+ Meer informatie

DE APOCRIEFE BOEKEN

8 minuten leestijd

Bijbellezers komen steeds vaker met de apocriefe boeken in aanraking. Bij de uitgave van de Nieuwe Bijbel Vertaling is er bijvoorbeeld bewust voor gekozen een handzame editie aan te bieden waarin deze boeteen tussen het Oude en Nieuwe Testament in geplaatst zijn. Door de nieuwe belangstelling voor de apocriefe boeteen komt de vraag boven wat daar precies in staat en welke waarde we daaraan moeten hechten.

CANONIEK NAAST APOCRIEF

Het woord ‘apocrief’ betekent ‘verborgen’. Het werd in de oude kerk gebruikt voor allerlei geschriften waarvan de oorsprong duister is, en die je daarom maar beter niet al te veel aandacht moet geven. Later kreeg de term apocrief een speciale betekenis als aanduiding van boeken die zich wel met een zeker gezag aandienen, maar die toch niet tot de canon van het Oude en Nieuwe Testament behoren. Zo kennen wij de term uit de Nederlandse geloofsbelijdenis, waar van de 66 boeken van de bijbel gezegd wordt, dat zij heilig en canoniek zijn om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. Van de apocriefe boeken geldt dat niet. ‘De Kerk mag deze wel lezen en er lering uit putten voor zover er overeenstemming is met de canonieke boeken, maar zij hebben niet zulk een kracht en gezag, dat men door het getuigenis van deze boeken enig punt van het geloof kan bevestigen’ (NGB art. 6).

De kerk heeft de bijbelboeken ontvangen en deze aanvaard als heilig en canoniek (NGB art. 5). Dit zinnetje geeft in eenvoudige woorden weer wat in een eeuwenlang proces is gebeurd. Er is wel eens gesuggereerd dat voor die aanvaarding een beslissing genomen is in de eerste eeuw, waardoor de kerk de bijbel dus gemaakt zou hebben. Dat is echter niet het geval. Reeds voor de tijd van het NT is het OT zoals wij het kennen algemeen aanvaard als het gezaghebbende Woord van God. Er zijn wel enkele discussies uit het begin van onze jaartelling bekend over een enkel boek, waaruit blijkt dat men vragen had over het gezag van zo’n boek. Met name is er een Rabbijnse discussie bekend over Hooglied en over Prediker, met de vraag of zij ‘de handen bevuilen’. Wanneer een boekrol die voor synagogale lezing bestemd was, de handen bevuilt, wil dat zeggen dat men er niet aan mag komen, omdat het het heilige Woord van God is. De uitslag is helder: dat geldt ook van deze boeken. Belangrijker is het te zien wat er achter die discussie zit. Kennelijk was er over de andere boeken niet zo’n soort vraag.

Ook uit de eerste eeuwen van de kerk is er geen groot debat bekend over welke boeken wel of niet aanvaard moesten worden. De boeken van de bijbel hebben zich als gezaghebbend aangediend, omdat de Here daarin zelf sprak. De bijbel heeft de kerk gevormd, en niet andersom dus.

VCHIL HEBREEUWSE BIJBEL EN GRIEKSE VERTALING

Toch is er verschil gekomen in de vroege kerk tussen twee bijbels. In het NT wordt het OT aanvaard als het boek waarin de HERE spreekt. Uit de manier waarop citaten uit het OT worden aangehaald, blijkt het gezag van de Schrift als Woord van God. Jezus zegt tegen de schriftgeleerden: ‘Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het die van Mij getuigen’ (Joh. 5:39). Jezus laat vanuit de Schriften zien wat er over Hem geschreven is ‘in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen’ (Luc. 24:43). Hiermee worden steeds de boeken van het OT bedoeld zoals wij die kennen. Dat was de bijbel die in het Jodendom algemeen aanvaard werd. Uit het apocriefe boek Jezus Sirach blijkt dat dit reeds in de eerste helft van de tweede eeuw voor Christus grotendeels het geval was.

Daarnaast is er nog een andere bijbel gekomen. Dat komt omdat in de Griekse vertaling van het OT meer boeken zijn opgenomen, en omdat de vroege kerk de bijbel las in de taal die men kende — het Grieks. Zo zijn via deze vertaling een aantal boeken in gebruik genomen als bijbelboeken, die in het Jodendom en in het NT aanvankelijk niet hetzelfde gezag hadden. Dit heeft in het begin niet tot problemen geleid. Pas in de vierde eeuw komt de vraag op, of deze boeken in de officiële liturgie gelezen mogen worden. Door het algemene gebruik van de Griekse bijbel en omdat de Latijnse vertaling de apocriefe boeken ook heeft overgenomen, wordt het gewoon om al de boeken uit deze vertalingen in de liturgie te mogen lezen. Maar aan het eind van de vierde eeuw pleit de kerkvader Athanasius alsnog voor een beperktere lijst van de 39 boeken uit de Hebreeuwse bijbel, plus uiteraard de 27 boeken van het NT.

Het is te begrijpen dat men in de tijd van de Reformatie terugkeert naar de oorspronkelijke omvang van de bijbel, zoals deze ook door Jezus en de apostelen als het gezaghebbende Woord van God aanvaard werd. Vanaf die tijd heten de extra boeken uit de Griekse vertaling in de Rooms-katholieke kerk “deutero-canoniek” en in de protestantse kerken “apocrief”.

Vanwege het sterke accent op het gezag van de bijbel als het Woord van God wordt in de protestantse kerken het mindere gezag van de apocriefe boeken duidelijk verwoord (b.v. NGB art. 6).

NUT

Het bovenstaande wil niets afdoen van het nut van de apocriefe boeken. Dat nut is groot, als we denken aan de manier waarop we juist door deze boeken geïnformeerd kunnen worden over de periode tussen het Oude en Nieuwe Testament. De apocriefe boeken geven een inzicht in de veelkleurigheid van het toenmalige jodendom, in de geloofsverwachting en geloofsaanvechtingen, in de geschiedenis van de tijd vanaf de herbouw van de tempel tot aan de Romeinse tijd, en in de manier waarop men met de wet van God zocht te leven. Het is in veel opzichten het geestelijke klimaat, waarin Jezus en de discipelen hebben gesproken en hun geloof hebben beleefd. Alleen al om die reden bieden deze boeken veel goeds, waaruit we ook voor de beleving van ons geloof vandaag kunnen putten. De tijd van toen is in een aantal opzichten te vergelijken met onze tijd. Gods volk moest zich als minderheid in een vergrieksende samenleving staande houden. In de gebeden, in de hoop, in het leven uit de Schriften en in de levenswijsheid kunnen we een geloofsbeleving tegenkomen, die ons vandaag veel te zeggen kan hebben.

GLOBAAL

Het is goed om tenslotte kort per boek iets aan te geven. Heel globaal: in tal van handboeken en inleidingen bij de bijbel is hier veel meer over te vinden.

Het boek Judit beschrijft hoe een bevallige vrouw een generaal verleidt en doodt, waardoor zij een instrument is van Gods ingrijpen voor zijn volk. De historische gegevens kloppen niet. Nebukadnezar wordt genoemd als koning van de Assyriërs, terwijl hij een Babyloniër was en de bij hem genoemde generaal hoorde bij het Perzische rijk. Waarschijnlijk is het boek aan het begin van de tweede eeuw voor Christus geschreven.

Het boek Tobit (zelfde tijd) verhaalt hoe een vrome Jood arm en blind wordt. Zijn zoon Tobias krijgt de opdracht een verloren som geld te zoeken. Hij wordt op zijn tocht vergezeld door iemand die later een engel blijkt te zijn. Onderweg wordt een vis gevangen, waarvan de lever en het hart goed van pas komen, als Tobias trouwt met een vrouw, waarvan de eerste vijf minnaars in de eerste huwelijksnacht door een demon gedood werden. De lever en het hart dienen om de demon te verjagen. Thuis gekomen met zijn bruid blijkt de gal van de vis de blindheid van zijn vader Tobit te kunnen genezen. Dit verhaal wil aanmoedigen vol te houden in beproevingen. De strekking is wel erg fantastisch.

De Wijsheid van Salomo (begin eerste eeuw voor Christus), de Wijsheid van Jezus, de zoon van Sirach (ong. 180 voor Chr.) en het boek Baruch (ontstaan in een langere periode tot aan de eerste helft van onze jaartelling) zijn wijsheidsboeken die overeenkomsten vertonen met het boek Spreuken. Er wordt iets zichtbaar van de manier waarop men wilde leven uit de wet van God, maar er zijn ook erg oppervlakkige en te optimistische spreuken bij, die op gespannen voet staan met het geheel van Gods openbaring.

1 Maccabeeën (ong. 100 v. Chr.) wil een voortgang van de geschiedschrijving zijn vanaf de tijd van de ballingschap. Vooral het verzet tegen de goddeloze vorst Antiochus IV die de tempel ontwijdde, staat centraal. Bij de herovering van de tempel werd het chanoekafeest ingesteld. Dat wordt uitvoeriger beschreven in

2 Maccabeeën (iets later dan 1 Macc), met een oproep aan Joden buiten Israël dat feest te vieren. Het is opmerkelijk dat deze boeken, die de oorsprong van een voor het Jodendom belangrijk feest beschrijven, niet zijn opgenomen in de Joodse canon. Zij werden kennelijk niet als Woord van God ontvangen.

De toevoegingen op Esther en op Daniël en het gebed van Manasse zijn van verschillende data en voegen eigen accenten toe aan de bijbeltekst. Wonderen worden uitvergroot, gebeden worden uitgewerkt, bedoeld om het geloof te versterken, in een tijd waarin men iets van de tijd van Esther, Daniël of Manasse herkende. Het laat zien hoe men in perioden van benauwdheid met het Woord van God zocht te leven.

drs. M.C. Mulder (1960) is predikant te Goes en docent judaïca aan de Theol Universiteit van Apeldoorn

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.