+ Meer informatie

...die mens is geworden [2]

ACTUELE OPVATTINGEN VAN BONHOEFFER

8 minuten leestijd

2. De natuur als gevallen schepping De natuur van de mens ontleent tegenwoordig niet meer haar waarde aan het feit dat ze bestaat, door God is geschapen en door Hem bestaansrecht heeft, maar pas als aan haar bestaansrecht wordt verleend, wanneer zij als nuttig voor de mens wordt beschouwd. Er wordt weliswaar niet meer op dezelfde wijze gesproken over het levens(on)waardige bestaan van mensen, zoals in de tijd van Bonhoeffer. Dat wil niet zeggen, dat er niet op de één of andere en publiekelijke wijze zou worden getwijfeld aan het 'nut', de betekenis en waarde van bijvoorbeeld zwakzinnigen. Hierbij kan worden gewezen naar de uitspraken van minister Els Borst. Na het aannemen van het wetsvoorstel inzake euthanasie, gaf ze te kennen de levensbe-eindiging van 'wilsonbekwamen', waartoe ook de zwakzinnigen worden gerekend, te willen regelen. Vroeg óf Iaat zal de vraag naar - om een uitdrukking uit de tijd van Bonhoeffer te gebruiken - de 'sozialen Nutzwert' van het leven van ernstig verstandelijk gehandicapte mensen om de hoek komen kijken. En dat is, na een brede maatschappelijke discussie, niet zonder consequenties. Met name als de samenleving moet gaan bepalen welke betekenis en waarde wilsonbekwamen voor ons, als samenleving hebben. Er is niet voor niets een 'onderhandelingsmoraaP in onze samenleving ontstaan, die eigenlijk geen grenzen (meer) heeft.

De uitspraken van minister Borst kunnen worden verstaan tegen de achtergrond van de opvattingen van John Harris, Peter Singer en Michel Tooley, die in de afgelopen decennia over het mens-zijn zijn ontwikkeld. Daarin worden zwakzinnigen, dementen en comateuze pati-enten niet (meer) gezien en gewaardeerd als persoon. Als er over personen wordt gesproken, denkt men eigenlijk alleen nog maar aan die menselijke wezens die een eigen (zelfstandig) leven kunnen leiden, kunnen communiceren, relaties met anderen kunnen aanknopen, een eigen wil hebben, een vermogen om te denken, besef van identiteit e.d. Het zelfbewustzijn is daarin niet alleen verondersteld, maar is zelfs de noodzakelijke voorwaarde geworden om over een 'persoon' te kunnen spreken. Het ontbreken, de afwezigheid van zelfbewustzijn sluit dan ook de mogelijkheid van het persoon-zijn uit. Dat betekent, dat de zwakzinnige geen persoon is en zich nooit tot persoon zal kunnen ontwikkelen. Niet alleen het beroep op het 'persoon-zijn', als grond voor de morele status, is alles behalve onomstreden, maar ook de opvatting dat een zwakzinnige geen persoon is. Deze opvattingen zijn niet neutraal, maar kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de waardering van zwakzinnigen. Meestal draait het in al die theoretische opvattingen om de vraag:

'Wie aanvaarden wij als lid van onze soort dat hij aanspraak mag maken op bescherming en zorg? '

Een ogenschijnlijk mildere opvatting is ontwikkeld door de Texaanse arts en filosoof H. Tristram Engelhardt jr. Hij onderscheidt de persoon in strikte zin van de persoon in sociale zin. Bij een persoon in strikte zin, denkt hij aan mensen die van zichzelf bewust en redelijk zijn en bij wie een minimum aan moreel besef aanwezig is. De waarde van personen in sociale zin wordt daarentegen bepaald door de waarde die zij innemen in de sociale relaties van personen in strikte zin. Hierbij kan worden gedacht aan de ouders van een ernstig verstandelijk gehandicapt kind, die hun kind al dan niet laten (voort)leven. Het doden van pasgeboren baby's en ernstig en zwaar gehandicapte kinderen beoordeelt Engelhardt niet als een moreel verwerpelijke daad.

Gezien de huidige ontwikkelingen op medisch-technologisch gebied is het niet verwonderlijk dat de wil van de moderne mens erin bestaat de natuur te kennen en te beheersen. Volgens Bonhoeffer gaat het hier om ontwikkelingen die zich niet uitsluitend laten verklaren vanuit het perspectief van de afval van het geloof, maar evenzeer om ontwikkelingen die samenhangen met de toenemende beheersing van de natuur door de techniek, op alle terreinen van het leven. Echter in de theologie is aan deze ontwikkelingen nauwelijks of geen aandacht besteed en is het begrip 'natuur' in de protestantse ethiek zelfs in diskrediet geraakt. Voor de een ging de natuur volledig verloren in het duister van de algemene zondigheid, voor de ander behield het, precies omgekeerd, de glans van het oorspronkelijke. Beide opvattingen betekenden, aldus Bonhoeffer, een geheel verkeerde instelling ten opzichte van het natuurlijke, met als gevolg dat het begrip van het natuurlijke volledig buiten het protestantse denken werd gehouden en aan de katholieke ethiek werd overgelaten.

Nadien is er binnen de protestantse ethiek in Duitsland nauwelijks iets veranderd. Ook niet in de op gereformeerde leest geschoeide ethiek in Nederland. Zo blijkt het begrip 'natuur' in de Medische ethiek van J. Douma niet te zijn gethematiseerd. Datzelfde kan worden gezegd van het Medisch verantwoord handelen van H. Jochemsen en G. Glas. In beide publicaties wordt weinig of geen aandacht besteed aan het begrip 'natuur' en de morele betekenis van het menselijk lichaam. Dat kan om tweeërlei redenen worden betreurd. Op de eerste plaats kan men met zowel het begrip natuur, als met de lichamelijkheid, tot een positieve(re) waardering van mensen met een verstandelijke handicap komen. Het vraagt om een visie op de werkelijkheid waarin wij leven. Met name wanneer er in navolging van Bonhoeffer wordt gesproken over het eerste recht van het natuurlijke leven, dat erin bestaat het lichamelijke leven te beschermen tegen elke willekeurige doding. Op de tweede plaats heeft Bonhoeffer het begrip natuur niet afgeleid uit de analogia entis ('analogie van het zijn', namelijk van God en mens) of uit het natuurrecht, maar uit de rechtvaardigingsleer en de christologie, en heeft hij daarmee blijkbaar een tussenweg gezocht. Het onderscheid dat Bonhoeffer inzake de 'natuur' en de 'schepping' maakt is niet onbelangrijk voor het verdere verstaan van het begrip natuur. Onder natuur verstaat hij de van God gevallen schepping. Hij wil deze daarom vanuit het Evangelie herwinnen. Wij spreken, aldus Bonhoeffer, van het natuurlijke in tegenstelling tot datgene wat tot de schepping behoort, om het feit van de zondeval in te sluiten. Hiermee samenhangend kan nog een derde reden worden genoemd. De hedendaagse, niet religieus geïnspireerde filosofie is namelijk niet in staat om een algemeen geldende en richting gevende ethische verklaring van de menselijk natuur te geven. Zij kan niet aangeven waarom de menselijke natuur zoals die wordt aangetroffen, zo moet blijven.

3. Lichamelijkheid en handicap

Het leven, de menselijke natuur, is in toenemende mate 'maakbaar' en 'veranderbaar' geworden. Niet zonder reden meet de mens zich met de gentechnologie de rol aan, aldus Ulrich Eibach, het leven vanaf zijn biologische grondstructuren te herstructureren, om nieuw leven tot stand te brengen, overeenkomstig zijn eigen plannen. Daarbij heeft hij zonder meer de bedoeling om een 'tweede', betere 'schepping', om nieuwe levende wezens te ontwerpen overeenkomstig zijn eigen 'beeld'; dat wil zeggen, overeenkomstig hetgeen hij beoordeelt als nuttig voor zichzelf. Zo heeft met name de prenatale diagnostiek en het erfelijkheidsonderzoek het voorkomen van leed als vooronderstelling. Het voorkomen van leed, leidt - zoals eerder is aangegeven - in de huidige praktijk doorgaans tot selectieve abortus, als er bij het embryo aangeboren of andere genetische afwijkingen worden geconstateerd die als ongewenst worden beschouwd. Het is een ontwikkeling die onder meer doet vragen naar de betekenis van de lichamelijkheid van de mens. Behoort het lichaam wel of niet tot het wezen van de mens? Deze vraag kan, in navolging van Bonhoeffer, met 'ja' worden beantwoord. Het is bovenal een antwoord met consequenties voor het spreken over de (bescherm)waardigheid van het ongeboren en het gehandicapte leven.

Bonhoeffer is van mening dat het lichaam, dat we zonder ons eigen toedoen hebben ontvangen, in zich het recht op bescherming draagt. Onschuldig leven dat niet (meer) als

levenswaardig wordt geacht, mag niet willekeurig worden gedood vanuit medelijden of vanwege een of ander (eigen) voordeel. Willekeurig is iedere vorm van bewust doden van onschuldig leven. De reden daarvoor is gelegen in de opvatting dat God het leven wil en dat Hij het leven een gestalte geeft, waarin het kan leven. Bonhoeffers verzet wordt concreet in zijn

verzet tegen de idee dat het leven een sociale betekenis, nut zou moeten hebben, om aanspraak te kunnen maken op bescherming. Het door God geschapen en ontvangen leven is, volgens hem, onafhankelijk van de 'soziale Nutzwert'. Het recht op leven bestaat in de bestaande waarde en niet in zijn willekeurige (door anderen bepaalde) waarde. Het eerste recht van

het natuurlijke leven bestaat dan ook in de bescherming van het lichamelijke leven tegen willekeurige doding. Bonhoeffer heeft niet voor niets - in het vervolg van het hoofdstuk over het 'natuurlijke leven' - gesteld, dat daar waar het recht in de natuurlijke werkelijkheid wordt gezocht, de wil en de gave van de Schepper worden geëerd. De rechten van het natuurlijke leven

worden niet voor niets verstaan als de 'Abglanz' van de heerlijkheid van de scheppingsdaden van God, in deze wereld. In de rechten van het natuurlijke leven wordt, aldus Bonhoeffer, niet het schepsel, maar de Schepper geëerd; het wordt als de rijkdom van Zijn gaven erkend.

A. A. W. J. RIETMAN, KAMPEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.