+ Meer informatie

Ouderlingenconferentie 1966

10 minuten leestijd

Waarde Broeders, hartelijk welkom op deze conferentie!

Het is mij telkens weer een bijzonder voorrecht zovelen te mogen begroeten op onze jaarlijkse toogdag. Deze keer vergaderen wij, zoals u weet bij wijze van proef, op zaterdag.

De conferentie van diakenen in het voorjaar mogen wij als redelijk geslaagd beschouwen hoewel wij gehoopt hadden dat het aantal bezoekers groter zou zijn. Na déze vergadering zal ons comité zich nu verder moeten beraden over de vraag of wij voortaan altijd op zaterdag gaan vergaderen of weer terugkeren naar een dag midden in de week.

Wanneer we zien op de ontwikkeling van ons conferentie-werk dan blijkt wel dat de broeders die, nu 37 jaar geleden, het initiatief namen om landelijke conferenties voor ambtsdragers te gaan organiseren hiermee goed werk hebben verricht.

Veel gegevens over die eerste jaren zijn niet bekend maar ’t kan bijna niet anders of er zullen, de voorzichtigheid t.a.v. „iets nieuws” in onze kring kennende, ook toen wel heel wat bezwaren geopperd zijn.

Men heeft echter doorgezet, kennelijk omdat er behoefte aan meer contact bestond en men de noodzakelijkheid van samen spreken en nadenken over de vragen, het ambtelijk leven rakende, terdege inzag.

In 1929 werd volgens de beschikbare gegevens de eerste conferentie gehouden. Later is het werk gesplitst en vergaderden ouderlingen en diakenen apart; dit bleef zo tot 1947. Toen werd één comité gevormd dat zowel de ouderlingenals diakenenconferenties ging organiseren. Onze secretaris die deze gegevens verzamelde tekent hierbij aan dat tot en met vandaag 13 gecombineerde conferenties zijn gehouden; verder 23 diakenen- en 19 ouderlingenconferenties in totaal dus 55 vergaderingen.

Het stemt tot grote dankbaarheid dat tot op vandaag toe de belangstelling nog steeds toeneemt.

Het is zeer belangrijk dat van vrijwel alle conferenties gedrukte verslagen of „handelingen” zijn verschenen. Deze handelingen zijn als regel aan alle kerkeraden toegezonden zodat, als ’t goed is. in de kerkeraadskasten een schat van studiemateriaal te vinden is.

Tal van referaten over onderwerpen welke voor de ambtsdrager belangrijk zijn kunt u daarin vinden zelfs meestal ook de vragen met de antwoorden welke daarop gegeven zijn.

Sinds wij in het bezit zijn van een eigen maandblad worden de verslagen dáárin opgenomen alsmede een groot aantal artikelen waarin getracht wordt de ambtsdragers te oriënteren en voor te lichten over vraagstukken waar zij in het ambtelijk leven mee te maken hebben. Sla er, zowel Diakonaal als Ambtelijk Contact nog maar eens op na.

Begrijpelijk waren in het verleden wel eens de vragen over de plaats van onze conferenties temidden van alle kerkelijke vergaderingen.

Het gevaar was n.l. niet denkbeeldig dat zaken behandeld zouden worden die thuishoorden op klassis of P.S.

Ik geloof te mogen zeggen dat het comité er in geslaagd is grensoverschrijdingen te voorkomen en dat mee daardoor de conferenties niet alleen konden blijven bestaan maar zich ook een goede naam in ons kerkelijk leven hebben verworven.

Voor diegenen die mogelijk nog maar kort ambtsdrager zijn en de ontwikkeling van ons werk niet zo van nabij hebben meegemaakt is het misschien goed iets van de werkwijze te vertellen. Het comité dat zowel de ouderlingen- als diakennenconferenties voorbereid bestaat uit 4 ouderlingen en 4 diakenen. Als regel wordt éénmaal per jaar vergaderd om de komende conferenties te bespreken waarna het moderamen voor de uitvoering der besluiten zorgt.

Hoewel terwille van de continuïteit veelvuldige wisseling van comitéleden niet gewenst is werd in onze laatste vergadering toch besloten tot invoering van verplichte aftreding in dien zin dat elk lid na een zittingsperiode van 4 jaar voor lx herkozen kan worden. Broeder Stafleu heeft alle kerkeraden hierover per circulaire ingelicht.

Ik geloof te mogen zeggen dat mede door het conferentiewerk, in onze kerken de belangstelling voor de ambten alsook voor de ambtsdrager is toegenomen. Het is nog niet zo heel lang geleden dat ouderlingen en diakenen hun eigen weg maar moesten zoeken en, omdat uit eigen kring vrijwel geen voorlichting werd gegeven, aangewezen waren op lektuur die in andere kerken verscheen en waarvan dikwijls een dankbaar gebruik werd gemaakt.

Natuurlijk kan men nu zeggen: toen kwamen zij er toch óók, maar er bleef vaak heel wat werk liggen of er werd op de verkeerde manier gewerkt. Gebrek aan goede voorlichting deed zich dan ook steeds meer gevoelen. We mogen zeer dankbaar zijn dat dit alles anders geworden is en wij nu gelukkig in de goede richting gaan.

Wel hoop ik dat bij de voortduur in pers en prediking nog meer aandacht geschonken zal worden aan de betekenis van de ambten en dat bezinning over ambtelijke arbeid steeds voortgang mag vinden.

Dit zal óók moeten gebeuren in kleinere conferenties waarbij ik dan denk aan onze classikale conferenties. Deze worden gelukkig steeds meer gehouden en als regel ook goed bezocht. Jammer dat lang niet altijd een verslagje van deze vergaderingen aan de redaktie van Ambtelijk Contact gezonden wordt. Wil men hier eens aan denken?

Dit alles neemt echter niet weg dat iedere ouderling ook aan zelfstudie moet doen en dat betreft wel allermeest het onderzoek van Gods Woord.

De opsomming van wat de ouderling te doen staat wordt in het bevestigingsformulier besloten met de woorden:

„Om hetwelk te doen de ouderlingen schuldig zijn Gods Woord naarstig te doorzoeken en zichzelf gedurig te oefenen in de overlegging van de verborgenheden des geloofs”

Laten we elkaar daar eens op aankijken broeders” Een andere zinsnede:

„Hebt acht op de onderhouding van de zuiverheid der leer en de vroomheid des levens in de gemeente des Heren ”

Verder:….„met goede raad den dienaren des Woords behulpzaam te zijn, ja ook met raad en troost alle gemene Christenen (wellicht beter gezegd de leden der gemeente) te dienen’

Als deze 3 zaken eens op de agenda van een kerkeraadsvergadering werden geplaatst wat zouden dan veel andere, als zijnde minder belangrijk, moeten blijven rusten

Ik dacht dat het ook de verslagen van huisbezoeken ten goede zou komen want we zouden ons meer bij de hoofdzaken houden waardoor in vele gevallen meer over de geestelijke toestand der gemeente bekend zou worden Ook zouden vele predikanten dacht ik minder eenzame figuren zijn als zij wat meer bemerkten van die goede raad en troost, al stem ik direct toe dat de bereidheid en openheid dan van beide kanten moet komen

Ik hoor meermalen deze opmerking, uit alle streken van het land: „er is zo weinig gelegenheid tot een goed, wilt u geestelijk, gesprek, zelfs met de predikant We praten altijd wel over de kerk, andere kerken, predikanten kerkelijke kwesties enz maar van een gesprek van hart tot hart komt zo weinig terecht Dit IS geen overdrijving, maar realiteit en ik zou u willen opwekken om de schuld, het tekort nu met bij de ander te zoeken doch laat ieder van ons maar bij zichzelf beginnen, dan komt ÓÓk het gesprek, waartoe natuurlijk onderling vertrouwen en wederzijdse liefde nodig zijn

In dit verband zou ik er ook op willen wijzen hoe noodzakelijk het is dat ambtsdragers regelmatig huisbezoek krijgen en dat het predikantsgezin van dat huisbezoek niet uitgesloten wordt

Wanneer de predikant geen tijd heeft (een motief dat door ons allemaal wel eens te vlug en teveel gebruikt wordt) om alle huisbezoeken mee te doen laat hij dan in elk geval wel meegaan naar de gezinnen van de ambtsdragers want dan ontmoet men elkander in een andere situatie dan rond de kerkeraadstafel Ook dáár zal het echter anders moeten dan nu veelal het geval is Herlezing en bestudering van de artikelen die Dr W H Velema hierover in A C geschreven heeft IS daartoe zeker aan te bevelen

„acht geven op de vroomheid des levens=” is méér dan alleen maar luisteren naar de vrome praat, het is ÓÓk letten op de klare daad Dat is geen eenvoudige taak in onze veranderende wereld (ook kerkelijke wereld) Een voorbeeW Het IS nog niet zolang geleden dat telkens weer op kerkelijke vergaderingen, synodi en classes, bij het rapport over geestelijke verzorging der militairen, aan deputaten werd gevraagd toch vooral aandacht te willen schenken aan het veelvuldig toenemen van het reizen op zondag en te proberen voor onze jongens te bereiken dat zij op maandagmoi gen mochten terugkomen zodat zij ook het weekend naar huis konden gaan

Dat wij daar nu weinig of niets meer over horen is m.i. niet te danken aan het feit dat deze mogelijkheid bereikt is maar veeleer omdat men zich erbij heeft neergelegd en nu ook maar op zondag is gaan reizen. Natuurlijk is het een moeilijke zaak. Onze jeugd kan blijkbaar veel moeilijker 2 of 3 vreken van huis af dan vroeger maar daarom dienen wij er toch wel aandacht aan te schenken. Of niet?

Met nog veel meer problemen en vragen wordt u vandaag geconfronteerd, „t Is heus niet alleen de jeugd uit de grote steden die in aanraking komt met vragen over de evolutie-theorie.

U krijgt of hebt zeker ook te maken met vragen over: geboorteregeling of -be-perking, al dan niet als gevolg van te weinig woonruimte. Onderwerpen als: nieuwe theologie, oecumene, Rome-Reformatie enz. kunt u maar niet zo voorbijgaan. Kreten slaken over een ontstellend gebrek aan „kerkelijk besef= ” helpt niets als we niet gelijktijdig proberen op huisbezoek en in persoonlijke gesprekken belangstelling voor eigen kerkelijk leven te bevorderen.

Ik ben dankbaar dat binnenkort een boek zal verschijnen van Ds. J.H. Velema over dit onderwerp en ik hoop dat het zich ervoor zal lenen om te bespreken op al onze verenigingen. Natuurlijk bent u allemaal in het bezit van een exemplaar van de D.K.O. en neemt u dat ook meermalen ter hand, maar wekt u ook de opgroeiende jeugd eens op om dit boekje te bestuderen en bepaalde hoofdstukken daaruit op de verenigingen te bespreken. Straks moeten zij immers onze plaats innemen in het brede kerkelijke leven?

Ik ben wat afgedwaald maar wil u toch vragen over deze zaken na te denken en ze met elkander te bespreken.

Bij mij kwam de vraag op toen ik hiermee bezig was of hier misschien de oorzaak ligt dat zovelen proberen zich aan de benoeming tot ouderling te onttrekken ’t zij uit onmacht dan wel uit onwil of gemakzucht.

Niet genoeg kan gewezen worden op de verantwoordelijkheid die we voor elkander hebben en de roeping om onze gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.

Dat geldt zowel voor het ambt aller gelovigen als voor het bijzondere ambt. Over onmacht sprekende geloof ik dat we daar allemaal wel over mee kunnen praten. Het moge ons dan echter bemoedigen dat wij ons dat ambt niet zelf hebben aangemeten en dat wij niet onszelf op die plaats hebben gebracht, integendeel.

Prof. Kremer schreef in A.C. van januari „62: „Het is een onderscheiding tot het ambt geroepen te worden en dit te mogen doen. De bevestiging in het ambt accentueert deze onderscheiding. Deze ordening tot het ambt is legitimatie. Wij komen in de wettige positie van deze dienst. Wij zijn bevoegd om wat tot onze dienst behoort, te doen binnen de daarvoor geldende grenzen. Wij mogen onszelf dan in vele opzichten onbekwaam achten, onbevoegd zijn we niet, we zijn gelegitimeerd.” Tot zover prof. Kremer.

Als we dit bedenken, telkens weer, zullen we ook met meer vreugde ons werk verrichten. We zullen het dan niet altijd „al zuchtende” doen, maar biddend om de kracht van Hem Die ons tot dienen riep zullen wij getrouw voort gaan, véél goeds sprekende van de Here, doorgevende hetgeen onze vaderen ons hebben verteld, de ouders opwekkende aan de kinderen te vertellen des Heren roemrijke daden en altijd weer te wijzen op de genade welke Hij in Jezus Christus aan zondaren heeft willen openbaren en nog steeds voortgaat te openbaren.

Zo zal ons werk, neen Gods werk dat wij mogen verrichten dienstbaar zijn aan de geestelijke groei van de gemeente waarin Hij ons tot zijn dienst geroepen heeft.

Met de wens dat u allen een goede conferentie zult hebben, dat wij in ware broederzin zullen mogen spreken over alles wat onze agenda vermeldt en dat wij gesterkt door dit samenzijn straks weer met te meer vreugde ons ambtelijk werk zullen voortzetten, verklaar ik deze conferentie voor geopend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.