+ Meer informatie

Jezus' verwondering over het geloof van een heiden

6 minuten leestijd

Jezus nu, dit horende, heeft zich verwonderd, en zeide tot degenen, die Ilem volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël zo groo't geloof niet gevonden." ' (Matth. 8 : 10)

Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond; sinds die tijd hebben vele mensen hun meningen geuit betreffende Zijn persoon, Zijn werken en macht.

Uit het antwoord der discipelen op Jezus' vraag: „Wie zeggen de mensen dat Ik ben, " blijkt dit zonneklaar; sommigen zeiden: Hij is, of gelijkt Johannes de Doper, anderen hielden Hem voor Elia en een ander gedeelte mensen hield Hem voor Jeremia of een der andere profeten.

Neen, vlees en bloed, het geestelijk verduisterd, vijandig en verdorven natuurlijk vermogen der mensen, hoewel delend in het licht van Gods openbaring, toen door zelfopenbaring, nu door het Woord, komt nooit tot de zalige geloofsgetuigenis: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.

Deze kennis is alleen door bijzondere verlichting en openbaring aan en in ons, het is het werk des Vaders cloor de Heilige Geest. Want vlees en bloed heeft u clat niet geopenbaard, maar Mijn Vader die in de hemelen is.

Daar is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van cle Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. Alzo de heidense hoofdman over honderd. Zijn geloofskomst tot Christus draagt dit kenmerk „van de Vader gehoord", want het geloof is uit het gehoor. Door deze weg brengt Gods Geest het woord als een levend zaad in het toebereide hart.

Van de Vader geleerd. De vruchten van ware geloofskennis openbaren zich in liefde tot God en Zijn volk. Tot God, Zijn Woord en dienst (zie Luc. 7 : 5) want hij heeft ons volk lief en heeft zelf ons de Synagoge gebouwd.

Zijn geloof door cle liefde werkende heeft ook zijn naaste tot voonveqo van ontferming, hier geldt het bijzonder zijn doodzieke knecht die hem zeer waard was. Dit oprechte geloof in oefening zijnde neemt alle afstand weg, armen en rijken ontmoeten elkander, God heeft ze beide gemaakt. Hoe beschamend voor velen, is ten cleze zijn navolgenswaardig gedrag, dan worden sociale problemen als vanzelf opgelost, wijl cleze liefde rekent met 's naasten belangen, zowel stoffelijk als geestelijk. Doch in dit alles blijft cleze hoofdman en arme van geest zich onwaardig kennend om zelf met al zijn nood naar Christus te gaan.

Dit grote voorrecht is Gods volk beschoren, hoewel innerlijk aan Hem gebonden, in zichzelf een vreemde gelijk Ruth. Daarom heeft hij de ouderlingen der joden tot Christus gezonden met zijn ootmoedige bede om genezing voor zijn knecht. •O, dierbaar toevluchtnemend geloof, dat nimmer beschaamd wordt. Hoor: „Ik zal komen en hem genezen." Hoopvolle belofte, want daarin is een ontsluiting van Cliristus' gewilligheid en macht, welk een ruimte voor cle hoofdman is hierin ontsloten.

Wat zal hij antwoorden? Hoor, echte geloofstaal: „Ik ben niet waardig, clat Gij onder mijn dak zoudt inkomen." Waai 4 geloof is ootmoedig, denkt en, spreekt gering van zichzelf in eigen schatting; niemand zulk een weldaad meer onwaardig dan hij, en anderzijds verheft zulk een geloof Christus op het allerhoogst in dierbaarheid en macht. De hoofdman roept de heerlijkheid van Christus uit als de énige Medicijnmeester, hij kroont door het geloof Christus als de waarachtige God en het eeuwige leven in Zijn almacht, wijsheid, goederrierenheid en alwetendheid. Hij behoeft de kranke knecht niet te zien, weet volmaakt zijn kwaal en heeft geen middelen van node, maar spreekt alleenlijk één woord, en mijn knecht zal genezen worden.

Dit geloofsgetuigenis heeft Jezus verwonderd; daarin blijkt duidelijk Zijn ware menselijke natuur als de Midde-

laar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.

Jn Nazareth heeft Jezus zich verwonderd over de ingrijpende en haat werkende veroordelende kracht van het ongeloof. Te Kapernaüm over het kennend, vertrouwend godverheerlijkend vermogen van het geloof door de liefde werkende. Over de hoofdman heeft Jezus zich niet verwonderd, evenmin over de wonderen welke Hij zelf deed, doch Zijn verwondering geldt het werk des Heiligen Geestes openbaar in deze heiden. Hier geldt het: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt ze de kinclerkens geopenbaard. Zalig zijt gij heidense hoofdman, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is.

Deze verwondering met verheuging is in Christus volmaakt tot verheerlijking des Vaders, in Zijn kinderen echter onvolmaakt en onvolkomen in oefening, maar toch aanwezig. David heeft zijn geloofsverwondering geuit over de werken Gods zonder hem, boven hem, rondom hem, aan en in hem in Psalm 139 opgetekend. Paulus gewaagt er van in Rom. 11 : 33. Hoe beschamend en bestraffend luidt vervolgens Jezus' getuigenis niet een plechtig voorwaar of amen ingezet, als Hij tot degenen die Hem volgden, (namelijk Zijn discipelen alsmede de andere Joden) zeide: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël zo groot geloof niet gevonden."

Israël begiftigd met de zon der bijzondere Godsopenbaring.

Hij gaf aan Jacoh Zijne wetten. Deed Israël op Zijn löoorden letten.

Kinderen des Koninkrijks, doch luidkeels roepende straks voor Pilatus' rechterstoel: wij hebben geen koning dan de keizer. Aan Christus' profetische openbaring geërgerd, aan Zijn priesterlijke openbaring zich gestoten, Zijn koninklijk gezag verworpen en de verantwoordelijkheid betreffende Zijn dood aanvaard: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen." Vreselijk ongeloof, ontzettend cle gevolgen, buiten geworpen kinderen in helleduisternis waar 's Konings gezag en rechtvaardige toorn gevoeld wordt, dan wening der ogen en knersing der tanden. Beschamend voor cle discipelen, zij uit Israël, en begiftigd met de zaligmakende openbaring van Christus, doch hoe klein en zwak hun geloof in kennis en betrouwen. Welke verkeerde voorstellingen koesterden zij van Christus' Koninkrijk, hoeveel eigen gerechtigheid en eigendunk kleeft hun aan, twistende over de hoogste plaats.

Zie daartegenover het geloofsleven, kennis en betrouwen van de hoofdman in de stand van zijn geestelijk leven. Hoe nederig, onwaardig en ootmoedig groot is zijn geloof, doch klein in eigen ogen voor God. Doch aan hem wordt bevestigd:

Hij zal de armen* en de Menen, Genadig zijn en goed, Degenen, die schrijen en wenen, Werd Hij vriendelijk en zoet. Hij zal ze voor 't geweld bewaren, En voor bedrog zeer kwaad, Hij zal ook 't bloed-Zijner dienaren Hoog achten vroeg en spaad'. (Psalm 72 : 7, oude rijm)

Daarom dan ook: En Jezus zeide tot de hoofdman over honderd: „Ga heen en u geschiede gelijk gij geloofd hebt." En zijn knecht is gezond geworden te dierzelver ure.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.