+ Meer informatie

De slangenvangers van Abu Rawash

Vangen met een stok en verkopen per fax

9 minuten leestijd

Was Tolba mijn buurman dan verhuisde ik liever gisteren dan vandaag. Voor geen miljoen zou ik de buurvrouw willen zijn van zijn drie cobra's, zes adders, vijftien niet-giftige slangen, tientallen schorpioenen en hagedissen en honderden ratten. Tolba Adbel Haleem (65) is slangenvanger. Hij woont en werkt met z'n vijf zonen in Abu-Rawash, een dorpje net buiten Cairo. Rillend maakte ik er deze reportage.

In totaal telt Egypte ongeveer 30 professionele slangenvangers. „Maar", vertelt een taxichauffeur me als hij mij voor Tolba's deur aflevert, „de oude Tolba is de sjeik van alle slangenvangers." Deze eervolle titel heeft hij te danken aan bijna zestig jaar ervaring. Tolba was net zes jaar toen zijn vader hem mee begon te nemen op slangejacht. Het tweetal reisde door heel Egypte: van Alexandrië tot Aswan en van Siwa tot de Sinaï. Op de reizen ontwikkelde de jonge Tolba in zijn hoofd een landkaart waarmee hij nauwkeurig het oorspronkelijke gebied leerde bepalen van elke inheemse slang. „Er zijn in Egypte ongeveer 30 slangesoorten, waarvan tien giftige", leert Tolba mij zoals vaders hun zonen al generaties lang leren. „De Egyptische cobra wordt gevonden bij Suez en de Sinaï en de spuwende cobra komt voor in Assioet, Aswan, Luxor en andere delen van Opper Egypte. De gehoornde adder duikt op in Fajoem, Aswan en de Sinai." En net wil ik ontspannen achterover leunen omdat Cairo en omgeving niet genoemd zijn of Tolba besluit zacht dat „de African Beautyslang in heel Egypte voor-komt."

Met je handen
Zijn vader leerde hem hoe hij de sporen van de grondkruipers kon identificeren en volgen en wat hij moest doen als hij er een gevonden had. „Een slang doodt en eet muizen. Vervolgens valt hij vaak in slaap in het holletje van de muis. Je begint dan te graven tot je de slang ziet. Als hij niet giftig is, vang je hem met je handen. Is het wel een giftige, dan gebruik je een lange stok. Daarmee pin je hem net achter zijn kop aan de grond, pakt hem bij zijn kop en je stopt hem in een katoenen zak." Dat het veel eenvoudiger klinkt dan het is, blijkt even later. Voor de foto haalt Tolba een jonge cobra te voorschijn op het dak van zijn huis. De snelheid waarmee het veertig centimeter lange beest zich beweegt, maakt mij bijna misselijk. Het duurt even voordat de eerste foto genomen is. En dit is nog maar een kleintje. Een volwassen cobra wordt twee meter.

Cobra's kwijt
Om mij even later gerust te stellen, vertelt Tolba dat er „in een omtrek van twintig kilometer van zijn huis geen slang meer te bekennen is." Zijn oogjes glimmen trots. Maar zoveel te meer bevinden zich er in Tolba's huis en angstvallig houd ik de katoenen kussenslopen aan haken in de muur in de gaten, waarin de slangen zitten. En in een nog hogere staat van paraatheid loer ik naar de zakken als Tolba's vrouw Zein onbevangen vertelt dat er onlangs drie cobra's kwijt waren. Ze schenkt een mierzoete thee in en vertelt dat ze geen van allen die dagen durfden slapen. Lachend: „De vierde dag vond mijn man ze in een muizehol hier in huis waar ze lagen te slapen!" Al die slangen in huis vindt Zein niet erg. Ze houdt van slangen, zegt ze. In de veertig jaar dat ze met Tolba getrouwd is, was ze maar één keer heel bang. Grinnikend vertelt ze dat dat was toen hij een hagedis op haar zette toen ze nog maar net waren getrouwd. „De hagedis rende achter me aan toen ik hem had afgeschud." Dat deze vrouw die slangen en schorpioenen hanteert alsof ze ermee is opgegroeid ooit gillend voor een hagedis is weggerend, kan ik me niet voorstellen.

Niet naar school
Zijn eigen zonen betrok Tolba ook al jong bij zijn werk. Het stond voor hem als een paal boven water dat ze allen in zijn voetsporen zouden treden. „Natuurlijk, het is een familietraditie die meer generaties teruggaat dan iemand zich kan herinneren", zegt Tolba verbaasd om zo veel domheid als ik mijn vraag stel. En op hun beurt nemen de zonen de jeugdige kleinzonen mee op de slangejacht-exepedities. Grootmoeder Zein is de enige die zegt het niet helemaal eens te zijn met de traditionele gang van zaken in de familie. „De jongen moet naar school", zegt ze, wijzend naar de elfjarige kleinzoon Maraaj, die de afgelopen weken het onderwerp van veel discussies is geweest. Maraaj heeft sinds een paar weken de brui aan school gegeven en boycot alle verdere schoolplannen van zijn grootmoeder. „Alles heb ik voor hem geregeld, tas, boeken, uniform, maar hij wil niet", jammert de matriarch van het gezin. Maraaj wil slangenvanger worden en dat leer je niet binnen de schoolmuren. Grootvader zegt niets en knipoogt naar zijn dwarse kleinzoon, die onverstoorbaar grootmoeders tirade aanhoort. „De slangen zitten hun in 't bloed", zucht oma Zein. „Ze houden van de reptielen zoals ze van de kinderen houden."

Ratten
Een rondleiding door het huis waar de hele familie woont, acht kinderen en zestien kleinkinderen, leert dat de dierenliefde van de Tolba's zich niet tot slangen beperkt. In een kooi op het dak bevinden zich behalve een paar slangen twee vossen. De derde verdieping wordt voor een groot deel in beslag genomen door betonnen bakken waarin honderden witte ratten krioelen. Een enkele rat is de vrijheid ingesprongen en rent door de kamer met joelende kinderen achter zich aan. In een hoek staan een paar kleine kooitjes met "heel gevaarlijke slangen", aldus aspirant-slangenvanger Maraaj. Terwijl een dreumes van drie met een slang om haar nek voorop wandelt, gaat de rondleiding verder langs schorpioenen in luciferdoosjes en kikkers en egels in de tuin. Onbekommerd spelen de kleinkinderen met de reptielen waar ik al twee dagen van droom. Om tegemoet te komen aan mensen die niet in een slangvriendelijke omgeving zijn opgegroeid, heeft een van Tolba's familieleden het plan opgevat een boek uit te geven over reptielen. „Het boek zal geschreven worden in lekentaai", laat zoon Kesr weten.

Respect
„Mensen zijn bang voor slangen omdat ze er niet genoeg van weten", legt Tolba's oudste zoon uit en hij wijst op de kinderen die spelen met de slangen en lachend kikkers proberen te vangen. Een meisje heeft een schorpioen op haar arm. „We proberen de kinderen respect voor de beesten bij te brengen en natuurlijk voorzichtigheid met de gevaarlijke, giftige reptielen." „De voorzichtigheid mag nooit uit het oog verloren worden", onderricht Tolba. „Je bent binnen een minuut dood als je door de Egyptische cobra bent gebeten." Een beet van de adder geeft meer respijt. Wordt de beet niet of verkeerd behandeld, dan treedt de dood pas na twee uur in. Tolba heeft tot nu toe een dodelijke kus van zijn slangen weten te voorkomen. Wel was hij vorig jaar getuige toen een cobra in het oog van een van zijn zoons spuwde. Amer, een oudere zoon, kwam de kamer binnen met een gevangen cobra en liet hem zijn broer zien. Toen die de zak opende en naar binnen keek, strafte het misnoegde reptiel dit openlijke voyeurisme af en spuwde in het rechteroog van de gluurder. Tolba behandelde het oog met citroensap en uien. „Het was vreselijk pijnlijk", vertelt hij, in het midden latend of hij het over de beet heeft of over de behandeling.

Zenuwachtig
Minder goed hep het met Tolba's vader af Toen Tolba twaalf jaar was overleed die na de fatale beet van een cobra. „Als ik een cobra vasthoud, ben ik altijd een beetje zenuwachtig. Maar zodra ik hem in de zak heb, is dat over", vertelt de bejaarde vanger. Hij legt uit dat de slang die zijn vader doodde zich om diens arm wond en toen de arm aflknelde tot zijn vader de kop moest loslaten. En toen beet de cobra. Als een enthousiaste zoon een cobra om mijn arm wil leggen om te laten voelen hoe gespierd het dier is, vlieg ik weg. Ik geloof hem op zijn woord. „Iedereen is bang voor levensgevaarlijke slangen als de cobra en dat is maar goed ook. Je moet bang zijn om voorzichtig te zijn", zegt Tolba. „Daarbij komt", vervolgt hij, „dat we gewoonlijk niet in de buurt van dokters of ziekenhuizen zijn als we op slangenjacht zijn maar ver weg in de woestijn. Heel belangrijk is het daarom dat we onszelf kunnen behandelen." Toch zijn het niet de slangen die de vangers het meest vrezen. De vele landmijnen die in de Egyptische woestijn liggen verborgen vormen een groter gevaar. Drie jaar geleden was er een expeditie naar Suez. Een slangenvanger stuitte tijdens het graven op een landmijn. De mijn ontplofte en vijf mannen kwamen om het leven.

Landmijnen
Een verzekering voor slangenvangers bestaat niet. „Tot nu toe hebben de familieden geen compensatie ontvangen. Sindsdien werken we met wat meer angst voor de toekomst", vertelt Tolba's zoon Kesr, vader van twee kinderen. „Niet vanwege mogelijke dodelijke slangebeten maar vanwege de bommen." Van Tolba's familie zijn al vier leden door ontploffende landmijnen omgekomen. Andere nadelen van het beroep zijn dat de vangst afhankelijk is van een dagelijkse dosis geluk en van het seizoen. In de zomer zijn de koudbloedige reptielen eenvoudiger te vinden dan in de winter, als veel soorten hun winterslaap houden. Ondanks de grote risico's en de nadelen heeft Tolba of een van zijn zoons nooit overwogen een ander baantje te gaan zoeken. De goede verdiensten van de lucratieve handel zijn daar waarschijnlijk debet aan. Het spreekt voor zich dat de giftige reptielen meer opbrengen dan de ongevaarlijke beesten. Maar de prijzen van de diverse giftige soorten kunnen ook nog aanzienlijk verschillen. De spuwende cobra gaat voor minder de deur uit dan een gewone cobra, omdat die eerste makkelijker te vangen is. De opbrengst van de zwarte cobra spant de kroon, want „je moet dagen in de woestijn zitten wil je er een vangen."

Serum
Dankbare afnemers van Tolba's reptielen zijn universiteiten, laboratoria en het Egyptische Serum Centrum. Universiteitsfaculteiten als landbouw, biologie en farmacologie gebruiken de reptielen voor wetenschappelijk onderzoek. Het Serum Centrum gebruikt het gif van de slangen en reptielen om antigiffen te ontwikkelen en te produceren. Verder is ook de Caireense dierentuin een groot reptielenafnemer. Sinds een paar jaar exporteren de Tolba's hun glibberige handelswaar. Niet zonder trots vertelt Tolba dat hij de Verenigde Staten, Engeland, Holland en Oostenrijk van slangen, hagedissen en vleermuizen voorziet. Daartoe heeft hij een van zijn zoons in een kantoortje in een Caireense buitenwijk geïnstalleerd. „Met een fax en een telefoonlijn naar het buitenland", aldus de trotse Tolba. Eens in de twee weken gaat Tolba met zijn zoons op jacht, meestal naar Fajoem, een groene oase met palmbomen en graanvelden zeventig kilometer van Abu-Rawash. Met de vele stroompjes en kanaaltjes, de gespleten rotsen om zich in te verstoppen en genoeg kleine dieren om te eten, is het voor slangen een paradijs. Biedt de twintigste-eeuwse ap- . paratuur hulp bij het aan de man brengen van de handelswaar, de slangenvangers beoefenen hun baan zoals tientallen generaties dat voor hen deden. Gewoon met een houten stok. En Tolba is er van overtuigd dat ze het altijd zo zullen blijven doen. „Er is geen andere manier", grijnst hij eenvoudig,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.