+ Meer informatie

HET NIVEAU VAN BIJBELKENNIS ONDER AMBTSDRAGERS

11 minuten leestijd

Inleiding

Is er iets mis met het niveau van bijbelkennis onder ambtsdragers? Moet erover geschreven worden om elkaar de maat te nemen? Gaat het om een vergelijking van vroeger en nu?Dit artikel is geen verslag van een onderzoek naar bijbelkennis van ambtsdragers. Er komen geen cijfers op tafel om aan de hand daarvan allerlei vergelijkingen te maken, het sein op groen te zetten of juist de alarmklok te luiden. Het gaat mij om (liefst blijvende) aandacht voor de zaak zelf. Wanneer de gemeente van Christus alleen door het Woord van haar Heiland kan leven, wat mag dan van ambtsdragers redelijkerwijs verwacht worden aan bijbelkennis? Door het zo te zeggen plaats ik bewust het niveau van de bijbelkennis van de ambtsdragers in het vlak van de dienstbaarheid aan de gemeente. Bijbelkennis is voor ambtsdragers geen doel op zich. Ze gaan niet de gemeente in om quiz-vragen te beantwoorden. Toegerust met het Woord van hun Zender gaan ambtsdragers de gemeente in om pastoraal en diaconaal het werk te doen waartoe zij geroepen worden. Vanuit die invalshoek is bijbelkennis een stuk gereedschap dat in goede staat onderhouden moet worden om met zegen te kunnen gebruiken.

Overleggingen en antwoord

De mens heeft overleggingen des harten, maar het antwoord der tong is van de HERE; Spreuken 16:1.

De wijsheid van de spreukendichter heeft nog niets aan actualiteit verloren. Ambtsdragers komen ze tegen: mensen met veel ‘overleggingen’ in hun hart. Zulke overleggingen kunnen bijvoorbeeld vragen zijn over Gods hand in de praktijk van het alledaagse leven of het geestelijk leven. Wat gaat er niet in een mensenhart om? Zorg om anderen, zorg om kerk en wereld, zorg om zichzelf. Het kan ook gaan om redeneringen van bedenkelijke aard: zelfrechtvaardiging, strijden voor eigen gelijk, niet willen loslaten van zondige praktijken. Wie zal als ambtsdrager antwoord geven? Niet zomaar een antwoord, maar een woord dat past: het juiste woord op de juiste plaats; een woord met kracht waar pit in zit - tegelijk een woord met wijsheid. Trouwens, zijn de overleggingen die we bij de ander ontdekken, niet vaak de dingen die we ook bij onszelf herkennen?

De spreukendichter zegt ons dat het ‘antwoord der tong’ is van de HERE. De overwegingen van anderen en van ons zelf kunnen best waardevol zijn, maar de leiding van ons leven, geestelijke vernieuwing, verdieping, moed, kracht en wijsheid kunnen alleen van de HERE komen. Voor ambtsdragers is dit een bemoedigend woord: we worden niet op ons zelf teruggeworpen, maar we mogen samen met de ander tot God gaan. Zijn Woord wil ons Zijn weg leren. Het houdt ook in dat Gods gemeente niet toekan met mensenwoorden vol van eigenwijsheid, geliefde stokpaardjes, robuuste traditionele waarheden of moderne geluiden waarin een bijbels fundament teveel ontbreekt. De gemeente van Christus kan alleen leven bij het levende en krachtige Woord waarmee de Heilige Geest in het hart werkt.

Het Woord centraal

Wanneer ambtsdragers door de week hun werk doen, dan zijn ze daarbij aangewezen op het Woord van God. In pastorale en diaconale zaken wil dat Woord centraal staan om de gemeente op te bouwen in geloof en liefde, om te troosten, terecht te wijzen en te onderwijzen. Kennis van de bijbel is daarbij onmisbaar. Op zondag geldt dat niet minder. Met name ouderlingen dragen mede-verantwoordelijkheid voor het Woord dat gepreekt wordt. Om te kunnen beoordelen of het gepreekte woord in overeenstemming is met de Schrift, is het nodig om vertrouwd te zijn met de boodschap van Gods Woord. Vergaderwerk hoort ook bij de bezigheden van ambtsdragers. Soms kan het er zakelijk aan toegaan. Wanneer het al te zakelijk wordt op de kerkeraadsvergaderingen, komt de geestelijke kant tekort. Wat is het fijn wanneer ambtsdragers in hun vergaderingen samen aan bijbelstudie doen. Het zet de grondtoon voor het vergaderwerk. Want de meest zakelijke regeling staat in de kerk toch in het geestelijk perspectief van het Koninkrijk van God, terwijl de geestelijke regering van Christus er niet aan voorbijgaat dat alles met orde zal geschieden. Kort en goed: in de kerk staat het Woord centraal. Dat geldt zowel voor ambtsdragers als gemeenteleden. Neem het Woord weg en er blijft geen kerk meer over. Is het Woord zo wezenlijk in de gemeente van Christus, dan is bijbelkennis onmisbaar voor alle onderdelen van het werk van ambtsdragers. Zit het op dit punt niet goed, dan is het niet best in de kerk. Denk bijvoorbeeld aan de priesters in 2 Koningen 22 en aan Nicodemus in Johannes 3. De priesters weten door gebrek aan kennis niet meer hoe God gediend wil worden. Het teruggevonden wetboek is nieuw voor hen en wordt de aanleiding tot een reformatie. Nicodemus ontbreekt het niet aan kennis. Hij weet veel en is anderen tot leraar. Maar zijn kennis van de Schriften is dode kennis zonder de geloofsverbondenheid met de levende Christus.

Hoeveel is nodig?

Wie betrokken is bij de catechisatie in de gemeente weet dat er veel verschil is in het niveau van bijbelkennis onder jongeren. Natuurlijk speien allerlei factoren daarin een rol. Bijvoorbeeld: hoe is het thuis; stimuleren de ouders hun kinderen of nemen ze een onverschillige houding aan? Opleiding, interesse en andere persoonlijke elementen hebben invloed. Naast al deze dingen is er nog een factor die naar mijn mening veel gewicht in de schaal legt: de school. Voor zover ik het bekijken kan, is het niveau van de bijbelkennis van jongeren die op een gereformeerd-vrijgemaakte of op een reformatorische school gaan, in het algemeen hoger dan van jongeren die op andere Scholen les krijgen. Ik zou daarvan verbluffende voorbeelden kunnen noemen. Uiteraard wil ik met deze zeer algemene indruk niemand tekort doen. Gelukkig zijn er ook gunstige uitzonderingen, maar die lijken de algemene indruk eerder te bevestigen dan tegen te spreken. Wanneer kinderen en jongeren op school een stuk bijbelkennis ‘mislopen’, dan valt het niet mee om dat als gezin en/of kerk op te vangen.

Van de jongeren terug naar de ambtsdragers. Voorzichtig stel ik het als een vraag: zou er onder ambtsdragers een soortgelijk verschil in bijbelkennis kunnen bestaan als onder jongeren? In hoeverre heeft de ‘bagage’ die vroeger van school is meegenomen nog invloed? Heeft de mate van bijbelkennis die op school wordt bijgebracht invloed op het niveau van de bijbelkennis van toekomstige ambtsdragers? Zulke vragen zetten nog eens opnieuw een streep onder het belang van een weloverwogen schoolkeuze (een zaak die deputaten kerkjeugd en onderwijs meer dan eens onder de aandacht van de kerken hebben gebracht).

De bijbel is een dik boek. Wat erin gevonden kan worden, is een onuitputtelijke bron van rijkdom. Teveel bijbelkennis is daarom onmogelijk. Niemand komt er ooit in uitgeleerd. De vraag laat zich stellen: hoeveel bijbelkennis is nodig voor ambtsdragers en wat voor bijbelkennis? Het is mooi wanneer iemand de koningen van het tienstammenrijk in het OT kan opnoemen en de twaalf zonen van Jakob en de Steden die Paulus op zijn zendingsreizen heeft bezocht. Maar kan een ambtsdrager in de praktijk van zijn werk veel met deze rijtjes beginnen? Aan de andere kant komt het niet erg sterk over wanneer ambtsdragers op bezoek in de gemeente de bijbelboeken niet blijken te kennen of een vrome gedachte aanhalen die als tekst uit de bijbel wordt gepresenteerd, terwijl het nergens in de Schrift zo staat (denk aan het gevleugelde woord: bidt en werkt).

Onderzoeken, oefenen en de troost van het evangelie

Kennis van de bijbel is voor ambtsdragers geen doel op zich. De ambtsdrager die de meeste namen en feiten uit de bijbel foutloos weet op te sommen, is daardoor niet automatisch de ouderling of de diaken die het beste functioneert. Bijbelkennis is absoluut onmisbaar voor kerkeraadsleden. Je kunt er niet genoeg van weten. Maar bijbelkennis van ambtsdragers komt pas op het juiste niveau wanneer de kennis van de Schrift onder leiding van de Heilige Geest toegepast kan worden op de situatie van de gemeente, of op de persoonlijke situatie van gemeenteleden.

In het bevestigingsformulier van ouderlingen en diakenen worden hierover rake dingen gezegd. De ouderlingen hebben samen met de predikanten het pastoraal opzicht over de gemeente. “Daarom dienen zij Gods Woord te onderzoeken en zich gedurig te oefenen in de overdenking van de verborgenheden des geloofs”. De diakenen mogen hun werk doen met een bewogen hart, “bereid om de troost van het evangelie mee te delen aan hen die in nood verkeren”.

Het onderzoeken van Gods Woord is geen hobby, maar een onderdeel van het ambtelijk werk. Het is nodig om in staat te zijn te vermanen en te vertroosten op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te kunnen weerleggen (Titus 1:9). Terechtwijzen van gemeenteleden kan nodig zijn. Het komt niet over wanneer de vermaning alleen wordt ervaren als: “zo zijn nu eenmaal bij ons de regels”. Vertroosten van gemeenteleden is geen kwestie van alleen maar een aantal teksten voorlezen.

Van ouderlingen mag verwacht worden dat zij vanuit de persoonlijk doorleefde kennis van de boodschap van Gods Woord anderen het evangelie kunnen voorhouden. De gezonde leer van het evangelie bedoelt ongezonde elementen uit het geloofsleven weg te nemen of te genezen. Het weerleggen van de tegensprekers is nodig om de gemeente te bewaren bij de genade en vrede van God. Er is in de wereld waarin wij leven veel in tegenspraak met God en Zijn dienst. Meer dan ooit is daarom nodig dat vanuit de gemeente van Christus duidelijk en met liefde weerlegd kan worden wat ongezond is naar de maatstaf van het evangelie - en positief een andere, een heilzame weg aangewezen kan worden. Onrijpe en ongezonde elementen in het geloofsleven zijn ook onder ons te vinden. Door Gods Woord eerlijk te onderzoeken krijg je er oog voor in het kerkelijk, gemeentelijk en persoonlijk leven. Meer dan ooit hebben we nodig groei en verdieping vanuit de gezonde leer die naar de Schrift is. Het niveau van bijbelkennis onder ambtsdragers mag zich daarop richten: een beknopte parate kennis van de gezonde leer van het evangelie als basis, met daarop een steeds aangroeiende uitbouw van persoonlijk onderzoek van Gods Woord. Daarbij denk ik vooral aan de praktische toespitsing van het kennen van God en het verstaan van Zijn bedoelingen met ons leven - persoonlijk en in de verbanden van kerk en wereld.

Het bevestigingsformulier noemt ook de oefening in de verborgenheden van het geloof. Het gaat hier om de ervaringskant van het geloof, ofwel de bevindelijke kant van het geloof. Geloof is geen kwestie van: je praat het elkaar aan, of je rekent het elkaar met wiskundige precisie voor. Er zijn elementen in het geloof die je alleen door eigen ervaring kunt leren. Ik noem willekeurig een aantal dingen op: aanvechting en overgave, volharding, vertrouwen, verwachting. Het gaat om het leven door genade in al zijn veelkleurigheid. Het gaat ook om de schaduwen in eigen leven en het licht van God. Hoe verhouden die zich, hoe ervaar je dat, hoe vind je als mens voor Gods aangezicht daarin je weg? Op zulke vragen is geen ‘standaard’ antwoord te geven. Oefenen in het geloof geeft er zicht op en maakt ambtsdragers geschikte gesprekspartners voor gemeenteleden die op de weg door het leven met allerlei geestelijke vragen in aanraking komen.

Het bevestigingsformulier noemt bij de diakenen niet alleen het uitdelen van geld en goederen, maar ook het meedelen van de troost van het evangelie. Ook van daaruit lopen er lijnen naar bijbelkennis, toegepast op de praktijk van het leven. Mensen in allerlei vormen van nood en lijden mogen geholpen worden, vanuit het besef dat het evangelie nooit aan de diepste nood van mensen voorbijgaat. Van diakenen mag verwacht worden dat zij daarover mee kunnen praten, zodat het Woord bij de daad wordt gevoegd. Hun bewogenheid komt in daden uit, binnen en buiten de gemeente. In hun woorden mag de motivatie van hun daden klinken.

Tenslotte

Stel je voor dat het welzijn van de gemeente af zou hangen van de mate van bijbelkennis van de ambtsdragers! Het zou een motie van wantrouwen zijn ten opzichte van het voortgaande werk van de Heilige Geest. Aan de andere kant kan een tekort aan kennis van de fundamenten van de gezonde leer van Gods Woord de gemeente kwetsbaar maken voor allerlei dwalingen. Ambtsdragers die het Woord onvoldoende uit de persoonlijke omgang kennen, kunnen er de troost en blijdschap niet van doorgeven aan anderen. Ik zou daarom willen pleiten voor een dagelijkse, persoonlijke, levende omgang met het Woord. Ambtsdragers zijn geen deskundigen met allerlei diploma’s op grond waarvan zij hun werk zouden kunnen doen. Hun ‘deskundigheid’ is de roeping tot het ambt en het Woord waarmee zij de gemeente ingaan. Omdat God ons daartoe roept, mag van ons verwacht worden dat wij alle moeite doen om het Woord te kennen en eruit te leven. Dat is tot rijke zegen voor ambtsdragers en de gemeenten waarin zij mogen werken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.