+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

48

Mensziel beleeft nu een heerlijke tijd. De Heilige Geest maakt Zijn bediening vanuit Christus door haar te laten delen in de vrijheid steeds heerlijker en krachtiger. Nadat de Vorst de zaken dus besteld had in het befaamde Mensziel, ging Hij voort aan de oudsten van dit gezelschap een nodige waarschuwing te geven, die om te volharden in het goede van grote betekenis is.

Te weten, hoe zij zich zouden gedragen omtrent de hoge en edele kapiteins, die Hij van Zijns Vaders hof tot hen gezonden of met Zich gebracht had om Mensziel als profeet te leren, als priester te dienen en als koning te regeren.

„Deze kapiteins”, zo zeide Hij, „hebben u o Mensziel zeer lief; ’t zijn uitgelezen mannen, uit een grote menigte gekozen, als uitnemend in bekwaamheid en van voorbeeldige trouw om in de oorlogen van El-Schaddai tegen Diabolus te dienen tot behoudenis van de stad Mensziel.”

Gekomen tot de vrede die alle verstand te boven gaat is de stad voor dit volk als een paradijs waarin alleen El-Schaddai gediend en verheerlijkt wordt. Terwijl men met al het genot dat gesmaakt mag worden nog leeft op een wereld die in het boze ligt, en dat met een verdorven bestaan. Waarschuwend hebben de apostelen gesproken om wakende te bidden en biddende te waken in de naam van de verhoogde Zaligmaker.

„Derhalve”, zeide Immanuël, „beveel Ik u, inwoners van deze nu bloeiende plaats, dat gij u niet onbetamelijk jegens hen gedraagt. Want schoon zij harten en aangezichten hebben als leeuwen, wanneer zij ten strijde geroepen worden tegen des Konings vijanden en de vijanden van Mensziel, zo hebben zij ergens toch een zwak plekje dat deze strijdbare helden spoedig kan verzwakken.

Zo zal ’t echter gebeuren, zo Mensziel de kapiteins slechts een weinig ongenoegen geeft, dat hun aangezichten bedrukt en verslagen zullen worden. Gij zult hen verzwakken en de moed benemen tot grote schade vobr de stad, daar Mensziel in geloofsmoed en kracht nog niet ver gevorderd is.”

„Gedraagt u derhalve o Mijn geliefde Mensziel, niet onvriendelijk jegens Mijn kloeke kapiteins en strijdhaftige oorlogshelden. Maar bemint hen, voedt en ondersteunt hen, legt hen op uw harten, bidt voor hen gelijk zij voor u worstelen aan de troon der genade. En zij zullen niet alleen voor u strijden, maar ook maken, dat al de Diabolisten die het er op toeleggen u, zo ’t mogelijk ware, ten enemale te verderven, van u vlieden. Neem dat ter harte opdat ge wakende en biddende elke verwijdering, die zou kunnen ontstaan, mocht verhinderen.

Wil met de kapiteins, daar zij soms ziekelijk en zwak zijn, geduld hebben. Zij hebben gelijk als u het gezondzijn in het geloof en het ijverig wezen in de liefde, niet van zichzelf. Worden soms door allerlei kwalen en kwellingen in hun moed en dapperheid ondermijnd. Als kapiteins hebben zij inderdaad ambtelijke gaven, maar als kind zijn zij even hulpbehoevend als al de burgers van Mensziel. Kom hen daarom niet nodeloos te bezwaren of te bedroeven. Veel liever moet gij hen sterken en bemoedigen, hoewel zij zwak zijn en gereed om te sterven. Want zij zijn uw bescherming, uw garnizoen, uw muren, uw poorten, uw sloten en grendels. Zonder de hulp van Mijn kapiteins, die in Mijn naam handelend optreden in het belang van de stad zijt gij gelijk aan een opengebroken stad zonder muur en daar zal de vijand gebruik van maken tot grote schade van de burgers.

Waardeer elkander in de Heere, laat Hij in uw aller hart de hoogste plaats hebben, en dat zal u doen gaan in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht, om kloeke daden te doen.

Deze dingen heb Ik u gezegd omdat Ik uw welvaart en uw eer bemin. Merk daarom al de dingen, die Ik u bevolen heb, nauwkeurig op, o Mijn Mensziel. En wel omdat Ik u die niet alleen heb opgelegd als een stad en samenleving en gij die ten hoogste verplicht zijt tot gehoorzaamheid aan uw officieren, bezetting en leiders. Maar ook omdat gij een volk zijt wiens welstand als personen aan het volbrengen der orders en bevelen van hun Vorst ganselijk afhangt…”

Met al het goede dat Mensziel werd geschonken en deelachtig gemaakt tot vreugde van het hart is de mogelijkheid van af te wijken niet te niet gedaan. En dat wordt in het genot van de eerste liefde zo gemakkelijk over het hoofd gezien. Door op te gaan in het liefhebben van de Heere en Zijn dienst, schijnt het ons onmogelijk haar te verlaten daar zij niet vermindert maar veeleer toeneemt.

De gedachte dat het als vanzelf is en zal blijven, is al tot verzwakking. Het is niet alleen een wonder daarin te volharden. Zolang u bij dat wonder leeft is het vertrouwen op de Heere in beleving en daarin zult u niet beschaamd worden. Doch wordt ’t zonder dat men er erg in heeft een vertrouwen op de Heere in beleving en daarin zult u niet beschaamd worden. Doch wordt ’t zonder dat men er erg in heeft een vertrouwen op onze innige liefde tot de Heere, dan houdt dat geen stand. De kracht is niet in onze liefde tot de Heere, maar in Zijn liefde. In de beleving Hem lief te hebben omdat Hij ons eerst heeft liefgehad, dan is onze kracht in Zijn liefde. En dat moet Mensziel op het hart gebonden worden. Het is en blijft in elk opzicht uit Hem, door Hem en tot Hem. De minste zelfverheffing werkt ons altijd weer van het rechte spoor af.

Wordt deze grote verantwoordelijkheid omtrent de toekomst van Mensziel aanvaard met de overtuiging niet in staat te zijn er iets van terecht te brengen, dan bindt dat ons aan de troon van Gods genade. Alles wat wij daartoe nodig hebben kan en wil de Heere ons schenken. Zodat het onze schuld is als die beleving gemist wordt. Maar anderzijds is het louter genade zo wij mogen volharden, in gehoorzaamheid aan de Heere, de verantwoordelijkheid biddende te betrachten. Om als stad des Heeren te wandelen in de wegen des Heeren.

„In de eerste plaats waarschuw Ik u, o Mensziel als uw wettige Vorst tegen hetgeen waarom gij niettegenstaande de reformatie onder u gedaan nog gewaarschuwd moet worden. Hoor derhalve met opmerkzaamheid aan. Ik ben verzekerd en gij zult het hierna ook gewaar worden, dat er nog enige Diabolisten in de stad zijn overgebleven. Diabolisten die zeer stuurs en onverzoenlijk zijn. En dat nu reeds terwijl Ik nog bij u ben. En die straks wanneer Ik heengegaan zal zijn, nog meer zullen studeren, beraadslagen, bedenken, ja ook gezamenlijk ondernemen om u in het verderf te storten. Ja, tot een staat te brengen die veel erger is dan de Egyptische slavernij. Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.