+ Meer informatie

HIJ IS OPGESTAAN

7 minuten leestijd

(Marcus 16 : 6b)

Paasmorgen, morgen der verrijzenis. „Als het begon te lichten”, zo vangt het Paasevangelie aan.

De zon, op Goede Vrijdagavond in een bloedwolk ondergegaan, gaat weer verrijzen aan het firmament. De Oosterkimme begint te ichten. Purperen strepen worden gezien, die als zovele herauten de komst van de dagvorstin voorspellen.

Paasmorgen, o laat ons bedenken wanneer we de dag zien aanlichten, de zon zien verrijzen, dat het alleen is omdat er een morgen der verrijzenis is.

Deze aanlichtende dageraad, deze opkomende zon, ze zijn het beeld van Hem, Die reeds door Maleachi geprofeteerd werd als de opgaande Zonne der gerechtigheid, Die in de duisternis van de Kerstnacht is verrezen aan het firmament van vrije genade.

Die op Goede Vrijdagavond in een wolk van bloed is ondergegaan, maar op de Paasmorgen verrijst „met de lichtglanzen van de Eeuwige, tot vrijmaking van Gods Kerk, tot rechtvaardigmaking des zondaars voor God”.

Kerstnacht, beeld van onze nameloos diepe ellende. Goede Vrijdag, het predikt mijn bergenhoge schuld voor God. Paasmorgen, de dageraad van het genadelicht.

Doch lezers, zullen wij de vruchten van het Paasfeit voor eigen hart ervaren, dan zal dat ook zo in onze ziel uitgewerkt moeten worden. Voorwaar, wiens voeten ooit gericht werden op het smalle pad dat naar Sion voert, zal het niet anders gaan.

Er mag onderscheid zijn in de toeleidende wegen. In deze punten echter vinden zij allen overeenkomst.

Daarom, nooit kan er Paasvreugde in de ziel zijn, nooit opstanding van de nieuwe mens, vóór hij ontdekt is aan de oude mens. Nooit tot het licht van de Paasmorgen, dan alleen door de Kerstnacht van ontdekking en de Goede Vrijdag van zelfkennis. Nooit tot de vrijmaking, nooit tot de volle vrede, dan alleen in deze weg.

Zo wordt het feit der opstanding in onze ziel uitgewerkt, om te leren: Die opgewekt is tot onze rechtvaardigmaking. Ziet het maar bij de vrouwen, die de Paasprediking beluisteren en straks zich in het Paaswonder zullen verheugen. Het zijn zielen die leven bezitten, doch nog wandelen in de duisternis.

Ze geven ons het beeld van de bekommerde kerk. O, mochten we deze vrouwen volgen, mochten we slechts delen in hun liefde, hun geloof. We zouden dan ook met die vrouwen als met de ogen van onze ziel schouwen in een ontsloten grafgewelf. Maar ook met de oren onzer ziel beluisteren: Hij is opgestaan. Deze vrouwen spoeden zich naar het graf. Het blijkt uit alles, dat hun oog gesloten is voor de verrijzenis van de Zaligmaker. Ze kwamen met specerijen, om het lichaam van hun beminde Zielevriend te zalven. Neen, ze hadden niet kunnen denken dat er andere specerijen waren, n.l. die van geloof, rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomene verlossing. Specerijen, waarvan de bruid uit het Hooglied zegt: „Als de Koning aan Zijn ronde tafel zit, geeft mijn nardus haar geur”.

De namen dezer vrouwen staan ons vermeld. Ten eerste is daar Maria Magdalena, uit wie de Heere zeven duivelen geworpen had. Wel mogen we haar toeroepen: O Maria, ware Jezus niet opgestaan, dan was uw zaak verloren, dan waren de duivelen weer in u teruggekeerd. Doch Hij, Die de sleutel Davids draagt, heeft ook voor u overwonnen. Vrees niet. Jezus is opgestaan. Voorts worden ons genoemd Maria, de moeder van Jakobus en Salome, beiden vrouwen, die de Heere dienden van hun goederen. Dat zij hier mede optrekken blijkt wel, dat er een band ligt die hechter is dan die van de aarde.

Zo trekken zij dan op, maar ook, dan overvalt hen de beklemmende gedachte en ze zeggen het tot elkander: Wie zal ons de steen van het graf wentelen? Met deze vraag nu roeren deze vrouwen de diepste levensproblemen aan, waarvan de oplossing voor 's mensen rust noodzakelijk is.

Vooreerst is daar de vraag van een ontdekte ziel: Wie neemt mijn schuld weg? Hoe wordt ik rechtvaardig voor God?

Dat is de steen, die loodzwaar drukt op het hart van de zondaar. Vervolgens de vraag: Wie lenigt mijn smart? Gods volk iseenkruisdragend volk. Gods weg en onze weg kruisen elkaar. Hier wordt het kruis gevormd. Waar nu vind ik balsem voor al die wonden? Waar vind ik troost in al die smart?

Tenslotte is dan die vraag: Wie redt mijn ziel van het graf? Wie verlost mij van de dood? Wij allen toch gaan in tot des grafs verslindende mond. Het is een onafgebroken sterven, één weg voor allen.

Het graf dat zo vreselijk dicht gesloten is als in de hof van Arimathea, met een deur, een steen en een zegel. En zo rijst de klacht na de donkere paradijsnacht van Edens hof: Wie zal ons de steen van het graf afwentelen? Doch hier hoor ik van de hemel deze vragensmoede mensen toeroepen: Zwijg alle vlees voor het aangezicht des Heeren! Want hier beluisteren wij het antwoord des hemels op het vragen der wenende aarde: Weent niet, ziet, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen. Hij is opgestaan, want toen de vrouwen haar ogen ophieven, zagen zij dat dit diepe mysterie voor hen en met hen voor de ganse kerk Gods ontsloten was. Want ziet, de steen was afgewenteld. En in plaats van op de steen, blikken zij nu in een geopend grafgewelf. Hier zie ik alle neergebogenen, door schuldbesef getroffenen en verslagenen, alle bedroefden van geest, door de Paasengel de beker der vertroosting toegereikt. Zij ontvingen door de boodschap van de engel sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwde geest.

Gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was, Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Christus, beladen met de schuld van Zijn kerk, is afgedaald in het graf, met die schuld. En waar is die schuld gebleven? Ze is achtergebleven in het graf. Het is een begraven schuld. Maar ook Christus' verrijzenis is de bron van heiligmaking. Zijn opstanding is de kracht tot een nieuw godzalig leven.

Een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is.

Hier is ook een antwoord op de vraag: Wie lenigt mijn smart? Hier alleen is balsem voor al uw wonden. Hier is genezing voor al de kwalen en plagen uwer ziel. En hier klinkt van het geopende graf het kruisdragend Sion tegen: Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. Dat deed de godzalige Rutherford (die tijden lang om des geloofs wil in de gevangenis in Schotland moest zuchten) uitroepen: „O zoet kruis van Christus. Ik stap met mijn kruis al zoetjes aan naar huis”.

Christus toch heeft het kruis verdragen en de schande veracht. En door Zijn opstandingskracht leren zij de overblijfselen van Christus' lijden dragen. Om door Zijn lijden geheiligd te worden.

Tenslotte, hier is ook een antwoord op de vraag: Wie redt mijn ziel van het graf. Christus is het. Die de dood door Zijn dood heeft gedood. En Zijn opstanding is het onderpand en de verdienende oorzaak van de zalige verrijzenis voor al Zijn volk. Waarom Paulus mocht uitroepen: Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? Het ledige graf is uw troost, o bruid van Christus. Geen balsem, geen dode Jezus, maar een opgestane Paas- en Vredekoning, waarin de kerk in leven en sterven mag hopen en roemen. Wie is het die verdoemt? Christus is het Die opgewekt is. Die ook ter rechterhand Gods zit, Die ook voor ons bidt. Zo dan, gij die iets van deze zaken geleerd hebt, vertroost elkander met deze woorden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.