+ Meer informatie

DE GEMEENTE EN HAAR HOMOFIELE LEDEN

10 minuten leestijd

Ter inleiding

Om alle misverstand te voorkomen wil ik graag iets vertellen over de reden waarom dit artikel in ons blad verschijnt. De redactie komt om het half jaar, soms om de acht maanden bijeen. Op de laatst gehouden redactievergadering van begin oktober werd door mij iets verteld over een gesprek dat ik samen met de voorzitter van het Comité van ouderlingen- en diakenenconferenties heb gehad met een homofiele broeder en zuster. In dat gesprek werd de wens uitgesproken dat er ook in Ambtelijk Contact aan de plaats van homofiele leden binnen de gemeente aandacht zou worden besteed. De redactie nam de suggestie over en vroeg mij vóór de zomer van 1983 over dit onderwerp een artikel te schrijven. Door het uitvallen van een der aangezochte scribenten ontstaat er gelegenheid om me van de op mij genomen taak in twee artikelen te kwijten. In het eerste artikel wil ik graag ingaan op wat de titel hierboven aangeeft. Daarbij wil ik wel zeggen dat ik onder de indruk ben gekomen van gesprekken op de ontmoetingdsdag met ambtsdragers, welke door de „Werkgroep Homoseksualiteit in Chr. Ger. en de Ned. Geref. Kring”, op zaterdag 12 februari 1983 is belegd. De aanzet tot dit artikel staat los van de initiatieven van de Werkgroep. De uitvoering van het mij door de redactie gedane verzoek, kan ik, nu ik daar geweest ben, niet meer helemaal los van die ontmoetingsdag zien. In een tweede artikel wil ik graag enkele indrukken weergeven die ik in Utrecht heb opgedaan en ook enkele vragen, die mij sterk bezighouden, onder woorden brengen.

Anders dan vroeger

Hoe is de verhouding van de gemeente en haar homofiele leden? Voor het antwoord op deze vraag zal men niet alleen naar ambtsdragers moeten luisteren, maar ook naar de homofiele leden zelf.

De hierboven genoemde Werkgroep gaf de discussiegroepen, waarin de vergadering in Utrecht werd opgedeeld, als opdracht mee iets te vertellen over contacten met homofiele leden: of deze er geweest waren; hoe deze verlopen zijn. Welke problemen en gedachten er bij de ambtsdragers gerezen zijn. En welke de achtergronden waren van deze homofiele leden.

Uiteraard is het hier niet de plaats verslag te doen van de beantwoording van deze vragen. Sommige ambtsdragers bleken met de opdracht zelf reeds enige moeite te hebben. Zij brachten het ambtsgeheim in het geding. Zeer in het algemeen werd toch wel duidelijk dat ambtsdragers van tegenwoordig met problemen op het terrein van de homofilie in aanraking komen. Niet alleen in de gesprekskring waarvan ik zelf deel uitmaakte, maar — naar mij uit gesprekken bleek — ook in andere kringen werd dat duidelijk.

Op dit punt is er, vermoed ik, een groot verschil met de situatie van 25 — 40 jaar terug. Toen kwamen ambtsdragers — vermoed ik — veel minder vaak of zelfs in het geheel niet met deze vragen in aanraking. Ook toen waren er homofiele leden van de gemeente. Waarom werden hun problemen niet pastoraal besproken? Hadden de ambtsdragers er geen oog voor? Leefden ze aan de nood van homofiele leden voorbij?

De omstandigheden waren toen geheel anders. Over homofilie werd weinig gesproken. Aan de nood van homofielen werd — moeten we eerlijk zeggen — weinig aandacht gegeven. Doordat in de samenleving homofilie druk besproken wordt, zijn ook in de gemeenten gesprekken hierover op gang gekomen. De openheid waarmee deze vragen besproken worden, doet zich ook in kerkelijke kringen voor. Dat geeft homofiele leden de gelegenheid om hun ervaringen en gevoelens tot voorwerp van gesprek te maken. Ik ben diep onder de indruk gekomen van hetgeen een broeder en een zuster ten overstaan van alle aanwezigen in Utrecht vertelden. Velen zullen met mij gedacht hebben dat het heel wat is om in een vergadering zo over je zelf te spreken. Dat gebeurde en maakte op velen van de aanwezigen indruk.

In een isolement

Intussen moet wel gezegd worden dat de situatie tot voor kort zo was, dat homofiele leden in een isolement verkeerden. Over hun anders zijn wilden of durfden ze niet spreken. En als ze er al in de kring van hun familie over spraken, was de reactie vaak negatief. Men denke zich in, wat het voor deze broeders en zusters betekent, om na innerlijke strijd en na verloop van soms langere tijd, met het probleem voor de dag te komen, en dan geen gehoor te vinden. Een negatieve reactie te ontmoeten in de geest van: dat kan niet. Of: het zal nog wel anders worden. Of: je moet maar contact zoeken met iemand van het andere geslacht, dan gaat dit alles wel over.

Wie op zo’n reactie stuit, ervaart deze als een afwijzing. Dan wordt het gesprek geblokkeerd. Dan kan de man of vrouw zijn of haar nood niet kwijt. Het gesprek erover breekt af. De homofiel wordt in zijn isolement, waar hij juist probeerde uit te komen, teruggestoten.

Bespreekbaar maken

Wij gebruiken in onze tijd wel eens de uitdrukking: bespreekbaar maken. Men kan die uitdrukking gebruiken om allerlei zaken te relativeren of met betrekking tot het onderwerp een heel andere koers te gaan varen dan tot heden gebruikelijk was. Het relativerende denken van onze tijd hult zich graag in vage uitdrukkingen.

Toch hoeft dit alles niet bij voorbaat in de uitdrukking „bespreekbaar maken” opgesloten te liggen. Bespreekbaar maken wil toch zeggen: je moet erover kunnen spreken. Je moet met wat je bezighoudt voor de dag kunnen komen, ook al vinden je gesprekspartners dat moeilijk, vervelend of zelfs onaangenaam. Je moet erover kunnen praten. Er moet een oor zijn dat wil luisteren, een hart dat met de ander meeleeft en in zijn zorgen wil inkomen. Zelfs al staan we vreemd tegenover wat de ander te vertellen heeft, zelfs al begrijpen we het wezen daarvan niet, dat ontslaat ons niet van de christelijke plicht om te luisteren. Als ik het zo formuleer, heb ik niet het oog op een uiterlijke formaliteit, maar op innerlijke betrokkenheid, waartoe Christus ons roept.

In de gemeente zullen we over het algemeen iets terughoudender zijn in ons spreken over homofilie dan in de samenleving gebruikelijk geworden is. Wat wordt er in de samenleving al niet tot in finesses besproken, terwijl veel daarvan toch iets persoonlijks is, waarmee niet ieder te maken heeft. De veel geprezen en ook luid geëiste openheid laat weinig ruimte voor persoonlijke, innerlijke en intieme moeiten. Je moet het maar in de groep brengen. Je moet het maar openbaar maken, leder moet er zijn mening over kunnen geven.

In de gemeente weten we dat er ook iets van persoonlijke moeite en strijd is, waar niet ieder ander in betrokken hoeft te worden. Niet ieder hoeft zich met het precaire, soms pijnlijke van mijn leven te bemoeien.

Niettemin moet er in de gemeente de ruimte zijn om over noden en zorgen te spreken. Er moet aandacht voor zijn in de vorm van een meelevend hart, dat zich uit in een open oor.

Schuld van de gemeente

Ik vrees dat ik moet zeggen, dat wij in de gemeente van Christus tegenover onze homofiele broeders en zusters in ernstige mate tekort zijn geschoten, wat het luisteren, wat het meedenken, meebidden en meeleven betreft. Ik gebruik met opzet de eerste persoon meervoud, omdat ik mij zelf daarbij wil insluiten. Men kan wijzen ter verontschuldiging op omstandigheden, op het nog niet zover zijn van de gemeente dat ze aan het probleem van homofilie toe was. Er waren niettemin homofiele leden met hun problemen, die bij ons niet terecht konden.

Ongetwijfeld zullen er gelukkige en gunstige uitzonderingen zijn geweest. Zij bevestigen eerder de regel dan dat ze die doorbreken.

Uit de eenzaamheid die ik in tal van levensverhalen opmerkte, moet ik een stuk nood afleiden, die mij diep heeft getroffen. Nood waaraan zij die er geen oog voor wilden hebben en er, misschien onbewust, maar toch wezenlijk aan voorbij gingen, schuld dragen.

Het is geen wonder dat verscheidene deelnemers op de bijeenkomst in Utrecht hun blijdschap erover uitspraken dat dit onderwerp zo open en eerlijk besproken kon worden. Ik voelde in zulke uitspraken iets van een opluchting, niet alleen naar de kant van de homofielen, maar ook naar de kant van ambtsdragers die zich schuldig voelden en eigenlijk niet wisten wat met deze vragen aan te moeten.

Wellicht dat sommige lezers de vraag willen stellen: kunt u dit allemaal zo maar neerschrijven, zonder in te gaan op de vraag naar de praxis. Dat is inderdaad een belangrijke vraag. Er komt heel wat kijken om bijbels met elkaar over die vraag te spreken. Juist op dit punt heb ik nogal wat vragen bij datgene wat in Utrecht naar voren werd gebracht. Ik zal daarop nu niet ingaan. De beantwoording van die vraag is ook geen voorwaarde om te kunnen pleiten voor het bespreekbaar maken van de problemen rond homofilie. Er moet over gesproken worden. We moeten eerlijk erkennen dat verscheidene homofiele leden van de gemeente in de kou gelaten zijn, doordat ze met hun problemen in eigen kring niet terecht konden.

De verantwoordelijkheid van de gemeente

Het vraagstuk van de seksuele beleving is zeer ingrijpend. Dat geldt niet alleen voor homofielen, het geldt evengoed voor heterofielen (zij die zich aangetrokken voelen en richten tot iemand van het andere geslacht). Voor het samenleven in de gemeente is de praxis zowel van hetero- als van homofielen van beslissende betekenis voor de plaats in het leven met de gemeente.

Doch zonder daarover op het ogenblik verder te spreken, meen ik te moeten zeggen, dat homofiele leden evenzeer en evengoed lid van de gemeente zijn als heterofiele leden. Al te veel is er de gedachte dat homofielen vanwege hun homofiel zijn nauwelijks het recht hebben om lid van Christus’ gemeente te zijn. Die gedachte wil ik afwijzen. Men mag een mens omdat hij homofiel is, niet aan de rand van de gemeente plaatsen. Men mag een man omdat hij homofiel is, niet bij voorbaat van de ambten uitsluiten. Langere tijd geleden had ik een gesprek met een broeder uit een andere kerkgemeenschap. Hij vertelde mij dat hij niet-praktizerend homofiel was. Hij vreesde echter dit feit binnen de kring van de kerkeraad waartoe hij als lid behoorde, openbaar te maken. Hij vreesde zelfs dat zijn medebroeders, en op zijn minst bepaalde gemeenteleden hem het ambt niet langer waardig zouden vinden. Deze broeder streed een zware strijd. Niettemin, of misschien wel juist daardoor kon hij anderen in hun strijd begrijpen en steunen. Van het eigene van zijn strijd waagde hij het niet iets te zeggen. Zijn predikant had hij pas na lange aarzeling zijn moeite verteld. Diens reactie was uitermate begrijpend en liefdevol. Wat zijn dominee betreft had hij het probleem niet zo lang voor zich behoeven te houden.

Opnieuw zeg ik: welk een schuld, als de gemeente zo’n ambtsdrager zou wegzenden. Welk een schuld dat de sfeer in de gemeente zo is, dat hij daarover niet durfde te spreken. Ook nu pleit ik voor terughoudendheid. Niet alles behoeft aan iedereen bekend gemaakt te worden. Niet ieder behoeft van alles op de hoogte te zijn. Maar dat ook goedwillende gemeenteleden zo negatief zouden reageren als deze broeder vreesde, vervult mij met zorg, niet alleen voor de broeder, maar ook voor de gemeente zelf.

Maakt het dan geen verschil of homofielen in een homofiele relatie leven? Dat is de moeilijke vraag waarover in Utrecht verschillend werd gedacht. Ik behoor tot degenen die hier wel degelijk verschil zien. Niettemin wilde ik alvorens daarover iets te schrijven het voorgaande aan de lezers voorleggen. Waar gemeenteleden in een isolement verkeren, moeten wij trachten dat te doorbreken. Dat geldt ook ten opzichte van homofiele leden van de gemeente.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.