+ Meer informatie

UIT DE PRAKTIJK

5 minuten leestijd

38.

Wat beleven we toch een droevige tijd, als je rondom ziet moet je wel zeggen „waar gaat het heen”; hetgeen vroeger niet kon en niet mocht is nu gemeengoed geworden. Ziet dat ook op Kerkelijk gebied; ik herinner mij, hoe hier vroeger in de afgescheiden Kerk predikanten gestaan hebben, die de Waarheid recht gepredikt hebben, toen werden er nog mensen bekeerd, en zaten er nog velen van Gods volk onder het gehoor, en als ik nu het oude Kerkgebouw daar zie staan, dan denk ik wel eens „hierin hebben onze vaders de Heere geloofd en geprezen, daar heeft de Heere door Zijn Geest ontdekkend, bekerend en zaligend gewerkt”, wat is er nu veel veranderd.

Zo sprak ongeveer 30 jaar geleden een oude man op huisbezoek. Wij hadden al reeds een persoonlijk gesprek gehad met deze oude man aangaande de eeuwige zaken, waaruit we konden opmerken de leidingen Gods in zijn leven, en daarop terugziende, werd bovenstaande klacht geuit. Wij hebben daarop geantwoord, dat wij door overlevering niet geheel onkundig waren van deze dingen, aangezien mijn overgrootvader vele jaren in die Kerk gediend heeft als ouderling onder die predikanten, die met ere werden genoemd, en die deze oude man in zijn jeugd heeft gekend, en bij wien hij ter Catechisatie heeft gegaan. Hij verhaalde, hoe voorzichtig deze mensen handelden met zielen waarvan gezegd werd „hij of zij is tot verandering gekomen”. Hij vertelde van een vrouw, die ook wij in onze jeugd gekend hebben. Onder de dienst van één dier predikanten werd zij overtuigd van haar verloren staat, en toen de Heere haar verder bearbeidde, kreeg zij te zien dat er ook voor haar nog een mogelijkheid was om zalig te worden, en mocht zij als van verre zien, waarin de zaligheid gelegen was. Zij ging dit zeer verblijd mededelen aan de Kerkeraad. En hoe is dan een mens in zulke omstandigheden. Vol vuur, en er is geen krimp. De ouderlingen luisterden met aandacht; niemand sprak haar tegen; wel werden enkele eenvoudige vragen gesteld; men hoorde en gevoelde een werk des Heeren in deze vrouw. Bij het afscheid nemen zeide één der ouderlingen „geniet maar het goede ten dage des voorspoeds”, en verder sprak hij niet.

Na het vertrek van deze vrouw, spraken de broeders over hetgeen deze vrouw verteld had; zij waren verblijd met de blijden. Een mens is schoon met heengeen hij heeft, niet met hetgeen hij niet heeft. Ingenomen met hetgeen vernomen was, spraken zij voorzichtig „laat dit maar eens overzomeren en overwinteren.”

Maar de vrouw was niet erg voldaan vertrokken; volgens haar woorden, had zij verwacht dat de ouderlingen een grotere ingenomenheid zouden betoond hebben, met hetgeen door haar was verteld; maar na enige tijd, nadat de Heere haar verder onderwezen had, en zij meer inzicht had verkregen in de leidingen Gods met haar, zeide zij „wat waren dat wijze mannen, wat waren die voorzichtig”, want wat lag ik er toen voor open, om met die weldaad groot te worden, maar nu hield de Heere mij kort, en schonk mij een aanklevend leven; ik dacht dat ik alles bezat, maar de levendigheid ging wijken, en ik kreeg te doen met mijn verdorven bestaan, en werd soms bang, dat ik zaken besproken had, die mij niet geschonken waren. Kijk, toen ik zoeven zei, wat beleven wij een donkere tijd, dacht ik aan ontmoetingen met mensen, die hoog opgaven van hun geestelijk leven, en door mensen op een hoogte schijnen gesteld te zijn; men zegt wel eens „die omhoog gevaren zijn met hoog water”. Ik begrijp uw bedoeling, vriend, men hoort soms toestanden vertellen, waarvan je zeggen moet „waar blijft de zonde en schuld", men spreekt zo gemakkelijk over de Heere Jezus, alsof Hij zo maar te grijpen is; het ware volk des Heeren heeft het geleerd, dat zij bij God in de schuld staan en dat om eigen schuld, en dat het een eeuwig wonder is dat er Eén is geordineerd om de zonde en schuld voor Zijn volk te dragen, dat Hij het Geschenk is uit het welbehagen Gods. Het heeft de Heere behaagd Zijn volk ordelijk te onderwijzen, en het is de praktijk, dat dat volk door de Heere van stuk tot stuk geleid wordt. Daarin worden zij in zichzelf niet rijker, maar wel armer, ja het is ook in het persoonlijk leven Waarheid, wat de Heere in Zijn Woord heeft gezegd: maar Ik zal in het midden van U doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op Mijn Naam betrouwen. Wij hebben wel mensen ontmoet, die ons vertelden, nadat de Heere een werk in hun harten begonnen was, zij naar mensen zijn gegaan, die hun voorspraken dat zij nu alles bezaten, en zij geloofden dat nog ook, maar de Heere liet Zijn werk niet vatussen een lange tijd er dor en dodig daarheen ren, dat is later wel gebleken; zij kregen te zien hoe zij door mensen bepraat waren, maar onderleefden, totdat de Heere hen weer bezocht, en zij hierover in de schuld voor God kwamen.

De Heere wil in Zijn goedheid wel mensen gebruiken als middelen, om een hand en een voet te zijn voor de naasten, maar er zijn mensen, die Zich aan zulke zielen opdringen, en graag een Naomi voor Ruth, en een Jonathan voor David willen zijn; maar zal dat mogen gebeuren, van God vandaan, dan wordt er een band gelegd waar beiden kennis van dragen.

Juist man, daarom is het zo’n groot verschil, als de Heere werkt, met wie men in aanraking komt onder de mensen; want de bekering is wel eens op te merken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.