+ Meer informatie

Het geloof in God IV

10 minuten leestijd

Motieven van de kritiek

1. Het valt ons op, dat alle theologen die een nieuwe interpretatie van het geloof in God voorstaan, uitgaan van het gegeven van de secularisatie. En onwillekeurig wordt het geseculariseerde bewustzijn meer dan een gegeven waarmee men rekent, het wordt een norm waarmee men werkt.

Een van de belangrijkste aspecten van de secularisatie of verwereldlijking is, dat de godsdienstige visie op leven en wereld steeds meer wordt teruggedrongen.

De geseculariseerde mens van deze tijd ontmoet God niet meer in de wereld waarin hij leeft. Hij houdt het ervoor dat het voor de werkelijkheid van iedere dag geen verschil maakt, of God bestaat of niet.

Nu is de voornaamste stelling van de moderne theologie, dat wanneer het geloof in God zin heeft, het voor het leven in deze wereld zin moet hebben. Het gaat niet om de hemel maar om de aarde.

Hiervoor beroept men zich soms op Bon hoeffer, die dacht dat er maar één werkelijkheid is, omdat Gods werkelijkheid in Christus in deze wereld ingegaan is, maar meestal is in het zich terugtrekken op de aardse dingen alleen maar aansluiting bij het moderne levensgevoel te zien.

Welke plaats blijft er dan voor God over? Men meent niet meer te kunnen geloven in God als de Schepper van het heelal, en in de Vader, Die Zijn eigen Zoon in de wereld deed komen om zondaren te verlossen.

Evenmin verwacht men dat Hij alle dingen nieuw zal maken.

Dat alles zou metafysica zijn, waar mensen van de twintigste eeuw geen raad meer mee weten.

God zou alleen nog de grond of de zin van het zijn genoemd kunnen worden. Wij zouden met Hem in contact kunnen komen, doordat wij de medemens ontmoeten.

2. De moderne wijsbegeerte speelt een zeer grote rol in de theologie, die met het „conventionele christendom” als met een verouderde zaak wil breken.

Bij de een is het de existentiefilosofie van Heidegger, bij de ander de analytische filosofie, bij een derde het idealisme. Maar altijd staat de mens in het middelpunt.

Om de taal van de moderne mens te spreken is men bereid de bijbelse boodschap van God prijs te geven. De Heilige Schrift komt nauwelijks aan het woord en het Oude Testament bijna in het geheel niet.

Wat prof. dr. K. Runia in „Religie zonder God?” (1966) van Robinson zegt, heeft niet alleen betrekking op diens beschouwingen maar ook op die van de andere vertegenwoordigers van de moderne theologie: „Alle theologische (of moeten wij zeggen: filosofische?) beslissingen zijn al genomen, voordat de Bijbel geopend wordt, en alles wat de Bijbel nog mag en kan doen is: het gevondene achteraf bevestigen door middel van een consequente reïnterpretatie”.

3. De Joodse denker Buber heeft in 1953 een werk geschreven onder de titel „Gottesfinsternis”. Dat is een merkwaardig woord, dat wat lijkt op „Sonnenfinsternis”: zonsverduistering. Bij een zonsverduistering is de zon er wel, maar er staat iets tussen de zon en ons in. Zo is God er wel, maar Hij is a.h.w. verduisterd in het bewustzijn van de moderne mens. God is niet afwezig, maar de mens ziet Hem niet. Hij zwijgt niet, maar de mens hoort Hem niet.

Hoe komt dat? Buber wijt het aan de ontwikkeling van de cultuur. Maar dat is de diepste oorzaak niet. Het is de zonde van de vervreemding van de mens van God.

Er is geen andere weg tot God dan die van het geloof in Zijn Woord. En wie die weg niet gaat, vindt God niet. Hij denkt dan dat God er niet is, maar het ligt aan hemzelf.

Consequenties

1. Het gevolg van de geheel onbijbelse benadering van het geloof is, dat de persoonlijke verhouding van de mens tot God miskend wordt. Hoe onpersoonlijk klinkt het: God de grond van het zijn! Dergelijke begrippen komen in de wijsbegeerte voor, maar niet in de openbaring Gods.

God is dan niet meer de God, Die tot ons spreekt in Zijn Woord. En hoe zou men nog tot Hem kunnen spreken in het gebed? Sommige voorstanders van de nieuwe idee-en verklaren inderdaad, dat het gebed geen zin heeft. Er zou alleen nog wat te zeggen zijn voor de meditatie: geen spreken tot God maar alleenspraak. In plaats van de verborgen omgang met God komt het „horizontaal bidden” (Van Ginkel): goed zijn voor elkaar.

Maar als er geen persoonlijke verhouding tot God is, omdat er geen God is, Die Zich tot ons wendt, en er geen mensen zijn die zich tot God wenden, is dat het einde van het christendom.

Men houdt dan hoogstens een oproep tot medemenselijkheid over, waarbij Jezus als „mens voor de anderen” het grote voorbeeld is. Maar wie echt radicaal wil zijn, gaat nog verder en zegt dat het niet in te zien is, waarom ook de figuur van Jezus niet gemist kan worden. Dan is alles gerelativeerd!

De kerk heeft dan geen eigen boodschap meer te brengen. Maar daarmee vervalt ook de reden van haar bestaan.

Nog een citaat van Runia: „Als er geen persoonlijk God meer is, Die de Schepper en Onderhouder van het leven is, als er geen werkelijke verzoening meer is door de Zoon van God, als er geen plaats meer is voor werkelijke eredienst en gebed, als er geen toekomst meer na dit leven is (zoals Tillich ergens openlijk en consequent zegt), dan houd je niets anders over dan een filosofie voor dit leven alleen, waarin je als mens tenslotte zelf je weg maar moet vinden. Dan wordt het allemaal donker”.

2. Als de secularisatie haar stempel ook op de theologie zet en het een theologie zonder God wordt of althans zonder de levende God van de Bijbel, zal juist die theologie de secularisatie in de hand werken. Het is een vicieuze cirkel.

Wanneer theologen verkondigen dat God erniet is, komen zij daar het atheïsme mee in het gevlij. Zij moeten zich niet verbeelden, dat hun pleidooi voor medemenselijkheid en voor solidariteit met de wereld velen zal blijven interesseren. Dat wordt heel spoedig als oud nieuws beschouwd.

En prof. dr. P. J. Roscam Abbing heeft gelijk als hij in zijn boek „Actuele uitdagingen aan de christenheid” (1967) verklaart, dat wie de belijdenis van God aantast, alles aantast. Hij tast ook de mens aan. „Ons neen tegen deze uitdaging is er ook terwille van de humaniteit”.

Als men de weg van het atheïsme opgaat, zal men bij het nihilisme uitkomen.

3. Er zijn ook gevaren die de gemeente bedreigen.

De moderne theologie brengt een leer die naar de mens is. Niet ieder christen heeft voldoende verweer tegen onbijbelse opvattingen. Lang niet ieder is in staat ze te weerleggen.

Robinson en zijn geestverwanten houden er geen rekening mee, dat de mens zondaar voor God is. Dat zou men ons willen laten vergeten.

Maar wie het waagt om over God te spreken zonder te beseffen dat hij zondaar voor God is, kan niet op de rechte wijze over God spreken. Godskennis en zelfkennis zijn onlosmakelijk verbonden. De levensvraag van Luther was: Hoe krijg ik een genadig God? Men beweert dat dat geen vraag voor deze tijd is. Eeuwen geleden beleefde men het zo, maar nu zou men eerder vragen naar de genadige naaste. Alsof de verhouding tot God niet voor alle levensverhoudingen beslissend zou zijn!

Als wij alleen leven bij de werkelijkheid die wij waarnemen en niet bij de openbaring van God, vindt de gedachte aan een afwezigheid van God, die door de nieuwe theologie zo sterk naar voren wordt gebracht, vanzelf bij ons ingang.

Deze theologie kan voor ons als mensen van deze tijd een reële verzoeking betekenen. Ze is een uitdaging!

Hoe te antwoorden op deze uitdaging?

In de eerste plaats zeggen wij met dr. J. J. Buskes: God is anders.

Het is mogelijk dat wij al te menselijk over God denken. Maar God is God!

Wellicht schuilt er in de radicale Amerikaanse theologie een reactie op een traditioneel gebruik van de naam van God, dat van grote oppervlakkigheid getuigde. Godsdienstigheid was er genoeg, maar echt geloof in God?

Tal van mensen spreken over God zonder doordrongen te zijn van diep ontzag voor de levende God. Zij kunnen Hem Onze Lieve Heer noemen.

Buskes schrijft: Onze Lieve Heer bestaat niet. De God van de Bijbel is geen Onze Lieve Heer, die alles voor ons in orde brengt en doet wat wij aan Hem vragen. Het geloof in Onze Lieve Heer is een veel te goedkoop geloof. Het breekt stuk als het in ons leven spannen gaat.

In de tweede plaats zeggen wij: De mens is dood.

Enige tijd geleden stond er een opmerkelijk artikel over dit thema in het blad „In de Waagschaal” (16 sept. 1967). De schrijver zegt dat wij van ons eigen dood zijn voor de levende God Gods dood zijn voor de levende mens maken. De christelijke verkondiging zal daartegenover staande moeten houden, dat niet God maar de mens deserteur is, en dat dus niet God maar de mens dood is. Het kon wel eens zijn dat de ervaring van de dood van God niets zegt over God maar alles over de mens.

Terecht wordt de ontmoeting met de levende God de enige hoop voor de dode mens genoemd.” God moet de betovering van onze schijnwereld verbreken, willen wij niet sterven maar leven. Dat heeft God gedaan in Jezus Christus. In Hem heeft God het oordeel over de dode mens uitgesproken en voltrokken. Dat was echter niet het einde van de mens, maar het begin van de nieuwe mens. In en door Christus is het oude voorbijgegaan, en zie, het is alles nieuw geworden! De mens in Christus is „wel dood voor de zonde, maar levend voor God” (Rom. 6 : 11). De Kerk, de gemeente als het Lichaam van Christus, leeft van dit wel dood voor de zonde maar levend voor God zijn. Daarom kan de God is dood theologie voor haar nooit veel betekenis hebben”.

In de derde plaats zeggen wij van de God van de Bijbel: Deze God is onze God.

Daarmee is het beslissende woord gesproken. Juist in onze tijd komt het erop aan dat wij ons geloof klaar en krachtig belijden: De Here is onze God. Hij is de God van het verbond. Hij heeft Zichzelf aan ons en ons aan Zichzelf verbonden. Hij is de God van ons heil. Hij is de God en Vader van onze Here Jezus Christus.

Wij hebben in de nieuwe theologie een stroming aangetroffen, die wil zwijgen over God en alleen nog wil spreken over Jezus. Alsof theologie zonder God zou kunnen bestaan, en alsof de vraag naar God ook niet de hoofdvraag in het evangelie van onze Here Jezus Christus zou zijn! Van Buren leest in het woord van Jezus: Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien (Joh. 14 : 9), dat wij aan Jezus genoeg hebben. Maar dit woord wil niet zeggen, dat het niet om de kennis van God gaat. Het betekent dat wij door Jezus Christus met de Vader in aanraking komen. In Christus heeft God Zich tot ons gewend en in Christus mogen wij Hem leren kennen als onze God en Vader.

Het is typerend dat deze nieuwe theologie voorbijgaat aan de Heilige Geest. En toch danken wij alle waarachtige kennis van God aan de Heilige Geest. Wij denken aan wat Paulus in 1 Cor. 2 over de ware wijsheid zegt.

Er staat geschreven — en wij mogen daar bij alle verwarring op theologisch en kerkelijk terrein wel aan denken — : Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is (1 Cor. 2 : 14).

De God, Die Zich in Zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, is de Drieënige God.

Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Here, en in de Heilige Geest.

Dat is en blijft de kern van ons christelijk geloof.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.