+ Meer informatie

Nicea blijft actueel

10 minuten leestijd

325 - 1975

Wij geloven in één God, de almachtige Vader, Schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen;

en in één Here Jezus Christus, de Zoon van God, die uit de Vader geboren is als de eniggeboren Zoon, dat is uit het wezen van de Vader, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet geschapen, één van wezen met de Vader, door wie alles geworden is wat in de hemel en wat op aarde is, die om ons mensen en om ons behoud is neergedaald en vlees geworden is, mens geworden is, geleden heeft en op de derde dag is opgestaan, is opgevaren naar de hemel en wederkomen zal om levenden en doden te oordelen; en in de Heilige Geest.

In 1975 was het 1650 jaar geleden, dat het eerste oecumenische concilie van de christelijke kerk met grote eenparigheid deze belijdenis aflegde, waaraan nog een veroordeling van dwaalleer was toegevoegd.

De kern van het symbool van Nicea is de belijdenis van Christus en het komt vooral aan op het woord „homoousios”: één van wezen met de Vader. Daarmee werd tegenover Arius staande gehouden, dat Jezus Christus waarachtig God is.

Arius beschouwde de Zoon als een schepsel, wel als het eerste en voornaamste schepsel van God, maar toch als een sehepsel. Er was een tijd dat Hij er niet was. Hij was geheel ongelijk aan het wezen van de Vader. Hij werd wel God genoemd, maar waarachtig God was Hij niet.

In de inleiding van de door hem verzorgde uitgave van het werk van Athanasius „De menswording des Woords” (1949) heeft dr. H. Berkhof ervan gezegd: „Het ging erom, of de figuur van Christus zou worden ingebouwd in een grieks wijsgerig gedachtenstelsel, waarin Hij als een hoger schepsel of hoogstens als „de tweede God” (Origenes) zou kunnen gelden; dan wel zou worden erkend als God Zelf, één met den Vader. Een hoogste schepsel of een tweede God kan ons wel kennis aangaande God verschaffen, maar kan ons niet met God verzoenen”.

Arius, die presbyter was in Alexandrië, had de leer van Christus als hoogste schepsel gepropageerd en zijn ideeën hadden in een deel van de kerk ingang gevonden. Christus Staat dan aan de zijde van de wereld, niet aan de zijde van God. Arius wilde Hem nog wel God noemen en vereren. Daarmee werd de deur echter opengezet voor het polytheisme. De Arianen, zei Athanasius, vereren twee goden.

Mede dank zij de theologie van Athanasius heeft de kerk ingezien, dat de werkelijkheid van onze verlossing hier op het spel stond. Als de Heiland niet waarachtig God en waarachtig mens is, worden wij niet door God Zelf verlost. Het is zoals Gregorius van Nyssa het 60 jaar na Nicea formuleerde: Wie de Geest en de Zoon voor schepselen houdt, fundeert zijn heilsverwachting niet op God. Dan is het maar inbeelding!

Als de kerk in Nicea op grond van de openbaring van God van de Here Jezus Christus belijdt, dat Hij is „de eniggeboren Zoon, uit het wezen van de Vader, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet geschapen, één van wezen met de Vader” betekent dat, dat God onze zaligheid in Zijn Zoon tot Zijn eigen zaak gemaakt heeft.

Daar ging het in het jaar 325 om en daar gaat het nog om.

In 325 stemden twee bisschoppen niet met het symbool van Nicea in. Zij werden uitgestoten.

Er waren er ook, die het woord „homoousios” wel aanvaarden, maar er een eigen verklaring van gaven. Er is op Nicea nog wel een halve eeuw van strijd gevolgd en de kerk heeft er blijkbaar moeite mee gehad om de betekenis van haar eigen woorden te verstaan. Maar de fundamentele beslissing is op dit oecumenisch concilie gevallen.

Aan de kerk van Christus is de belofte gegeven, dat de Heilige Geest haar de weg zal wijzen tot de volle waarheid. Die belofte zien wij tijdens het concilie van Nicea in vervulling gaan.

Daar waren mensen bij betrokken als bisschop Alexander van Alexandrië en zijn secretaris Athanasius, toen nog diaken, bisschop Hosius van Cordoba en keizer Constantijn, die de eenheid van de kerk ook terwille van de eenheid van het rijk begeerde.

Er gaan in de „eeuw van de oecumene” wel stemmen op voor een heel andere vertolking van het geloof in Christus. Met een beroep op de verdere leiding van de Heilige Geest pleit men dan voor een nieuwe interpretatie van de persoon en het werk van Jezus, die mensen van deze tijd aanspreekt, een nieuw „model”. Theologen als Kuitert en Schillebeeckx — de één gereformeerd en de ander rooms-katholiek — zijn in „Jezus van Nazareth en het heil van de wereld” (1975) samen op zoek naar een christologie die in hun ogen meer functioneel is in de cultuursituatie van vandaag.

Dr. H. Berkhof — kerkelijk hoogleraar vanwege de Ned. Herv. Kerk — heeft in zijn veelbesproken boek „Christelijk geloof” (1973) een hoofdstuk geschreven over „Jezus de Zoon”. Daarin voert hij nieuwe categorieën in, zoals: Jezus de voleindigde verbondsmens, dè Nieuwe Mens, de eschatologische mens, maar breekt hij bewust met de belijdenis van Nicea. Als Jezus in het Nieuwe Testament God wordt genoemd, zou dat een toegespitste formule zijn voor het unieke van Jezus, terwijl het in de teksten die in geding zijn, zou gaan om „verbondsmatige functionaliteit”.

Het zou geen moeite kosten om nog enkele aanduidingen te geven en meer Signalen op rood te zetten.

Nu er zoveel te doen is op het terrein van de theologie, worden wij als ambtsdragers herinnerd aan onze belofte om alles te verwerpen wat met het Woord van God en de belijdenis van de kerk in strijd is.

Het dogma van Nicea was in het jaar 325 noodzakelijk om aan de dwaalleer paal en perk te stellen. Het is nu niet anders.

In zijn boek „De Christologie van het Nieuwe Testament” (1948) schreef dr. G. Sevenster: Het oude dogma van Nicea en Chalcedon waarschuwt ons voor een gevaarlijke misvorming van de bijbelse boodschap. Hij doelde in dit verband op de moderne christologieën waarmee men iets geheel anders tot uitdrukking wil brengen. Ook in deze tijd mag het aan waarschuwingen niet ontbreken.

Men voert soms als bezwaar aan, dat het woord „homoousios” waarvan de kerk zich in de vierde eeuw bediende, niet in de Bijbel te vinden is. Maar daarom kan het nog wel bijbels zijn om zo te spreken!

Wie denkt dat de vaderen Arius zo maar veroordeeld hebben, zegt Calvijn in de „Institutie” (IV, 8, 16), doet hun zwaar onrecht. Het woord „eenswezens” komt niet in de Schrift voor. „Maar aangezien er zovele malen uitgesproken wordt, dat er één God is, en wederom Christus zovele malen de waarachtige en eeuwige God genoemd wordt, één met de Vader, wat doen dan de vaderen van Nicea, wanneer ze verklaren, dat Hij eenswezens is, anders dan dat ze de oorspronkelijke zin der Schrift eenvoudig verklaren?”

Geen andere Jezus

Een land waar de kerk wel bijzonder waakzaam mag zijn, is Duitsland. Daar heeft de moderne theologie haar duizenden verslagen.

Er is echter ook een beweging ontstaan die aan de belijdenis wil vasthouden en van geen andere evangelie wil weten dan ons in de Heilige Schrift verkondigd wordt: de Bekenntnisbewegung „Kein anderes Evangelium”.

In „Informationsbrief Nr. 52” is een nieuw document uit deze kring opgenomen: Nicänisches Christusbekenntnis heute.

In de inleiding worden de leerbeslissingen van Nicea met grote dankbaarheid gememoreerd.

Maar dan wordt erop gewezen, dat de boze door een vervalsing van de boodschap de Christus der Schriften door een andere Jezus wil verdringen (2 Cor. 11 : 4) om tenslotte de antichrist Zijn plaats te doen innemen (2 Thess. 2:4). Daar geeft het stuk dan niet minder dan veertien voorbeelden van. De „Kirchentage” en de „politische Nachtgebeten” komen erbij ter sprake, maar ook meer algemene verschijnselen die zich niet tot Duitsland beperken.

Wij ontmoeten een andere Jezus

1. reeds in het godsdienstonderwijs tijdens de eerste schooljaren, als Jezus op geen andere wijze kind van God genoemd wordt dan elk gelovig christen, nl. alleen op grond van zijn geloof;

2. in vele preken en godsdienstige toespraken, als Jezus daarin slechts geprezen wordt als degene die het opneemt voor de mens of partij kiest voor de rechtelozen;

3. in verscheidene moderne theologische ontwerpen, als daarin alle wonderen ontkend worden die met Jezus geschied zijn en die door Hem gedaan zijn;

4. in hedendaagse boeken over Jezus, als ze Jezus alleen maar tekenen als een voorbeeldig mens of zelfs als een aanstotelijk mens, zodat niet meer gehoord kan worden, hoe Hij roept tot bekering en tot geloof in Hem;

5. in religieuze films, toneelspelen en opera’s, als Jezus daarin wordt voorgesteld als „Superstar” met de bedoeling met Zijn persoon goede zaken te doen;

6. in het zich thans snel verbreidende „Christomarxisme” — een vermenging van bijbelse en atheïstisch-marxistische gedachten — als leiders van de Wereldraad van Kerken revoluties en bevrijdingsbewegingen toejuichen als uitdrukking van het verlossingswerk van Christus in het heden;

7. in hedendaagse geloofsbelijdenissen, als darin beweerd wordt dat Jezus te gronde gegaan is, toen Hij alles trachtte te veranderen;

8. in moderne avondmaalsvieringen, als het daarbij niet gaat om het deelhebben aan het lichaam en bloed van Christus, maar alleen om het doorbreken van maatschappelijke scheidsmuren.

Deze en andere voorbeelden bewijzen, hoe diep de uitholling en vervalsing van de belijdenis van Christus reeds doorgedrongen is. Bijzonder gevaarlijk is bij veel van deze pogingen, dat de antichristelijke aard ervan schuilgaat achter de bijbelse namen en oudkerkelijke begrippen die gebruikt worden.

Ook in het slot van de verklaring wordt duidelijke taal gesproken.

Omdat wij ons heil danken aan de Christus der Schriften en niet aan een andere Christus, worden wij met de gelovigen in alle kerken geroepen, in de geestelijke verwarring en de verzoekingen van vandaag neen te zeggen tegen elke loochening van de waarachtige godheid en de waarachtige mensheid van Jezus.

Zoals het concilie van Nicea de dwaalleer van Arius verwierp, die van de eeuwige Zoon van God een schepsel — zij het een hoogstaand schepsel — maakte, zo is thans te verwerpen

elk tekort doen aan de Persoon van Jezus Christus als zou Hij een voorbeeldig mens of een vertolker van de goddelijke wil zijn;

elke vervluchtiging van Jezus, zoals Hij Zich in de geschiedenis openbaarde, tot een algemene grond van alle menselijke religies;

elke vervorming van de Persoon en het werk van Jezus Christus waardoor Hij het prototype wordt van de „nieuwe mens” die zich in de wereldgeschiedenis moet verwezenlijken.

De verklaring, waarin zoveel ernstige afwijkingen van de belijdenis van de kerk der eeuwen worden gesignaleerd, loopt uit op een zeer positief geloofsgetuigenis:

„Jezus Christus is de Zoon van de levende God, geboren vóór alle tijden en eer de wereld begon, één van wezen met de Vader, die om ons mensen en om onze zaligheid uit de hemel gekomen en door de Heilige Geest uit de maagd Maria mens geworden is.

In het geloof in Hem en in de levensgemeenschap met Hem waarin wij door de wedergeboorte opgenomen worden, hebben wij deel aan het heil dat Hij door Zijn plaatsbekledende dood aan het kruis en door Zijn opstanding voor ons verworven heeft.

Met vaste hoop en in liefdevolle gehoorzaamheid verwachten wij Zijn zichtbare wederkomst: Jezus Christus zal komen om de levenden en doden te oordelen en de Zijnen tot Zich te nemen en Zijn eeuwig rijk te suchten in heerlijkheid.

Hem die met de Vader en de Heilige Geest leeft en regeert van eeuwigheid tot eeuwigheid, zij lof, eer en aanbidding!

Amen”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.