+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui!

Gideon 9 (Richt. 6 :13 v.v.)

De vorige keer hebben we gewezen op de noodzakelijkheid en het nut van het kennen van de geschiedenis. Gideon kende de geschiedenis van zijn volk, waar het antwoord aan de Engel een bewijs van is. Wij moeten deze „heilige geschiedenis” ook kennen.

Doch er is op dit terrein nog veel meer. De geschiedenis die Gideon blijkt te weten, was de geschiedenis van het volk Israël, waartoe hij behoorde. Wij behoren in nationale zin, niet tot het volk Israël. Wij behoren tot het volk van Nederland. Dat is weer een ander volk. Doch dat neemt niet weg, dat het volk, waartoe wij behoren ook een bizonder volk is. Het is wel niet op één lijn te stellen met het oude bondsvolk, zoals dit vroeger wel gedaan werd, maar het is toch een volk waarmede de Heere sinds eeuwen her, een bizondere bemoeienis heeft gehad. En dan kom ik op het terrein van de Vaderlandse geschiedenis. Ik weet niet of daar op de scholen ook nog veel aandacht aan wordt gegeven. Ik hoor zo wel eens verluiden, dat men die „droge” feitenkennis overtollige ballast vindt.

„droge” feitenkennis overtollige ballast vindt. Daar moet je de hoofden van de kinderen niet mee vermoeien. Ze hebben daar in het „heden” toch niets aan. Wat schiet je er nu mee op, zegt men, of je al weet dat Prins Willem van Oranje geleefd heeft, of niet? Daar heb je vandaag geen hap brood door. Nu, een dergelijke gedachte gaat er bij de jeugd wel in. Want over het algemeen, en dat is vanuit het standpunt van de jeugd wel te begrijpen, is men er echt niet „bik” op, om jaartallen te gaan zitten leren en zich in de geschiedenis te verdiepen.

Dat men er niet zo veel weet van heeft, zou op zichzelf nog niet zo erg zijn, als het niet zo was, dat God ook onze Vaderlandse geschiedenis heeft geschreven. Dat wil zeggen: God, Die eeuwig leeft, bestuurt de eeuwen door, ook alle dingen. Wie vanuit dat gezichtspunt, geschiedenis gaat bestudéren, doet echt geen „dood” werk, maar die krijgt oog voor des „Heeren werk”. En dat is, dacht ik, toch wel van betekenis. Wie daar niet meer van weten wil, is bezig om het hele leven los te maken, van Gods besturende hand. Hij heeft geen oog meer voor de zegeningen, die God gegeven heeft en nog geeft, en hij heeft ook geen oog voor Gods slaande hand, waarmede Hij ons volk bezocht heeft en ook nu bezoekt, uit oorzaak van de zonde, waardoor Hij tot toorn verwekt wordt.

De geschiedenis van het eigen land en volk te weten, is daarom echt geen „zinloze” zaak, omdat God er ook door tot ons spreekt. Wie Zijn sprake in de geschiedenis van ons volk op mag merken, kan er rijke lering uit trekken, en er winst mee doen voor de toekomst.

Nog een punt, wat hier ook niet over het hoofd gezien mag worden, is het feit, dat de geschiedenis van het volk Israël „verbondsgeschiedenis” is. God had met dat volk een verbond opgericht. In dat verbond had de Heere beloften gegeven en eisen gesteld. Wanneer dat volk nu in de wegen des verbonds zou wandelen, dan zou het in de zegen van het verbond delen. Wanneer het daarentegen dat niet deed, dan zou het in de oordelen delen, waarmede de Heere, krachtens Zijn verbond, het volk bedreigd had. Zij deelden er ook in tijdens des Heeren bezoek aan Gideon. De Midianieten, die als vijanden het land vervulden, waren uiteindelijk een tuchtroede in de hand van de verbondsgod. Zij ontheiligden, wat Hij had voorgeschreven, en daarom mochten zij gewis voor Zijne straffen beven. Het oude bondsvolk, dat het oud-testamentische verbondsteken droeg, namelijk het teken der besnijdenis, heeft geweten, dat het een Verbondsgod had.

Al kan nu van ons volk als zodanig niet gezegd worden, dat het het nieuw-testamentische bondsvolk is, wan de kerk geldt dat wel. En dan worden onze jonge mensen en ook de ouderen, er dadelijk bij betrokken. Want jullie weten allen, dat in het nieuwe testament, de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is. En jullie dragen allemaal, van kindsbeen af, het nieuw-testamentische verbondsteken, de Heilige Doop!

Dat is op zichzelf natuurlijk niet genoeg tot de zaligheid. Vele Israëlieten, zijn ondanks dat ze besneden waren, toch verloren gegaan, omdat ze de Verbondsgod niet wilden erkennen. Ja, het is hen zwaarder gevallen, om verloren te moeten gaan, dan de heidenen, met wie God zulke bemoeienissen niet gehouden had.

Zo is het nu ook. Velen die gedoopt zijn, zullen nooit zalig worden, omdat ze nooit het ware zaligmakende geloof in de God des verbonds beoefend hebben. Ondanks alles wat Hij aan hen gedaan heeft, zeggen zij openlijk of bedekt: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.

We mogen hier echt wel eens over nadenken, omdat bij deze zo belangrijke zaken, wij allen ten nauwste betrokken zijn.

God heeft ons door de doop afgezonderd van de wereld. De beloften van Zijn genade zijn aan onze voorhoofden betekend en verzegeld. Maar ook, wanneer wij niet komen tot het waarachtige geloof in die beloften, dat wij dan de verbondswraak hebben te vrezen. En ik geloof, ziende de praktijk van het leven, dat velen deze wraak hebben te vrezen. Ja, dan geldt ook nu nog, dat het Tyrus en Sidon verdragelijker zal zijn, in de dag des oordeels dan ons.

Ik zou hier willen vragen: Geloven we dat nog echt? Of: geloven we het wel? Wanneer we het wèl geloven, dan tillen we aan deze waarheden niet al te zwaar. We weten ons dan ook nog menigmaal „handig” er van af te maken, door te zeggen: Dat we er zelf toch niets aan kunnen doen. Dat is op zichzelf een waarheid, doch die kunnen we in het uur des gerichts, voor God niet staande houden. Want dan zal blijken dat we er alles aan hadden kunnen doen, en dat het onze „eigen schuld” is, dat we verloren zijn gegaan.

Zo leren diegenen het verstaan, die door de Geest Gods wederom geboren worden. Zij krijgen ogen voor de Verbondsgod, Die Zich met hen bemoeide, reeds van het uur van hun geboorte af aan, door toen al met Zijn belofte hen tegen te treden. Maar ook door hen Zijn eisen te stellen, namelijk dat ze in Zijne wegen zouden wandelen. En als dan ingezien wordt, dat de beloften niet geteld zijn en de eisen niet nagekomen, dan gaat men alle schuld toeëigenen, naar zich toe trekken. Dan keurt men zich waardig, dat de Heere niet één belofte vervult en dat Hij al de fiolen van Zijn toorn uit gaat gieten. Men gaat dan met David belijden: Ik ben, o Heere, Uw gramschap „dubbel” waard. Ik erken mijn schuld, die U tot straf bewoog. Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.

Men wordt het dan met Gods „slaande” hand eens. God kan de zodanigen dan geen kwaad meer doen, dan moeten zij nog zeggen, dat dit verdiend is. Wie zo de verbonds-„wraak” zich zich leert waardig keuren, die kan een verbonds„zegen” krijgen, maar dan uit „genade”! Dus niet uit verdienste aan de zijde van het schepsel. Maar wel uit de verdiensten van de Heere Jezus Christus, in Wien alle beloften „ja en amen” zijn. Men gaat dan op de beloften pleiten, wat men dan — en dit is het wonder — krachtens het verbond doen mag. Het zijn dan beloften, die door de Heilige Geest krachtig op het hart (voor de aandacht) worden gebracht, zodat dit pleiten een „gelovig” pleiten genoemd mag worden. Men gelooft dan echt, dat de Heere barmhartig is en zeer genadig, schoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig en groot van goedertierenheid. Men krijgt dan goede gedachten van God, Wiens goedheid nu ook hemelhoog gezien wordt, en dan voor zulk een mens, die het er zo oneidig slecht heeft afgebracht. Is dit bij jullie ook al „geschiedenis” geworden? Weet je daar bij ervaring (bevinding) iets van? Want daar komt het op aan. Dit is natuurlijk iets anders dan een koude redenering van „in het verbond zijn” en dan nu maar „geloven”, zonder dat er enige ware zielswerkzaamheden aan ten grondslag liggen. Dat wordt helaas ook gevonden. Doch het eind hiervan is niets anders dan de dood. Terwijl langs de weg van het ware beleven, het leven gevonden wordt, maar dan uiteindelijk „in Christus”. Ik hoop dat jullie iets van deze dingen verstaan. Dan krijg je een „persoonlijke verbondsgeschiedenis”. In die verbondsverhouding is er dan één die nooit meevalt, en dat ben jezelf. Terwijl er ook Eén is, Die nooit tegenvalt, en dat is de HEERE.

Het woord „geschiedenis”, afgeleid uit vers 13, houdt dus nog heel wat in. Denk er maar eens over na.

En dan maar weer tot de volgende keer.

Jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.