+ Meer informatie

HOE OM TE GAAN MET FAMILIE VAN LEDEN DIE ‘AFHAKEN’?

8 minuten leestijd

In het vorige nummer van ons blad is nog eens de aandacht gevraagd voor enkele aspecten van een verdrietig gegeven: gemeenteleden die zich verwijderen van de Here en zijn dienst en die daarom voor de kerkenraad aanleiding zijn om zich af te vragen: hoe moeten we met deze broeder of zuster of met dit gezin (ook dat komt met regelmaat voor!) verder? Ik noemde daar toen al het punt van de familie van de betrokkene. In dit artikel vraag ik voor dat gegeven apart aandacht.

GENADE IS GEEN ERFGOED

Iedereen weet het: genade is geen erfgoed. Voor met name oudere ambtsdragers is die terminologie niet vreemd: zij werd vaak gebezigd in het kerkelijk leven. Anderen lezen de term misschien voor het eerst zo, maar ze kunnen zich er ongetwijfeld alles bij voorstellen: het gegeven dat een huwelijk op christelijke wijze begint, dat de zaken van geloof en bekering in dat huwelijk hoog genoteerd staan, dat er bij het ontvangen van kinderen doopbeloften worden afgelegd en dat die in de praktijk ook serieus worden genomen… het is allemaal geen garantie dat onze kinderen (kleinkinderen) tot geloof zullen komen. Ik schrijf dit artikel in de periode dat er in vele gemeenten belijdenisdiensten plaatsvinden. Net als bij doopdiensten let ik er al vele jaren op dat in een dergelijke dienst ook aandacht wordt gegeven aan hen die met gemengde gevoelens meemaken wat er daar gebeurt: ze hebben blijdschap in hun hart voor de zegen die er in de gemeente mag zijn, en voor de direct erbij betrokken families, maar… ze hebben verdriet in hun hart omdat ze zó graag hun eigen nageslacht daar vooraan in de kerk zouden zien staan. En wat is er voor gebeden…

DE BIJBEL OPEN

Al snel tijdens mijn predikantschap kwam ik in aanraking met dit geestelijke probleem. Het geeft heel grote vragen. Daarbij is de vraag: wat heb ik verkeerd gedaan, niet de minste. Ook kan er twijfel rijzen aan de kracht van Gods beloften, aan de waarde van de doop enz.

Wat heb ik verkeerd gedaan…? Die vraag kan iemand ten diepste alleen voor zichzelf beantwoorden. Elke kerkenraad kent wel in zijn gemeente een gezin waarvan men denkt, gezien de dagelijkse praktijk daar: het zal een groot wonder zijn als er geestelijk van dat gezin nog iets terecht komt. Maar iedere kerkenraad kent ook gezinnen waarvan men denkt: het zijn sieraden van de gemeente, en hoe komt het nu toch dat dit toch niet (geheel en al) leidt tot het doen van geloofsbelijdenis van (één of meerdere) kinderen? En welke kerkenraad kent niet de geestelijke moeiten in dit opzicht in een gezin van één van de kerkenraadsleden, inclusief de predikant?

Het hoeft ons niet te verwonderen dat het ons voor geestelijke raadsels stelt. Neem nu de tijd van de profeet Samuël. Hij wordt geroepen in de periode van het priesterschap van Eli. Deze Eli had twee zonen, Hofni en Pinehas. Zonen van de priester, maar ze gingen bepaald niet in een positief geestelijk spoor: de Bijbel schrijver noemt hen ‘nietswaardige lieden; zij rekenden niet met het recht van de HERE…’ (1 Sam. 2:12v). Misschien zegt iemand: dat hoeft ons ook niet te verwonderen: wat deed hun vader aan de geestelijke opvoeding? Wel, in 2:23-25 wordt ons daar wel iets van gezegd, maar veel helpt het blijkbaar niet. En we krijgen ook niet de indruk dat Eli er vervolgens ‘veel aan deed’: 2:29. Ook het gegeven dat hij het contact dat God met Samuël maakt niet herkent, pleit niet voor een hoog geestelijk gehalte bij deze priester. De conclusie lijkt voor de hand te liggen: de jongens groeien geestelijk op voor galg en rad.

Maar vervolgens wordt Samuël volwassen, bekleedt een geestelijk ambt, dat van profeet, en sticht een gezin. Van hem krijgen we een heel andere indruk. Een geestelijk sterke man. Dat zal toch zijn positieve weerslag hebben op zijn gezin, zou men denken. En vervolgens lees je met verbijstering in 1 Sam. 8:3: Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen. Het is trouwens een geestelijk groots moment wanneer Samuël, oud en grijs geworden, deze geestelijke nood persoonlijk in de kring van het volk neerlegt, in 12:2 – ‘Ik ben oud en grijs geworden, en zie, mijn zonen zijn bij u…’. Ambtsdragers hoeven hun gezinsproblemen niet voor de gemeente verborgen te houden. Het zou zelfs wel eens zó kunnen zijn dat het respect voor hen toeneemt wanneer zij open zijn in tere dingen die henzelf of hun gezin raken (zonder dat ze daarmee natuurlijk de vertrouwelijkheid binnen het eigen gezin schenden).

Waar het mij om gaat: niemand kan de bekering van zijn/haar kind afdwingen of voorspellen. Wij zijn verantwoordelijk voor geestelijke leiding, maar het blijft waar: genade is geen erfgoed… Daarbij mogen we twee dingen in het oog houden. die men beide vindt in 2 Tim. 2:12v; de ernst van de zaak: indien wij Hem zullen verloochenen, zal Hij ook ons verloochenen – maar ook trouw van God: indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want zichzelf verloochenen kan Hij niet.

DE FAMILIE

Op dit punt aangekomen ga ik nu een stap verder: er moet iets gezegd worden over de effecten die een procedure tot uitschrijving wegens randkerkelijkheid heeft op familieleden, speciaal ouders – want niet zelden betreff het kinderen van leden van de gemeente, leden dus die deze kinderen ooit bij het doopvont hebben gepresenteerd en het jawoord voor een christelijke opvoeding hebben gegeven.

U zult in de pastorale praktijk proeven hoezeer ouders betrokken zijn bij het geestelijk wel (en wee…) van hun kinderen. Dat betekent ook dat soms op het eerste gezicht vreemde dingen gebeuren. Een voorbeeld: een ouderling komt op huisbezoek, heeft goed het aantal gezinsleden in zich opgenomen en constateert dat er twee oudere kinderen ontbreken. En die had hij toch graag gesproken, want… ziet hij ze nog wel in de kerk de laatste tijd? Hun namen worden ook niet ter sprake gebracht, dus op een gegeven moment doet hij dat zelf. Dan blijkt dat deze kinderen al een tijdje lang op zichzelf wonen, maar noch zij zelf, noch hun ouders heb ben dat bij de scriba gemeld. Waarom niet? Antwoord: dan wordt dat misschien de inleiding tot ‘uitschrijving’… Men kan zich de angst daarvan heel goed voorstellen. Zit er iets achter van een wantrouwen jegens de kerkenraad? Dan zal dat eerst weggeruimd moeten worden. In die situatie moet er toch eerst eens rustig met deze ouders worden gepraat. Er kunnen allerlei misverstanden zijn: welke kerkenraad zal ‘in tijd van ja en nee’ hun kind zo ‘aanpakken’? Anderzijds: kinderen kunnen in het volwassen worden toch niet blijven leunen op het geloof van hun ouders? Een duidelijk beleid en de wetenschap dat de kerkenraad echt niet over één nacht ijs gaat, en niet wil afsnijden, maar juist wil behouden, zal helpen om de verlegenheid te doorbreken.

En dan zal er ook ruimte moeten komen over een gesprek over het toedekken van een geestelijk probleem (want toedekken is toch aan de orde wanneer dit zo gebeurt), waarmee dat probleem op geen enkele manier verholpen wordt. Men maakt het ongewild zelfs erger, want de kinderen hebben niets meer van de gemeente gemerkt na hun verhuizing: niemand weet immers waar ze zijn?

Geef de familie aandacht

Het zal aankomen op een zorgvuldig pastoraat en het betrekken van de hele gemeente bij dit alles. Dit zal bij ouders (en ook grootouders!) de overtuiging geven: de kerkenraad doet wat hij menselijkerwijs kan. En dat is erop gericht dat hun kind/kleinkind de stem van de Goede Herder weer zal gaan horen en zal gaan verstaan! Een kerkenraad zal ook nooit al te snel tot een procedure tot uitschrijving overgaan, zeker niet wanneer het jonge mensen betreft. Als de familie dat proeft, zal dat ook meehelpen begrip op te brengen wanneer het toch onverhoopt tot een beslissing tot uitschrijving moet komen.

En ook dán zal het zaak zijn dat familieleden hier niet achter komen via de uiteindelijke mededeling in het gemeenteblad bij de rubriek ‘uit de gemeente’ of bij de gegevens van de kerkelijke stand. Het is aan te raden dat, wanneer een gemeentelid zelf aangeeft dat het geen lid meer van de gemeente wil zijn, dat de kerkenraad hem of haar er dan op attendeert dat het zelf hierover het gesprek met de ouders aangaat. Een dergelijke wens moet immers gerespecteerd worden en het is erg pijnlijk wanneer ouders dat dan voor het eerst vernemen via het gemeenteblad.

Vaker gebeurt dat de kerkenraad moet constateren dat contacten met randleden niets opleveren en dat hij dan zelf de conclusie moet trekken: blijkbaar heeft de betrokkene zich onttrokken. Dan zal de kerkenraad zelf via de wijkouderling of bezoekbroeder er zorg voor dragen dat ouders informatie krijgen over wat er staat te gebeuren. Soms gebeurt het dat dezen verzoeken ‘nog even te wachten’. Bijvoorbeeld omdat men redenen heeft om aan te nemen (of te hopen) dat er een verandering in opstelling is te verwachten. De kerkenraad houdt hierin echter wel te allen tijde zijn eigen verantwoordelijkheid, maar wil zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, familieleden ‘geestelijk meenemen’ of in ieder geval respect vragen voor zijn besluit. Overigens is de aarzeling van de familie zó goed te begrijpen: het gaat om je eigen vlees en bloed en om geestelijk ontzagwekkende dingen! Daarom mag ten slotte gewezen worden op de kracht van de voorbede in de zondagse samenkomsten van de gemeente.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.