekonfronteerd met de mens, die leeft in nood, in gebroken relaties en de noodzaak van samenwerking is ook reeds vandaaruit wel heel duidelijk gesteld.

Wanneer we dan nu het maatschappelijk werk en de hulpverlening door het diakonaat vergelijken, zien wij in de praktijk verschillende aanrakingspunten. De arbeid van het huidige diakonaat ligt immers voor een belangrijk deel op het terrein van de sociale hulpverlening, waarbij ik dan toch wel — om misverstanden te voorkomen — ook duidelijk wil stellen, dat de diaken bij zijn dienst-vervulling ten volle ambtsdrager blijft en beslist geen kerkelijke ambtenaar van sociale zaken wordt. Maar praktisch gezien helpt het diakonaat in allerlei vormen van dienstverlening als daar zijn bemiddeling voor het verkrijgen van materiële en/of huishoudelijke hulp; plaatsing van bejaarden of kinderen in een inrichting; zorgen voor vakantie van invaliden, minder draagkrachtigen, enz.

Vormen van hulpverlening, die ook bij het maatschappelijk werk praktijk zijn, hoewel de diaken en de maatschappelijk werker dit zeker niet op dezelfde wijze zullen doen. De diaken zal immers in zijn benadering van de gemeenteleden steeds iets laten uitkomen van de bewogenheid, ik mag rustig zeggen, de pastorale bewogenheid, die eens het leven en werken van de grote diaken Jezus Christus kenmerkte. Zijn leven was geheel diakonia, dienst tot in de dood. Van Hem leren we juist vanuit Zijn diakonia ook de bewogenheid met de sociale nood. In zijn gesprekken en ontmoetingen met zijn medemensen toont Hij oog te hebben voor deze nood. Persoonlijk geloof ik daarom reeds, dat diakonia pastoraal gericht zal zijn. Ik weet het: ik spreek tot diakenen en niet tot pastores. Maar anderszijds is het toch ook waar, dat geen pastor en geen diaken zijn werk goed kan verrichten, wanneer hij niet open staat voor de sociale nood van zijn medemensen. Dat is geen medemenselijkheid op christelijke grondslag. Maar dat is een spoor van de bewogenheid, die eenmaal onze grote Here kenmerkte. En de dia-ken, die pastoraal werkt zal zeker op deze nood stuiten.

Ik weet het: er blijft onderscheid, er blijft een eigen verantwoordelijkheid, wanneer we letten op de verhouding van het pastorale diakonaat en het maatschappelijk werk. Het maatschappelijk werk beperkt zich — het is reeds gezegd — totde sociale problematiek De maatschappelijk werker is daarin gespecialiseerd Dat betekent met, dat de maatschappelijk werker van oordeel is, dat met de sociale kant heel het mens-zijn is belicht De mens gaat met op in zijn sociale relaties, maar zij vormen wel een belangrijk aspekt van dat mens-zijn En deze sociale sektor kan nu een mvalspoort worden voor bepaalde moeilijkheden Deze sociale problematiek kan verband houden met of zijn neerslag hebben op andere sektoren van het leven, bijv de religieuze, toch behouden zij ergens een zekere eigenstandigheid De maatschappelijk werker gaat uit van het feit, dat deze mens leeft m deze sociale werkelijkheid en gaat vandaaruit werken Daarbij zal hij er altijd rekening mee houden, dat de sociale problemen vaak verbonden zijn aan religieuze problemen Zodra een maatschappelijk werker dit ontdekt, zal hij gaan verwijzen Want religieuze problematiek, ook al gaan de sociale problemen daarmee gepaard, ligt met op het terrein van de maatschappelijk werker Dat is het terrein van de zielszorg Beiden raken elkaar in de praktijk bijna, toch blijft er onderscheid De pastor spreekt de mens aan op zijn verhouding tot God, op de weg, die God met hem gaat en eventueel in relatie hiermee op zijn verhouding tot de naaste Hier speelt dus de orde een belangrijke rol Natuurlijk gaan bij de christen maatschappelijk werker de religieuze elementen en storingen met verdwijnen, maar in de benadering van de mens raken ze wel op de achtergrond Natuurlijk zal ook elke zielszorger oog hebben en houden voor de konkrete sociale situatie van de betrokkene, toch gaat het hier om de verkondiging Er blijft verschil’

Verschil in aanpak, m benadering, m orde Maar toch ligt ook hier de brug voor het samenspel Wanneer men door de kontakten heen elkaar heeft leren kennen, verstaan en vertrouwen zal er tussen de ambtsdrager en de maatschap-pelijk werker een goede teamgeest kunnen ontstaan Het kennen van elkaar brengt als vanzelf mee het erkennen van de ander, ieder voor zich De eigen verantwoordelijkheid en het eigen karakter van het werk wordt met weggewerkt, maar gerespekteerd. Met behoud van de eigen verantwoordelijkheid zal men juist hier ten dienste van de medemens in nood goed op elkaar moeten zijn ingespeeld Daarvoor is nodig een „mental training”, dat is maar met alleen het spelen van het spel dat ons uiteraard het best de regels doet kennen, omdat men nu eenmaal het meest van zijn fouten leert, maar ook de mentale oefening in het kontakt met elkaar, het steeds maar weer met elkaar bezig zijn en op elkaar inspelen

Juist om de totale mens m al zijn levensverbanden effektief te kunnen helpen is deze samenwerking nodig De sociale nood kan een mvalspoort of een gevolg zijn van geestelijke nood en de betrokkene is alleen geholpen, wanneer m beide vormen van nood is voorzien Daarvoor moet er wederzijds vertrouwen zijn Men moet elkaar kennen

Eind vorig jaar mocht ik meewerken aan een gesprek tussen predikanten en maatschappelijk werkers in het Groningse Westerkwartier Dit was daar een eerste vergadering m het stadium van terreinverkenning Maar de gemeenschappelijke konklusie was dat dit hoewel beide gioepen werkers weinig tijd hebben, toch van zo groot belang is voor de mensen, met wie men omgaat, dat dit vaker moest gebeuren Een halfjaarlijks kontakt tussen beide werkers aan de mens isdaarom dringend noodzakelijk. Plaatselijk en regionaal valt hier toch wel iets te organiseren.

Dit samenspel spitst zich toe, wanneer het gaat om een gemeentelid. Dan staat het m.i. buiten diskussie, dat er een goede kommunikatie is tussen zielszorger en maatschappelijk werker. Daarom wil ik ook hier een cri de coeur laten horen. Het valt mij persoonlijk altijd weer moeilijk, dat de maatschappelijk werker op grond van de code alleen met toestemming van de cliënt een ander, in dit geval de zielszorger, bij dit samenspel kan betrekken. M.i. moeten wij, wanneer het gaat om kontakten met gemeenteleden en hun eigen ambtsdrager, zo gauw mogelijk van deze code, althans dit artikel in de code, af. Een open uitwisseling tussen ambtsdrager en maatschappelijk werker zal hier nodig zijn en ik ben ergens wel eens een beetje bang, dat het feit, dat het doorgeven van gegevens afhankelijk is van de toestemming van de cliënt, c.q. het gemeentelid het wantrouwen jegens elkaar eerder versterkt dan weggewerkt heeft.

Natuurlijk moet de betrokkene van dit samenspel wel op de hoogte zijn gesteld. Dat is voor mij wel een duidelijke zaak. Hij moet erover geïnformeerd worden. Maar het al of niet doorgaan van het samenspel mag niet afhankelijk gesteld worden van de beslissing van de mens in noodsituatie, te meer daar deze juist door zijn noodsituatie ook al niet geheel normaal zal reageren. Met deze code in de hand vergt men toch wel eens te veel, dacht ik, van de zelfstandigheid van de cliënt.

Bovendien kan er nog wel eens kortsluiting ontstaan over de benaderingswijze van de cliënt. Ik heb wel eens de indruk, hoewel ik mij zeer zeker ook hierin laat korrigeren, dat men binnen het maatschappelijk werk wel eens te sterk de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt bij een beslissing accentueert. Soms moet men wel eens voor een ander beslissen, in ieder geval heel bewust en heel sterk op een beslissing aandringen, ook al is die ander er nog niet rijp voor.

Misschien kan ik dit het beste illustreren met een behandelingsgeval. Een oud man van tegen de 70 jaar met een eigen bedrijfje moest tot sanering overgaan. Op dit bedrijfje rustte nogal wat schuld. Vooral deze schuld gaf bij hem religieuze konflikten, zodat de ambtsdrager er door de maatschappelijk werker bij betrokken werd. Het samenspel tussen beide was bijzonder goed: een open uitwisseling kan gegevens met alle informaties over de gesprekken. De ambtsdrager kwam ïchter tot de overtuiging, dat men uit respekt voor de eigen verantwoordelijkaeid van deze man deze bejaarde geen hand geboden had, maar hem alleen de veg wees, die hij zou moeten gaan. Hij kon deze weg echter onmogelijk alleen‘caan. Toen deed de ambtsdrager de stap, die de maatschappelijk werker niet kon doen. Achteraf bleek, dat deze bejaarde in zijn nood met dit misschien iets forceren van de zaak toch wel geholpen was. Hieruit blijken — dacht ik — twee dingen: voor de betrokkene was het samenspel alleen maar vruchtbaar en de ambtsdrager kon door zijn benadering van dit „geval” ietwat duidelijker heenwerken naar het eindresultaat.

Daarom ben ik ook van mening, dat wij als ambtsdragers alleen maar tot nadeel van onze gemeenteleden in nood de beroepskracht, die het maatschappelijk werk ons levert, zullen uitschakelen. Er wordt nog wel eens te veel zelfstandig gepionierd en de maatschappelijk werker wordt nog wel eens te laat te hulp geroepen.

Eigenlijk moet samenspel van af het begin gespeeld worden.

Natuurlijk weet ik, dat door onze diakenen in de kerk door de tijden heen bijzonder goed werk is verricht. Zonder enige scholing, technisch noch wetenschappelijk, heeft men in noodsituaties de helpende hand kunnen en mogen bieden. Onze tijd echter vraagt reeds door de inhoud van zijn problemen en alle raakvlakken, die er met de „rest” van het leven vaak zijn, een ietwat andere aanpak, en zeker een inschakeling van de geschoolde krachten binnen het maatschappelijk werk. Waar gewerkt wordt, worden fouten gemaakt. Dat geldt met name van hen, die met mensen omgaan en aan mensen werken. Maar de fouten zouden in vele gevallen minder ingrijpend zijn, wanneer men eigen ambtelijke verantwoordelijkheid en eigen zelfstandigheid niet te zeer had overtrokken. Een 3-maandelijks kontakt en uitwisseling tussen de diakenen en de maatschappelijk werker is tot zegen van het werk, dat beiden vanuit hun eigen opdracht, maar toch ook met hetzelfde doel mogen verrichten. De medemens zal ermee geholpen zijn en zijn socius-zijn weer intenser en rijker kunnen beleven.

Tenslotte nog een opmerking, die met al het voorgaande zeer zeker nauw samenhangt, al speelt dit zich dan niet direkt af op het terrein van de diakonie: de evangelisatie, kerk en industrie. Gezien heel de huidige ontwikkeling van dit werk binnen de kerken, die reeds wordt aangeduid door die naam kerk en industrie, meen ik dat hierbij toch met name de beroepskracht van de maatschappelijk werker zal moeten worden ingeschakeld. Ik weet natuurlijk, dat vele bedrijven een eigen bedrijfsmaatschappelijk werker hebben. Veel van de samenwerking is echter afhankelijk van de levensovertuiging van deze bedrijfsmaatschappelijk werker, omdat het in het samenspel maar niet louter gaat om de methode en vorm, maar minstens evenzeer om de achtergrond vanwaaruit men dit werk doet. Dit maakt de maatschappelijk werker heus niet meteen tot evangelist, maar bij de inbreng van het evangelie in het van dat evangelie vervreemde leven heeft hij zeker zijn plaats. Ik dacht dan ook, dat een evangelisatie-predikant moet kunnen terugvallen op de kracht van het maatschappelijk werk. Ook hier moet de totale mens worden geholpen en het zal naar mijn oordeel het zuiver pastorale werk van de evangelisatie-predikant alleen maar verdiepen, wanneer hij deze hulp steeds weer kan inroepen. Nu moet veel sociaal werk worden gedaan door de predikant zelf, die uit hoofde van zijn ambt toch altijd weer een rood lampje ziet branden, wanneer de sociale problematiek het eerste en misschien ook wel eens het laatste is.

Het waren slechts enkele opmerkingen, die zo in de praktijk van het ambtelijk werk bij mij opkwamen. De bedoeling blijft dat samenspel. Het is de moeite waard en bij het ambtelijk èn bij het maatschappelijk werk bezig te zijn met deze zaken. Veel kunnen we van elkaar leren, denk maar aan de methode van gesprek, enz. Samen kunnen we in Gods naam onze medemens in zijn totaliteit helpen. Ik zou willen zeggen: laten we daarom het spel maar gaan spelen. Als we bezig zijn of gaan zal het allemaal wel konkreter worden. Van onze fouten zullen we leren, daarvoor moeten we ook open staan maar — en dat is voorlopig voor mij het voornaamste — in dat spel zijn we samen bezig met Gods opdracht: Ga heen, doe gij evenzo.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.