+ Meer informatie

Oeganda, land tussen hoop en wanhoop

10 minuten leestijd

Langzaam vermindert de taxi, die mij van het vliegveld van Entebbe naar de hoofdstad Kampala brengt, z’n vaart. Snel en krachtig remmen is er niet bij, zo niet vanwege de ongetwijfeld versleten remvoeringen, dan wel in verband met de gladde banden. Net terwijl ik me afvraag waarom we stoppen, komt iemand in uniform vanuit de berm overeind. Ik ontwaar nog enkele geüniformeerde mannen, de meesten in het blauw, enkelen in camoeflagekleding. De taxichauffeur wacht rustig tot de politieman, want dat blijkt het te zijn, vlakbij de auto gekomen is. Zo vriendelijk mogelijk groet ik de agent. Dit is dus een ’road-block’, waarover ik al gehoord heb: een wegversperring waar militairen en politie alle passerende verkeer, ook fietsers en voetgangers, controleren. Vriendelijk vraagt de politieman naar m’n paspoort en bestemming. Ook mag ik even m’n bagage openmaken, maar echt lastig wordt het niet.

Terwijl dit alles in rustig tempo gebeurt, raakt een passerende fietser met een geweldige hoeveelheid kookbananen een klein deel van z’n vrachtje kwijt aan de militairen. Voor wat hoort wat en klagen kan alleen nog maar meer problemen geven. Eindelijk mogen we door. Ik zwaai naar de politieman en zijn collega’s van wie de meesten maar in het gras zijn blijven liggen.

Voordat we in Kampala kwamen, zouden we nog een paar ’road-blocks’ tegenkomen. Precies weten van te voren doe je het nooit, want nu eens zijn ze er, dan weer blijken ze opgeheven om elders te worden opgezet. Geen duidelijk herkenbare punten met een slagboom of iets dergelijks, meestal niet meer dan een kromme stok in de berm gestoken of een oud wiel op het midden van de weg gelegd.

En bij donker een heel klein petroleumlampje. Stoppen is echter geboden, want de wapens zijn geladen en de vingers rap, althans als ik de verhalen geloven mag.

Verhalen, die ook vertellen hoe Oegandezen horloges en andere kostbaarheden moeten afstaan onder bedreiging van de militairen of politie. In de praktijk schijnen de politiemensen nog het meest betrouwbaar. De militairen, van wie er nog heel wat uit het leger van dictator Idi Amin afkomstig zijn, zijn het meest corrupt en heel wat burgers zijn om een futiliteit vermoord, vrouwen en meisjes zijn lastig gevallen of verkracht.


Het afgelopen jaar bracht Jan van Doggenaar een bezoek aan het Oostafrikaanse land Oeganda. In dit artikel enkele impressies van land en kerk.


Amin

Oeganda kwam bij ons in Europa frequent in het nieuws toen het land in de jaren zeventig zuchtte onder het terreurbewind van president Idi Amin. Na een staatsgreep in januari 1971 was luitenant Amin aan de macht gekomen. President Milton Obote, die vanaf 1964 de macht had gehad, werd verdreven. Met de mensenrechten nam Amin het niet zo nauw. Roof en moord was aan de orde van de dag. Er wordt gesproken over tienduizenden tot enkele honderdduizenden doden. Al in 1972 werden zo’n 27.000 Aziaten met Brits paspoort uitgewezen. Wellicht heeft Amin bij die gelegenheid teruggedacht aan hoe hij als klein kind met z’n moeder vanuit het Noorden van het land naar Lugazi aan het Victoriameer trok, waar z’n moeder als zoveel anderen hoopte werk te vinden op de suiker-plantages en fabrieken van de Indische miljonairsfamilie Mehta.

Hoe langer het bewind van Amin duurde des te meer ging Oeganda de nacht in. De pers kwam onder strenge censuur, de vrijheid van meningsuiting en vergadering werd opgeheven, militaire tribunalen veroordeelden zogeheten tegenstanders van het regiem, zonder dat zijzelf een verdediger mochten uitkiezen. Ook de leiding van de Anglicaanse kerk ontkwam niet aan het lijden dat het land trof: in februari 1977 werd de aartsbisschop Janani Luwum vermoord.

Geen vrede

Toch hield Amin’s bewind niet stand. In april 1979 rukken Tanzaniaan.se legereenheden en troepen van Oegandese ballingen op naar Kampala. Op 11 april wordt de hoofdstad bezet en de president verdreven. Aan de rand van de stad zijn nog altijd aan de kant van de weg de wrakken van de legervoertuigen te zien uil de periode, die de Oegandezen ’de oorlog’ noemen.

De rust is echter niet weergekeerd. Delen van het vroegere leger van Amin terroriseren delen van het land, vooral in het Noorden; politie en militairen zijn niet te vertrouwen. Op een ochtend, enkele dagen na mijn aankomst, toen ik vanuit een buitenwijk van Kampala via het centrum naar een andere buitenwijk ging, bleek de hele binnenstad afgesloten. Massa’s politie-agenten en militairen waren op de been, om de paar honderd meter was er een ’road-block’. Het kostte uren om er doorheen te komen. Aangekomen op het kantoor van de Anglicaanse kerk hoorde ik dat er die nacht een overval was geweest, waarbij verscheidene mensen gedood waren. Op het kantoor was het nog stil. Verscheidene personeelsleden waren ofwel in de opstopping blijven steken, ofwel thuis gebleven. De mensen zijn bang, want een leven telt voor rebellen en andere tegenstanders van het huidige bewind niet zwaar. Vanuit de buitenwijk waar ik logeerde was er elke nacht het geluid van schoten te horen, meestal van automatische wapens.

Bij donker waagt in en om Kampala zich ook niemand graag op straat. En als je echt moet, dan laten sommigen de binnenverlichting van de auto aan, opdat anderen kunnen zien dat de inzittenden geen kwade bedoelingen hebben.

Kampala

De hoofdstad Kampala laat duidelijk zien in welke politieke en economische crisis het land nog steeds verkeert. De wegen zitten vol enorme kuilen, er staan hier en daar nog wrakken van legervoertuigen uit de oorlog van 1979, in het centrum zijn nog de ruïnes van uitgebrande winkelpanden. Hotelvoorzieningen zijn er nauwelijks en als ze er zijn dan is de kwaliteit uiterst slecht. In de winkels is wel weer behoorlijk wat te koop, maar tegen prijzen, die voor Oegandezen gigantisch hoog moeten zijn.

Rond Kampala zijn een aantal heuvels. Eén van die heuvels wordt ’Tank-hill’ genoemd, vanwege de reusachtige watertanks voor de drinkwatervoorziening van de stad. Dan zijn er vier heuvels, waar de religieuze bolwerken staan: één met een Bahai’ tempel, één met een moskee, Namirembe Hill met de Anglicaanse kathedraal en Rubaga Hill, waar vroeger het paleis van de koning van de Banganda stond, maar waar nu de Rooms-Katholieken hun kathedraal en ziekenhuis hebben.

Omgeven door die prachtige heuvels en met veel groen moet Kampala eens een schitterende plaats zijn geweest. Daarvan is nu echter weinig meer over.

Christendom

Wie zich verdiept in de geschiedenis van het Christendom in Oeganda (en overigens in geheel Oost-Afrika) zal tot de verrassende ontdekking komen, dat die nog maar 100 jaar oud is. Pas in 1862 brengen de eerste Europeanen een bezoek aan het hof van de koning (Kabaka) van de Baganda, Mutesa I. In 1875 geeft deze aan de ontdekkingsreiziger Stanley een uitnodiging door aan zendelingen van de Church Missionary Society, de zending van de Anglicaanse Kerk in Groot-Brittanië. Twee jaar later arriveren de eerste zendelingen. Zij krijgen onderdak aan het hol van de Kabaka, die bij de verkondiging van het Evangelie zelf als tolk optreedt. Zelf moet hij onder diepe indruk van deze Blijde Boodschap zijn geweest. ’Isa’ zei hij eens, dit betekent ’Jezus’, ’Isa, is er ooit iemand zoals Hij geweest?’

Aanvankelijk leek het werk van de Britse zendelingen succesvol, maar in 1879 keerde Kabaka zich af van het christelijk geloof. Wellicht was de reden hiervoor dat hij ziek was en zijn toevlucht nam tot de traditionele genezers, waardoor hij binnen de invloedssfeer kwam van de Afrikaanse religies. Overigens was hij nooit gedoopt, omdat hij weigerde zijn polygame levensstaat op te geven.

Vanaf 1879 waren de eerste Rooms-Katholie- ke missionarissen Buganda binnengekomen. Het waren Witte Paters uit Frankrijk. De verhouding tussen de Anglicanen en Rooms-Katholieken is altijd gekenmerkt geweest door concurrentie. Zelfs nu nog zijn er (helaas) tegenstellingen te bespeuren. Jammer in een land waar juist samenwerking tussen kerken een getuigenis zou kunnen inhouden naar de samenleving. Zelfs gedurende de terreur van Amin schijnen deze tegenstellingen bestaan te hebben. Zoals ook in de periode 1888–1892 toen er niet alleen strijd was tussen Moslims en Christenen, maar ook tussen christenen onderling. Christenen, zowel protestant als katholiek, die in 1885/86 zwaar werden vervolgd door de opvolger van Mutesa I, koning Mwanga. Tussen 100 en 130 christenen vonden de dood, door verbranding of door het zwaard. Enkele kilometers builen Kampala, bij het dorp Namugongo, waar de meesten stierven, staat nu een gedenkteken voor de martelaren. Momenteel is ongeveer de helft van de bevolking christen, waarbij de Rooms-Katholieken met 30% in de meerderheid zijn.

Lweza

Met Tom Obong’nam, de bouwkundige van de Kerk van Oeganda, zoals de Anglicaanse kerk hier heet, rij ik naar het dorpje Lweza, tussen Kampala en Entebbe gelegen, vlakbij het schitterende Victoriameer. Aan het oponthoud bij de ’road-blocks’ ben ik inmiddels gewend. Op enige afstand van de hoofdweg ligt het conferentiecentrum van de kerk. In het kader van het nationale programma dat de Kerk van Oeganda met hulp van anderen, zoals het werelddiakonaat van onze kerk, uitvoert, is hier een nieuw programma gestart, ’Learn as you earn’ heet het in het Engels:

’Leer terwijl je verdient’. Jongens van middelbare schoolleeftijd werken hier een jaar lang in de bouw om het vak te leren. Niet in theorie maar meteen in de praktijk, zoals de gezellen in de tijd van de gilden (en zoals in later tijd elke knecht bij z’n baas begon). De jongens komen uit de verschillende bisschoppelijke regio’s van de kerk en zijn daar geselecteerd. Overdag werken ze onder toezicht van twee opzichters aan de bouw van het conferentiecentrum: timmeren, metselen, tekeningen lezen, bestek maken, grondwerk, electriciteit, enz.

’s Avonds krijgen ze wat theorie. Het meeste gebeurt mondeling, waarbij de jongens aantekeningen maken, soms krijgen ze een stencil. Zo leren ze een vak, Na een jaar gaan ze terug naar hun dorp om daar voor zichzelf te beginnen of om de kerk van dienst te zijn bij het geven van leiding aan een groepje beginnelingen. Naar huis, niet met een fraai diploma op zak, maar met een set gereedschap en wat spaargeld. Zo wordt geprobeerd om jongeren klaar te maken voor de behoefte van de huidige Oegandese samenleving. Teveel jongeren willen een theoretische opleiding om daarna een goed betaalde kantoorbaan te hebben. En dat, terwijl dit land mensen nodig heeft die letterlijk werken aan de wederopbouw.

Nattetta

De meeste mensen in Oeganda leven van de landbouw. Vandaar dat een deel van het ontwikkelingswerk van de Kerk van Oeganda gericht is op het platteland. Met Bentin Kiwanuka, veldwerker van de Christian Rural Service, en Frank Rwakabwohe, projectmedewerker, ga ik naar het dorp Nattetta, zo’n 50 km ten noordoosten van Kampala. Bij een kleine bakstenen kerk stoppen we. Het comité van ontvangst staat ons voor het kerkgebouw op te wachten. Allereerst maken we een rondgang over het terrein. A1 enige tijd is een vrouwengroep hier actief, De vrouwen hebben een akker aangelegd die er goed onderhouden uitziet: bonen, maïs, wortels, zoete aardappelen, uien, koffie en bananen zijn enkele van de produkten. Hier leren de vrouwen uit de omgeving om op verbeterde wijze voedsel-gewassen te verbouwen en ook leren zij om het voedsel beter te bereiden.

Verder op het terrein is een gebouw in aanbouw, dat voor cursuswerk onder jongeren gebruikt moet gaan worden. Lopend langs een paar erven, waar de heerlijke geur van gebrande koffie op ons afkomt, komen we bij een nu nog overwoekerd stuk grond van wel 4 hectare. Hier zullen de akkers aangelegd worden voor de cursisten die het nieuwe centrum zullen bezoeken.

Terug bij de kerk worden we uitgenodigd om binnen te gaan. Er is een tafel gedekt en we krijgen een heerlijke maaltijd met rijst en banaan. Ondertussen worden verschillende toe-spraken gehouden, o.a. door de voorzitster van de vrouwengroep en de plaatselijke geestelijke.

Moeizame wederopbouw

Een paar impressies van Oeganda. Duidelijk is, dat het land moeizaam begonnen is aan de wederopbouw. Temidden van de politieke onrust en de economische crisis een moeilijke zaak. De Kerk van Oeganda draagt haar steentje bij, met vallen en opstaan. Het is goed dat we daarbij als hervormde kerk betrokken mogen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.