+ Meer informatie

De grote Synode van Dordrecht 1618-’19

8 minuten leestijd

Dordt en onze tijd.

Het mag met recht een hachelijke zaak genoemd worden om met de herinnering aan de synode van Dordt aan te komen in onze tijd. Zover is immers op het bredere erf het loswekingsproces van wat Dordt 1618-1619 wezenlijk betekend heeft gevorderd. Sommige mensen merken ( dit niet op en noemen dit een zwartgallig pessimisme. Het kon helaas wel eens zijn, dat zij de werkelijkheid niet willen of kunnen zien.

Geruisloos gaat vaak dit proces: het begint nogal eens met bezwaren tegen de leer van verkiezing en verwerping, en het voorstaan van een zgn. ruimere Evangelieprediking, zonder dat men beseft dat de rechte prediking van het Evangelie niet uitgesloten wordt door verkiezing en verwerping. Langzamerhand gaat men spreken over eenzijdigheid van Dordt en tenslotte wijst men Dordt geheel af. Het is trouwens veelal gevaarlijk. De etiketten op de fles blijven hetzelfde nadat men eerst de fles een andere inhoud gegeven heeft.

De herinnering aan Dordt is een grote sta-in-de-weg voor de oecumenische geest van deze eeuw. Nicolaas Schotsman schreef in de Erezuil als het oordeel van de versmaders van deze synode: „dat het in onze dagen, waarin men de broederliefde en vereniging der protestanten behartigt, niet te pas komt die oude twisten op te halen en aan de kerkvergadering, die deze twisten zo streng beoordeeld heeft, met lof te gedenken”. ’t Is alsof ge vandaag velen hoort spreken over broederliefde. Met dat verschil, dat een station verder is gepasseerd. ’t Gaat vandaag maar niet alleen over de vereniging der protestanten, doch nu gaat het over de vereniging van protestant en rooms. Daarbij is het beter de herinnering aan deze synode te vervagen.

De Dordtse Leerregels zijn voor zeer velen op het bredere erf een lastig aanhangsel geworden. In naam worden ze als belijdenis erkend, maar ’t is een grote vraag geworden in hoeverre ze in wezen nog betekenis hebben. Hoe zou het trouwens anders kunnen? Het steeds verder om zich heen grijpend gemis aan de schriftuurlijke beleving door Gods Geest moet dit belijdenisgeschrift wel steeds verder op de achtergrond brengen.

Vaarwel aan Dordt.

Dat wij niet overdrijven in het bovenstaande kan een blik op de gang van zaken in de Ned. Hervormde Kerk ons leren. Daar is voor de remonstrantse predikanten de toegang tot de kansel inmiddels weer ontsloten. Feitelijk behoefde dit niet te verbazen. In deze kerk heeft vooral de theologie van Dr. Karl Barth zijn invloed gehad. Daarin blijft van verkiezing en verwerping, zoals beleden in de Dordtse Leerregels, alleen de naam over. Voor deze theologie bestaat er geen besluit Gods van eeuwigheid, dat af is. God gaat door met beslissen. Tegen ieder mens moet gezegd worden dat hij verkoren is, omdat Christus de verwerping heeft gekend. In feite is dit niet veel anders dan algemene verzoening. Men moet geloven dat men verkoren is.

Waar deze afbraak van de belijdenis wordt toegestaan, komt de rest van zelf. In 1966 besluit de synode, dat een remonstrants predikant, mits op uitnodiging en toestemming van de kerkeraad, in een hervormde gemeente mag preken, de Sakramenten mag bedienen en huwelijken mag bevestigen. Alle verzet, dat er van de zijde van de Gereformeerde Bond geweest is, mocht niet baten. En dan te bedenken, dat de remonstranten vandaag nog erger zijn dan in de tijd van hun veroordeling, nl. puur vrijzinnig. De praeses van de synode noemde dit feit een historisch moment. Beter had gesproken kunnen worden van een plechtige begrafenis van de belijdenis van Dordt.

Ds. A. Vroegindewey heeft daar iets van vertolkt: „De kanselruil met de remonstranten is een verloochening van de Dordtse Leerregels of de Vijf Artikelen tegen de remonstranten. Het gereformeerd en reformatorisch karakter van de kerk wordt steeds meer aangetast. Artikel X van de kerkorde onzer kerk krijgt steeds minder betekenis. De dappere woorden van dat artikel: „De kerk weert wat haar belijdenis weerspreekt”, zijn niets, maar dan ook niets waard gebleken. Ze staan daar als een aanklacht. Want de kerk haalt de remonstrantse dwaling, die door de kerk weersproken is, weer in de kerk. En ze is veel erger dan in de dagen van de grote Dordtse Synode”.

Waar is het einde?

Die vraag mag hier wel gesteld worden. Niet alleen in de Hervormde Kerk is de losmaking van Dordt te zien, maar ook in de kerken, geboren uit de Afscheiding en Doleantie, breekt steeds meer een geest door, die in dezelfde richting gaat.

In de Gereformeerde Kerken komt dit wel heel sterk openbaar. We denken aan de ontvangst van „De richtlijnen voor de behandeling van de leer der uitverkiezing” van de Generale Synode der Nederlands Hervormde Kerk 1965 bij velen in deze kerk. Vooral zij, die zo spoedig mogelijk vereniging met de Hervormden begeren — waarbij de begeerte niet drijft naar de Gereformeerde Bond — juichten dit stuk toe, waarin in werkelijkheid de Dordtse Leerregels ontkend worden. En dan...... hoe is het daar meestal gesteld met de prediking van wat Dordt in het middelpunt heeft gesteld? Klachten van verontrusten zijn vaak evenveel bewijzen voor de magere inhoud van de prediking.

In de Gereformeerde Kerken (vrijgem. ) wil de bovendrijvende groep juist heel sterk vasthouden aan de belijdenis van Dordt. ’t Is zelfs opmerkelijk, dat van die zijde een lijst van artikelen en geschriften over deze synode verschenen is. Waarschijnlijk wel het meest om het vasthouden aan de belijdenis tegenover het disputabel stellen van de belijdenis door de remonstranten. Op zichzelf is dit te prijzen, hoewel de manier waarop dit gebeurt in deze kring afstoot. Helaas overheerst echter in deze kerken in het algemeen een bepaald soort verbondsaktivisme, dat de praktijk der godzaligheid verdonkert. Ik denk hier vooral aan het derde en vierde hoofdstuk van de Dordtse Leerregels: „Van des mensen verdorvenheid en bekering tot God en de manier van deze”. Hiermee hangt samen de afkeer van de mystiek, die in vrijgemaakte kringen altijd zo duidelijk uitgesproken is. En hoe zijn de leerregels te verstaan, zonder de taak van het levend geloof erin te horen?

Op eigen erf.

Zien bij een ander kan gevaarlijk zijn, als eigen erf vergeten wordt. En helaas is het niet overbodig, om op eigen erf onze aandacht te richten. De Christel. Geref. kerken hebben terecht altijd zich beroepen op het schriftuurlijk-konfessioneel beginsel, waarnaar zij wensen te leven. Dat betekent toch onder meer, dat in de praktijk de belijdenis van Dordt moet doorklinken. De Dordtse synode heeft in het besluit van de leerregels alle dienaars van het Evangelie vermaand deze leer „zowel met de tong als met de pen tot Gods eer, heiligheid des levens en vertroosting der verslagen gemoederen te richten”.

Het verval van de belijdenis begint niet bij de openlijke dwaling, maar eigenlijk al als deze belijdenis verzwegen wordt en niet meer funktioneert in de praktijk. Wij kunnen dan niet verhelen, dat er ernstige zorg is bij veel oprechten over de prediking in onze kerken. En deze zorg gaat juist om wat er in de praktijk gemist wordt.

Wij stellen voorop: wij wensen geen prediking, die bijv. voorbijgaat aan de wijze, waarop ook Dordt over de verkiezing en verwerping begint te spreken. Ook willen we voluit vasthouden aan wat er staat in artikel 3 van hoofdstuk I, dat God goedertierenlijk verkondigers zendt enz. Laten we verre blijven van hen, die zeggen dat het enige doel van de Evangelieprediking voor de onbekeerden hun verharding is.

Maar, hoe staat het onder ons in de prediking met art. 12 van hetzelfde hoofdstuk over het waarnemen van de onfeilbare vruchten der verkiezing? Het gemis aan geestelijke leiding brengt bij anderen terecht, waar men wel onderwijs kan krijgen. Hoe is het met art. 10 van hoofdstuk III en IV waar gesproken wordt over de roeping? In dat artikel wordt toch heel duidelijk gesteld, dat het niet de mens, maar God toegeschreven moet worden, dat de uitverkorenen geloven. God roept hen krachtiglijk. Soms lijkt het wel, alsof er geen bijzonder werk des Heiligen Geestes meer nodig is. In verband hiermee kan toch nooit genoeg benadrukt worden dat het werk van de Heilige Geest in de krachtdadige roeping en de wedergeboorte onwederstandelijk is. Ook vrezen we op ons erf in deze dingen de verkillende adem van het intellektualisme. Geen bezwaar mag iemand maken tegen het verwerven van kennis van de geloofsleer enz. Deze wordt eer al te veel gemist. Doch „als men de kennis dienst wil laten doen om het „leven” zelf te vervangen of daarin te laten opgaan” (Prof. G. Wisse), dan gaat de armoede van de dood steeds meer het kerkelijk erf beheersen. Een enkel intellektuele beschouwing over verkiezing en verwerping, hoe ook gekleurd, brengt vroeg of laat verwerping van dit stuk der belijdenis in de kerk.

Wij kunnen niet anders dan met de grootste zorg deze ontwikkeling gadeslaan. Het meest blijft voor ons allen beleving nodig van deze dingen. Wanneer wij wel strijden voor leer en beleving van vrije genade en zelf de doorwerkende kracht van Gods Geest missen, zijn we ook nameloos arm. De Heere geve ons persoonlijk door de Heilige Geest te zoeken als een arme zondaar de troost der verkiezing in Christus. Dan wordt Gods Naam verheerlijkt in de zaligheid van een zondaar. Dan wordt het verslagen gemoed getroost.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.