+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

5 minuten leestijd

14.

Prof Oosterhoff schrijft over de vloek, die de slang trof. We nemen uit zijn betoog het volgende over:

„Wanneer tot de slang gezegd wordt, dat hij op zijn buik moet gaan en stof eten, dan betekent dat dat hij in onderworpenheid moet blijven wie hij is en waar hij hoort. De slang is maar een slang en moet slang blijven.

Maar daarmee wordt niet alleen verachting en onderwerping uitgesproken over de slang, maar mede over heel de slangencultus en al de antigoddelijke machten en praktijken, die daaraan verbonden zijn. We kunnen zeggen, dat in het vonnis over de slang het vonnis wordt uitgesproken over de duivel en al zijn praktijken.”

Hier komen uiteraard vragen op. Toen God de vloek uitsprak was er nog geen sprake van slangencultus enz. Moeten we uit wat prof. Oosterhoff zegt opmaken, dat hij meent, dat de bijbelschrijver bij de weergave van de vloek-uitspraak rekening heeft gehouden met de situatie van Israël? Is de Heere hier aan het woord of de bijbelschrijver? Welke betekenis kunnen Adam en alle mensen, die vroeger geloofd hebben dan deze bijbelschrijver aan de vloek-uitspraak hebben toegekend? Of hebben ze die helemaal niet gekend? We willen niet meer vragen stellen. Laten deze genoeg zijn om te laten zien, dat we in feite geen openbaring overhouden, maar alleen een boodschap. Mogelijk dat we daar nog op terugkomen.

Verder zegt prof. Oosterhoff, dat het in de zgn. „moederbelofte” (Gen. 3 : 15) om meer gaat dan om de slang alleen. „Het gaat ook om een geestelijke strijd. De strijd tussen de anti-goddelijke machten en de mens. Dit blijft een strijd. De mens in het paradijs heeft zich gewonnen gegeven. Maar God zet de strijd door opdat niet allen zich gewonnen geven. Er zullen in die strijd velen vallen, maar er zal ook overwinning zijn.”

Opmerkelijk zijn die woorden: opdat niet allen zich gewonnen geven. We belijden toch, dat de mens de duivel toegevallen is, dat hij overwonnen is! Hij moet verlost worden. Prof. Oosterhoff wijst later terecht op Christus, Die alle machten overwonnen heeft. Hij is het ook, die door Zijn Geest de Zijnen uit de macht van Satan verlost en de gave van het geloof geeft. Dat mag vooral in onze dagen wel voortdurend duidelijk gezegd worden. Dat missen we hier. Wel zegt de schrijver: „En allen, die in Hem geloven, zullen met Hem overwinnen (Rom. 8 : 37)”. Dat is waar, maar dat geldt pas, wanneer Hij ons overwint door Zijn Woord en Geest.

Nu moeten we prof. Oosterhoff weer citeren. Het gaat over het spreken van de slang.

„Tenslotte kan nog de vraag gesteld worden of de slang in het paradijs werkelijk gesproken heeft. De beantwoording van die vraag hangt af van de wijze waarop men het paradijsverhaal verstaat. Indien het verhaal een historisch nauwkeurige weergave is van wat eenmaal aan het begin van de mensheidsgeschiedenis heeft plaats gehad, is er niets op tegen aan te nemen, dat de slang werkelijk gesproken heeft. Men moet niet zeggen: slangen spreken niet, dus is het paradijsverhaal niet werkelijk gebeurd. Dat is al te naïef. Al spreken slangen niet, de duivel kan gesproken hebben door middel van een slang. De duivel heeft ook door middel van mensen gesproken (vgl. Mark. 3 : 11 : 6 : 6 vv.), al ligt het bij een slang natuurlijk iets anders, daar deze van nature niet spreekt. Maar de ezelin van Bileam heeft ook gesproken (Num. 22 : 28), al is het ook weer waar, dat daarvan staat, dat de HEERE de mond van de ezelin opende. Zo iets staat er van de duivel en de slang in Gen. 3 niet. Maar we kunnen aannemen, dat de duivel in staat is een slang te doen spreken. Het is echter de vraag of dat de bedoeling is en of we in Gen. 2 en 3 te doen hebben met een historisch nauwkeurige weergave van wat eenmaal is geschied. In het voorafgaande vonden we reeds verscheiden symbolische trekken en daarom moeten we eerder denken aan een symbolische weergave, zij het van een diepe, historische werkelijkheid. En in een symbolische weergave spreken dieren als mensen zonder enig bezwaar. We hoeven slechts te denken aan het sprookje, wat niet betekent, dat Gen. 2 en 3 een sprookje is. In de fabel van Jotham spreken zelfs de bomen (Richt. 9 : 8 vv.). Maar dat maakt Gen. 2 en 3 niet tot een fabel. Gen. 2 en 3 hebben hun eigen aard en bedoelen. Op de achtergrond er van staat het kanaänietische slangengeloof en daartegen dragen zij een antithetisch karakter. Altijd al, van het begin af aan, is de mens door verleidende machten opgezet tot ongehoorzaamheid aan God.” Aldus de schrijver.

Wanneer we dit ontleden komt dringend de vraag bij ons op of de geleerde schrijver nog wel gelooft in de betrouwbaarheid en verstaanbaarheid van Gods Woord. Hij komt hier immers weer met de gedachte van de symbolische weergave van de werkelijkheid, geen historisch nauwkeurige weergave van wat eenmaal aan het begin van de mensheidsgeschiedenis heeft plaats gehad. Die twee dekken elkaar niet, ook al zegt de schrijver, dat we moeten denken aan een symbolische weergave van een diepe, historische werkelijkheid.

We willen in een volgend artikel hier nog op terugkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.