+ Meer informatie

Deconfessionalisering in het maatschappelijk werk

10 minuten leestijd

De redactie verzocht mij hierover iets in het blad voor ambtsdragers te schrijven.

Ik zou direct willen beginnen met twee aantekeningen te maken:

a. de titel impliceert dat de ambtsdragers, met name de diakenen, weten wat maatschappelijk werk is, en:

b. het geeft de indruk dat er inderdaad sprake is van een deconfessionalise ring: is dat zo en wat wordt er nu eigenlijk mee bedoeld?

Wat het vraagpunt onder a betreft, is mijn indruk dat men bestuurlijk — dus dit zijn niet alleen de diakenen — wel tracht mee te denken in de snelle ontwikkeling die het maatschappelijk werk heeft meegemaakt en nog steeds doormaakt, maar dat er op zijn minst gesteld kan worden dat er spra ke is van een bepaalde achterstand in het meedenken.

Dit is overigens niemand kwalijk te nemen en heel begrijpelijk, maar wreekt zich nu, zodat er nog een bepaalde achterstand valt in te halen, willen wij bij al de vragen die op ons afkomen een duidelijk Bijbels geluid laten horen. Om dus tot een goed hard maken van ons bovengenoemd onderwerp te kunnen komen, is in eerste instantie noodzakelijk enkele opmerkingen te maken over: wat nu eigenlijk maatschappelijk werk is naar de huidige vorm zoals die wordt uitgevoerd.

Het gestelde onder b moet ook eerst wor den doorgelicht willen wij straks verschil lende lijnen kunnen trekken en stelling nemen tegen een deconfessionalisering in het maatschappelijk werk. Want dat er vragen zijn op dit terrein zal ieder van ons duidelijk zijn. Het „christelijke” in het maatschappelijk werk heb ik in het novem bernummer van dit blad reeds betiteld als hét kernprobleem.

Nog een opmerking vooraf, dit artikel en de komende over deze zaken, zijn onder meer ontstaan vanuit verschillende gesprek ken met de werkers uit de praktijk.

Ontstaan van het maatschappelijk werk

Enkele historische gegevens:

De diaken kwam van ouds in aanraking met verschillende noden. Men voelde, voor al na de tweede wereldoorlog, mede door het ter hand nemen van de gezinsverzor ging, wel aan dat alle nood niet met een financiële bijdrage was goed te maken. Men ging ook helpen en wegen zoeken om de z.g. immateriële nood tot een oplossing te brengen. Maar bij deze pogingen betrad men daarmee een werkterrein dat, ook door de snelle industrialisatie en sociologische ontwikkelingen, al spoedig niet meer was te overzien.

Er werd aangevoeld dat afzonderlijke krachten op dit terrein aan het werk moes ten.

Diaconieën waren zeer actief en bijna overal werden er gereformeerde of prot. christelijke en zelfs vanuit onze kerken stichtingen voor maatschappelijk werk en/ of gezinsverzorging opgericht. Deze stich tingen waren geboren vanuit het diaconaat, zodat men vooral de eerste tijd vanuit de diaconie betrokken bleef bij de uitvoering van de werkzaamheden.

En de werkers? Het werd duidelijk dat zekere kennis vereist was om tot een goede uitvoering van het werk te komen. Zonder kennis van de resultaten en experimenten van o.a. de psychologische en sociale we tenschappen kwam men er niet.

Er werd gezocht naar bepaalde methoden. Diverse methoden vanuit Amerika werden getoetst op hun bruikbaarheid en veelal ter hand genomen ter begeleiding van het individu en de groep.

Dit alles maakte een opleiding noodzakelijk, zodat men nu ten minste vier jaren moet studeren voor het beroep van maatschap pelijk werker.

Deze snelle ontwikkeling in de richting van een goede vakkennis, is zondermeer toe te juichen. Het werd ook duidelijk dat deze Ontwikkeling veelal de afstand ging bepa len tussen het diaconaat en de beroeps kracht; tenminste dat constateren wij nu, maar in de beschreven ontwikkelings-fase van het maatschappelijk werk werd het helaas in de meeste gevallen nauwelijks of helemaal niet onderkend en dit is achteraf bezien jammer geweest om verschillende redenen.

Het zou interessant zijn breedvoerig in te gaan op diverse kerkelijke uitspraken, ge daan in het eind van de vijftiger jaren; het past echter niet in het kader van dit onder werp.

Ook onze synode 1956 gaf bij de instelling van een deputaatschap voor Algemene di aconale en sociale aangelegenheden, nu ADMA, dit deputaatschap o.a. de volgen de instructie mee:

„het bevorderen van kerkelijk maatschap pelijk werk”.

De synode van de gereformeerde kerken in 1957/’58 gaf ook verschillende richtlij nen met het oog op het oprichten van stichtingen voor maatschappelijk werk en zag hier toen duidelijk een taak en een plaats voor de kerk.

De vraag of het inderdaad een taak voor de kerk is laten wij nu ook rusten, ver schillende kritische kanttekeningen zouden te plaatsen zijn, zie b.v. het artikel van prof. dr. W. H. Velema in het boek „Woord en Kerk”.

Afgezien van dit probleem kan zondermeer gesteld worden dat men in bovengenoemde uitspraken duidelijk wilde honoreren dat er in het uitvoerend maatschappelijk werk een plaats moet zijn voor het Evangelie en dat de christelijke levensbeschouwing van ele mentair belang is. En daarvoor was nodig een christelijke opleiding en organisatie vorm. Deze visie is echter nu in het alge meen geschiedenis geworden en de vraag is in hoeverre dit juist is.

Met dit alles is nog niets gezegd over de vraag:

Wat is maatschappelijk werk?

Deze vraag zou ik in eerste instantie nega tief willen beantwoorden.

Het is geen liefdadigheid. Dit is wel een christelijke roeping, maar de cliënt bij het maatschappelijk werk is hiermee alleen niet gediend. Natuurlijk zullen wij moeten plei ten voor een warm kloppend hart bij de werker, hetgeen zeker niet verdrongen mag worden door een al te zeer bureaucratische instelling. In het maatschappelijk werk is ook geen sprake van armenzorg, hoewel ook dit aspect vanzelf bij financiële nood begeleiding vraagt en men zal verwijzen naar bepaalde instanties die deze nood kunnen lenigen.

Wat dit punt betreft is een goede relatie tussen de maatschappelijk werker en de diaconie op zijn plaats.

Maar als dit alles nog geen maatschappelijk werk is, wat is het dan wel? U zult begrij pen dat de beantwoording van deze vraag in positieve zin nooit in dit artikel volledig kan zijn en beperkt moet blijven tot enkele stellingen. Vanuit die stellingen kan dan nader worden toegelicht of de confessie al dan niet een rol speelt in de uitvoering van het beroep.

Naast de mogelijkheid om aan de hand van deze stellingen iets duidelijker te maken wat nu maatschappelijk werk is, zullen wij van uit deze punten ook het eigenlijke van ons onderwerp ter sprake moeten brengen.

In het boek „Van nummer tot mens” van mr. drs. H. B. v. d. Linden kwam ik de volgende omschrijving tegen. Natuurlijk zijn er meer, ik heb bewust deze keuze gedaan.

a. de vooronderstelling van een maatschap pelijke nood.

b. de hulp ter bestrijding van die nood moet op systematische wijze worden verricht.

c. de nadruk moet worden gelegd op het individuele karakter van de hulpverle ning n.1. van mens tot mens.

Aan de hand van deze normen willen wij het een en ander verduidelijken.

a. wat is een maatschappelijke nood?

Ik volsta ditmaal met een, zij het niet vol ledige, opsomming:. gezinsmoeilijkheden zoals huwelijks- en opvoedingsmoeilijk heden; onaangepast gedrag door migratie; financiële nood, omdat men meer uitgeeft dan mogelijk is; voor- en nazorg van ge handicapten; kinderbescherming; seksuali teit; alcoholisme; psychische stoornissen etc. etc.

b.c. eniǵe punten van werkomschrijving

Het maatschappelijk werk tracht een oplos sing van een maatschappelijke nood te zoe ken niet alleen voor de cliënt, maar veel meer met de cliënt. Door diverse gesprek ken zullen de feiten verzameld moeten wor den, zal men moeten komen tot een bepaald behandelingsplan; verschillende storingen moeten worden onderkend, verkeerde schuldgevoelens weggesproken; kortom zal men de mens trachten daar te brengen waar hij weer in volle vrijheid zelf zijn situatie aan kan.

Daarbij zal de maatschappelijk werker zo objectief mogelijk te werk moeten gaan. Dit is een vak-technische bearbeiding die de hoofdfunctie van het maatschappelijk werk wel wordt genoemd.

In zijn boek „Maatschappelijk werk in deze tijd” merkt de heer M. Traas terecht op: „het opmaken van een diagnose en hulp verleningsplan is een uitermate moeilijke, maar ook een zeer delicate zaak. Wanneer men zich vergist in de aard van de proble matiek, gaat ook de gehele hulpverlening in de verkeerde richting”.

Hier ontdekken wij m.i. ook een invalspoort van de noodzaak dit op een bepaalde ma nier te doen, namelijk als christen. Want wat verstaan wij onder een goed opgeleide kracht; kunnen wij hier volstaan met enkel een vak-technische begeleiding?

In het bovenstaande is uitgegaan van het behandelen van mens tot mens. De maat schappelijk werker zal er ook van uit moe ten gaan dat zijn cliënt moet leven in en vanuit relaties. Men maakt deel uit van een samenleving. De laatste tijd wordt hier ook meer aandacht aan besteed.

Al deze genoemde aspecten bij de uitvoe ring van het maatschappelijk werk — men zou dit kunnen noemen de inhoud van het werk — worden gevuld door een bepaalde antropologie (mensbeschouwing). Een niet onbelangrijk element, want hierbij komt direct de vraag naar voren, of er sprake is van een gemeenschappelijke antropologie of dat wij kunnen stellen dat in het chris telijk maatschappelijk werk sprake is van een eigen mensbeschouwing.

Ook dit punt zal in het kader van ons onderwerp nader moeten worden bekeken.

Verdere plannen,

Ik ben mij er terdege van bewust, dat met alles wat tot hiertoe is geschreven nog niets is gezegd over het eigenlijke van ons onder werp. Bovenstaande uiteenzetting was m.i. echter noodzakelijk, omdat wij toch enigs zins moeten weten wat maatschappelijk weik is (geen eenvoudige zaak) én omdat de werker zelf daar recht op heeft, indien wij moeten komen tot enkele stellingen tegen de huidige manier van behandelen.

Vanuit de gegeven werk-principes is het dan mogelijk om nader te bepalen welke invloed de confessie, of wilt u de levens beschouwing, heeft en moet hebben op het werk.

Wanneer dit punt is afgerond komen wij vanzelf tot de vraag of aan de Bijbelse eisen nu nog wordt voldaan in het werk zelf en, wat niet minder belangrijk is, van uit de opleidingen.

Dit alles zal moeten gebeuren aan de hand van praktische en concrete gegevens. Meer dere vragen komen dan aan de orde, zoals: welke organisatie-vorm is dan gewenst en inhoeverre heeft de kerk/diaconaat hierin (nog) een taak en plaats. Staan wij op een keerpunt?

Uit een vorige publikatie over de schaal vergroting hebt u kunnen merken dat deze vragen roepen om een duidelijk antwoord, ook binnen onze kerken. Wij kunnen niet al te lang meer blijven discussiëren op een manier die al te vrijblijvend is. U weet ook dat al deze punten binnen een werkcom missie van het B.O.C, en deputaten ADMA in behandeling zijn. Ik acht het daarom nodig, deze arbeid, waarbij ook ik zeer nauw betrokken ben, eerst verder af te wachten. Het zou onjuist zijn reeds de volgende maand bepaalde persoonlijke uitspraken te publiceren, terwijl de commissie dan vermoedelijk nog niet klaar is. Hierdoor zou ik de commissie al te veel aan banden leggen.

Over enkele maanden zullen er uitspraken van deputaten ADMA moeten komen, on dermeer ook gezien ons rapport aan de komende synode.

Dit wil niet zeggen dat de eigenlijke vraag niet zou worden behandeld. Ik geef u de verzekering dat dit zal gebeuren.

U moet echter ook aan het werk. Deze gehele materie moet u kunnen doorzien. Overleg met bestuurders in de diverse stichtingen is geboden. Besteed er eens een afzonderlijke diaconale vergadering aan.

U zult wel merken binnenkort dat er ook op dit punt heel wat van u gevraagd wordt.


DIAKEN-CONFERENTIE

Zaterdag 24 april in Amersfoort.

Ds. K. Boersma zal spreken over

UITTREDEN - AANTREDEN

Het diakenschap in een veranderende samenleving.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.