Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Deputaten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Deputaten

14 minuten leestijd Arcering uitzetten

Wanneer u wel eens een generale synode hebt bijgewoond, of de agenda dan wel de Acta van een generale synode in handen hebt gehad, dan weet u dat een groot deel van de synodale vergaderingen in beslag wordt genomen door de rapporten die de verschillende deputaatschappen hebben ingediend. Trouwens ook op een vergadering van de particuliere synoden komen dergelijke rapporten aan de orde, weliswaar minder talrijk en doorgaans niet zo uitgebreid, maar toch eisen deze rapporten een behoorlijk deel van de particulier-synodale tijd. De agenda van de komende generale synode maakt melding van 37 rapporten! Onder deze 37 rapporterende deputaatschappen zijn er 8 die ook rapport-plichtig zijn ten opzichte van de particuliere synoden.

Nu zijn er deputaatschappen die door hun werk in heel de kerk bekend zijn. Hun faam bereikt de kleinste en verste gemeente. Maar er zijn ook deputaatschappen die behalve uit het Jaarboek en de synodale Acta praktisch onbekend zijn. Alleen de „ingewijden” weten welke taak deze deputaatschappen hebben. De redactie van „Ambtelijk Contact” wil nu graag deze laatste deputaatschappen wat voor het voetlicht halen. Voor dit echter gebeurt is het goed eens iets meer over deputaatschappen in het algemeen te vertellen.

Wat zijn „deputaten”?

Willen we deze vraag goed beantwoorden dan moeten we voor alle dingen hèt grondbeginsel van het gereformeerde kerkrecht voorop stellen: Jezus Christus is de „enige algemene Bisschop en het enige Hoofd der Kerk” (NGB). Voor Hem zijn alle gelovigen gelijk ook al is er verscheidenheid van gaven en variatie in dienst. Het enige legitieme verschil tussen hen is het verschil tussen belijdende en niet-belijdende leden van die Kerk, Zijn lichaam. Elk verschil dat er overigens is in ras, sexe, culturele, sociale of politieke positie, doet niet in het minst afbreuk aan die gelijkheid, Gal. 3 : 28. Elke gelovige staat in zijn of haar eigen verantwoordelijkheid tegenover God, een verantwoordelijkheid die een bepaalde zelfstandigheid insluit en ten diepste niet overdraagbaar is.

Wanneer deze gelovige samen met andere gelovigen een gemeenschap vormt, een gemèènte, dan verliest hij/zij die verantwoordelijkheid niet, draagt die ook niet over bijv. aan de „clerus” zichzelf degraderend tot „leek”. Deze „gemeente-vorming” is geen zaak van vrijwilligheid of willekeur, maar eis van de „enige algemene Bisschop en het enige Hoofd” van die gemeente, Jezus Christus. Daarom heeft ook elke gemeente een eigen verantwoordelijkheid en een eigen zelfstandigheid naar de aard van het „gemeente-van-Christus”-zijn.

Het primair afgeleide principe van hèt grondbeginsel is derhalve de verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente, plaatselijk omdat de mens nu eenmaal „geografisch” beperkt is tot een bepaalde plaats. Wanneer echter het gereformeerde kerkrecht de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk zo sterk benadrukt, dan is dat nooit om te kort te doen aan de noodzakelijkheid van het kerkverband, hoe moeilijk het soms en voor sommigen ook is om tussen beiden een nuchter evenwicht te bewaren. De genoemde zelfstandigheid en noodzakelijkheid zouden we de „grondzuilen” van dat kerkrecht kunnen noemen. Maar het grondbeginsel blijft onverkort dat Jezus Christus als de enige Bisschop en het enige Hoofd der Kerk Zijn gemeente regeert.

De „regering” van de gemeente hetzij plaatselijk, hetzij in kerkverband is geen zaak die uit de gelovigen zelf opkomt, wilt u: uit het „ambt der gelovigen”. Christus regeert zijn gemeente door hen die Hij daartoe geroepen heeft „door middel van” („mitsdien”) de gemeente, de mondige gelovigen. Zij die daartoe zijn geroepen, zijn „als de raad der Kerk” (senatus). De regerende maar in feite dienende(als ambtsdragers) taak van de kerkeraad kan dermate omvangrijk worden dat de assistentie van anderen wordt ingeroepen. Een bepaalde taak wordt tijdelijk of voor een bepaalde termijn „toevertrouwd” (commit-tere) aan een „commissie”, bijv. voor het beheer van gelden en goederen, voor de zending, voor de evangelisatie enz. Een dergelijke commissie fungeert in verantwoordelijkheid aan de kerkeraad die immers de „ambtelijke” verantwoordelijkheid draagt ten opzichte van zijn „Ambtsgever”, de Koning der Kerk.

Wanneer de afgevaardigden (gedeputeerden) van de kerkeraden van de plaatselijke gemeenten in het kerkverband bijeenkomen in classicale of synodale vergaderingen, daarin belevend de noodzakelijkheid van het kerkverband zonder verlies van eigen verantwoordelijkheid en eigen zelfstandigheid, integendeel die juist inbrengend in het geheel met doorbreking dus van de „geografische” beperktheid, dan kan het gebeuren dat bepaalde zaken onmogelijk tijdens zo’n vergadering afgehandeld kunnen worden, terwijl het ondoenlijk is zo'n vergadering telkens weer bijeen te roepen. Daarom benoemt ook de classis soms een commissie om een bepaalde zaak te behartigen. Wanneer een synode zo’n commissie benoemt, spreken we doorgaans van „depu-taten”. Tot 1919 werd een zeer belangrijk deputaatschap in onze kerken nog „commissie” genoemd: de zogenaamde „synodale commissie”. Sindsdien spreken we meestal van „deputaten” wanneer het gaat om een commissie die van de synode een bepaalde opdracht heeft ontvangen om, als er geen synode meer is, de zaak te behartigen die in de opdracht is aangegeven. Het woord „commissie” reserveren we voor een aantal synode-leden die tijdens de zittingen van de synode een opdracht moet uitvoeren.

Wat doendeputaten?

Een kerkelijke vergadering kan niet elke dag bijeenkomen en is niet in staat zelfs niet in de gelegenheid om alle genomen besluiten uit te voeren, c.q. te nemen besluiten voor te bereiden. Reeds bij de opkomst van de kerkelijke organisatie in ons land, „deputeerden” de kerkelijke vergaderingen sommigen voor een bepaald doel. De synode van Emden in 1571 vaardigde Datheen en Taffin af om de Nederlandse kerken te vertegenwoordigen op de Franse synode, terwijl dezelfde synode een zestiental broeders aanwees om Marnix van St. Aldegonde te helpen zijn opdracht uit te voeren, nl. de beschrijving van de geschiedenis van de reformatie in ons land (helaas nimmer voltooid). Tijdens de remonstrantse twisten bewezen „deputaten” hun nut om orde op zaken te stellen waar dat nodig was. Tekenend is wel dat Hugo de Groot hen „interreges” noemde, „tussen-regenten”. Ook al was dit laster, het neemt niet weg dat het gevaar aanwezig was dat deze deputaatschappen zich zouden opwerpen tot kerkelijke bestuurscolleges, die zich zelf macht en bevoegdheid aanmatigden. Daarom hebben de synoden niet alleen steeds een termijn gesteld om de zittingsduur binnen de perken te houden, maar ook zo veel mogelijk in instructies, regelingen, reglementen enz. de opdracht omschreven die zij aan hun deputaten gaven (ook wel gedeputeerden of zelfs „volmachten” genoemd — in de vorige eeuw vaak commissie maar dit woord kàn verwarring wekken omdat het ook gebruikt wordt in de zin van opdracht, last: deputaten krìjgen een „commissie”!). De vrees voor hiërarchie zat er diep in (zit er nog diep in, al lijkt het soms alsof deze vrees sterker gereduceerd wordt, naarmate men zelf meer kans krijgt „hiërarch” te spelen!).

Op verschillende plaatsen in de Kerkorde wordt over „deputaten” gesproken. Art. 4 dat handelt over de toelating tot het ambt van dienaar des Woords, stelt dat het examen dat door de classis wordt afgenomen, zal worden afgelegd „ten overstaan” van de meerderheid der gedeputeerden van de particuliere synode (er zijn wel eens gedeputeerden die het „ten-overstaan-van” graag zouden willen veranderen in „met bijstand van” en zelf gaan examineren). In art. 11 wordt bepaald dat de kerkeraad geen predikant uit de dienst kan ontslaan dan met kennisgeving aan en approbatie van de classis en van de deputaten van de particuliere synode. Deze Iaatsten zijn ook betrokken bij de „overgang tot een andere staat des levens” van een predikant: de classis zal de „gewichtige oorzaken” beoordelen ten overstaan van deze deputaten (art. 12). De in deze artikelen genoemde deputaten zijn de deputaten die de particuliere synode benoemt volgens art. 49 van de Kerkorde: Iedere synode heeft ook deputaten te benoemen om de besluiten van de synode bij de respectieve onder haar ressorterende classes uit te voeren en om tezamen, of althans ten getale van drie, bij de peremptoire examens van de kandidaten tegenwoordig te zijn. Bovendien hebben zij in alle voorkomende moeilijkheden aan de classes hulp te bieden, opdat enigheid, orde en zuiverheid van de leer bevestigd en behouden worden. Zij hebben van al hun handelingen aantekening te houden om daarover aan de synode rapport uit te brengen en, desgevraagd, deze te motiveren. Ontslag kan hun slechts door de synode worden verleend. Tot zover dit artikel waarnaar ook in art. 79 wordt verwezen als het gaat over de afzetting van ambtsdragers (de classis oordeelt met advies van deze deputaten). Tot dusver komen dus in de Kerkorde alleen de deputaten ad art. 49 aan de orde. Er zijn evenwel ook nog andere deputaten met een andere dan in dit artikel omschreven opdracht, niet alleen van de particuliere synode, maar ook van de generale synode. Dat blijkt wel in art. 84 dat handelt over de rechtszekerheid: de kerken die in classes, particuliere synoden en generale synode samenkomen, vormen tezamen evenzovele vermogensrechtelijke eenheden ten aanzien van de stoffelijke aangelegenheden die haar gemeen zijn en deze eenheden kunnen o.a. ook door deputaten vertegenwoordigd worden die door deze vergaderingen worden benoemd, geïnstrueerd en ontslagen en in al hun handelingen door hun instructie zijn gebonden.

Uit de bepalingen bij de verschillende artikelen van de Kerkorde weet u dat er nog meer deputaatschappen zijn dan alleen zij die de „stoffelijke aangelegenheden” behartigen.

Van de 37 aan de komende generale synode rapport-uitbrengende deputaatschappen vinden slechts 17 een instructie in de laatste uitgave van de Kerkorde. Dat wil niet zeggen dat de andere deputaatschappen volledig en onbeperkt vrijheid van handelen hebben.

Er is wel eens onderscheid gemaakt tussen deputaatschappen die een speciale studieopdracht hebben (in het desbetreffende besluit van de synode is dan in feite hun instructie begrepen) en deputaatschappen die kerkelijk werk hebben te verrichten. Verreweg de meeste van de laatstgenoemde hebben een instructie, enkele niet (in een rapport aan de laatste generale synode werd erop gewezen Acta bl. 288). Maar ook al is de opdracht van de „werk-deputaat-schappen” niet met zoveel woorden omschreven, wat hun bevoegdheid betreft staan toch enkele zaken zonder meer vast: ze zijn benoemd voor bepaalde werkzaamheden die zij namens de synode verrichten, voor het uitvoeren en/of voorbereiden van besluiten van de synode. Ze kunnen voorts nooit zelfstandig en eigenmachtig optreden en mogen nimmer treden in de competentie van kerkelijke vergaderingen of zelfs in de beoordeling van handelingen van andere deputaatschappen. Dat zij verantwoording schuldig zijn aan hun lastgevers spreekt vanzelf, alsook dat deze lastgevende vergaderingen nooit meer macht en bevoegdheid aan hun deputaten kunnen geven dan zij zelf bezitten.

Wie wordendeputaten?

Deze vraag is eenvoudig te beantwoorden: ieder die door een synode als deputaat wordt aangewezen. Men behoeft niet per sedominee of ouderling of diaken te zijn om tot deputaat te worden benoemd. Ook het „gewone” gemeentelid is als zodanig benoembaar. Om „clerus” vorming tegen te gaan, althans de gedachte dat de „clerus” het voor het zeggen zou hebben, is het zelfs zeer wenselijk dat ook niet-ambts dragers eens benoemd worden.

De praktijk van het kerkelijke leven onder ons bewijst dat dit ook metterdaad geschiedt. Natuurlijk zal elke benoemende vergadering met zorg die deputaten kiezen die voor dat bepaalde deputaatschap het meest geschikt en bekwaam zijn. Heel vaak gebeurt dat door een zogenaamde „vrije stemming”. Het is de vraag of dat de beste methode is.

Wanneer bijv. (wat schrijver dezes overkwam) een predikant die nauwelijks anderhalf jaar predikant is, door een kerkelijke vergadering in drie deputaatschappen tegelijk wordt gekozen dan is het begrijpelijk dat de betrokkene zich wel eens afvraagt of deze vergadering de vraag van geschiktheid en bekwaamheid zwaar heeft laten wegen! Bij een „vrije stemming” kan het ook gebeuren (historisch!) dat een plaatsvervangend deputaat (minder juist „secundus” genoemd) die bijna een volledige periode met ijver dienst had gedaan en zich geheel had ingewerkt, omdat de „primus” het ressort van de benoemende synode had verlaten, werd gepasseerd toen er een nieuwe „primus-deputaat” moest worden benoemd. Daar de betrokkene inmiddels reeds is overleden, kan het hier vermeld worden. Natuurlijk zal niemand de betrokken synode verwijten dat deze niet volledig vrijheid had te benoemen wie zij wilde. Maar het heeft de gepasseerde ambtsdrager terdege, pijn gedaan dat dit geschiedde! Daarom is het m.i. gewenst dat òf het betrokken deputaatschap, òf het moderamen een voorstel doet hetzij door èèn kandidaat voor te dragen, hetzij door een voordracht van twee of meer personen in te dienen. Natuurlijk behoudt de vergadering volledig het recht om buiten de voordracht om te gaan. Onze generale synoden volgen reeds deze methode.

Moet aan de ene kant gewaakt worden tegen een cumulatie van taken voor één deputaatschap (wanneer dat gevaar dreigt is het beter een apart deputaatschap in te stellen), anderzijds is het ook beslist onjuist dat één persoon met vele deputaatschappen belast wordt. Afgedacht nog van zijn gezin en zijn ander werk, komt dat het werk voor de verschillende en verscheidene deputaatschappen niet ten goede.

Hoe deputaten overigens benoemd worden, hoeveel deputaatschappen één persoon ook worden opgedragen, voorop moet staan dat zij die geroepen worden àl de kerken te dienen op een bepaald, liefst goed afgebakend terrein van het kerkelijke leven, de geschiktheid, de ervaring, de kennis moeten bezitten om de opgedragen taak te verrichten. Dat karakter en leeftijd ook een woordje meespreken, zal wel niemand ontkennen.

Na volbrachte taak …

is het goed rusten, zegt men. Inderdaad als de taak volbracht is! Maar deputaatschappen mogen pas gaan „rusten” als de synode hen ontheft van de opdracht (en dan rest de „taak” nog om de archiefstukken aan het synodale archief toe te vertrouwen — in verreweg de meeste gevallen grandioos vergeten, althans op een enkele uitzondering na praktisch over heel de linie verzuimd!!!). En als een deputaatschap „permanent” is, zal er van de „zoete rust” — althans voor de actieve deputaatschappen — geen sprake kunnen zijn. Maar al of geen rust, rapporteren moet elk deputaatschap zodra een particuliere of generale synode vergadert!

Deputaatschappen waarin leden zitting hebben gekozen door de particuliere synoden, rapporteren ook aan deze synoden. De vraag in hoeverre er hier van verantwoording en beoordeling sprake kan zijn, is nog nimmer tot voldoende klaarheid gekomen. Het kan gebeuren dat de ene synode laakt wat de andere prijst! In elk geval kan elke particuliere synode de door haar benoemde deputaten ter verantwoording roepen en bepaalde opdrachten geven ter nadere informatie of om zekere correctie van het beleid in overweging te geven.

De uiteindelijke verantwoordingsplicht van de deputaten is de plicht die zij hebben krachtens hun instructie jegens de generale synode. Déze beoordeelt de handelingen van deputaten, doorgaans nadat een commissie van onderzoek en rapport de zaak onderzocht heeft. Deze commissie geeft een beoordeling van de handelingen en eventuele voorstellen van de rapporterende deputaten, alsmede van de overwegingen en motieven die door deze deputaten worden gegeven. Als er naar het oordeel van deze commissie bepaalde zaken uit het rapport van een deputaatschap dat haar is toegewezen, niet duidelijk zijn, of het gerapporteerde bevredigt de commissie niet, dan zal die commissie een onderzoek instellen bij het betreffende deputaatschap alvorens hierover aan de synode haar advies uit te brengen. Alleen zò kan de behandeling in plenaire zitting ten volle tot haar recht komen en wordt alle dilettantisme (venia sit verbo!) vermeden. Het kan ook gebeuren dat de commissie na rijpe overweging tot conclusies en/of voorstellen komt die materieel belangrijk afwijken van die van het betrokken deputaatschap. Van dat deputaatschap mag verwacht worden dat het ter zake kundig is. Daarom zal zo’n commissie van onderzoek en rapport er goed aan doen eerst in overleg te treden met dit deputaatschap voordat zij haar conclusies c.q. voorstellen — natuurlijk goed gemotiveerd — aan de synode voorlegt en dan uiteraard — maar dat geldt ook van depu-taten-voorstellen en — conclusies — zò geformuleerd dat de synode ze direct kan behandelen!

Wanneer de synode op deze wijze all round de zaak van het deputaatschap heeft behandeld kan de goedkeuring van het beleid plaats vinden, zo nodig na de noodzakelijke correcties te hebben aangebracht, en kan het deputaatschap van zijn opdracht worden ontheven of kan het opnieuw mandaat ontvangen (al of niet gewijzigd) om zijn werk voort te zetten, terwijl opnieuw deputaten worden benoemd (al of niet dezelfde personen die door de (een) vorige synode werden benoemd).

Hoeveel tijd de behandeling van de 37 rapporten op de komende synode zal vragen, is niet te zeggen. Of alle rapporten even intensief zullen bestudeerd worden? Geen lezer van ons blad zal het wagen in dit opzicht ook maar iets in twijfel te trekken! We wensen alle synode-leden sterkte en inzicht toe om zich door deze berg rapporten heen te werken. Het ene zal „zakelijker” zaak zijn dan het andere dat meer „geestelijk” is. Maar èn de zakelijke èn de geestelijke zaken zijn kerkelijke zaken, anders zouden ze naar art. 30 K.O. zelfs niet behandeld mogen worden. Daarom hopen en bidden wij, nu in een paar weken heel het kerkelijke leven in al z’n rijke facetten aan de orde wordt gesteld, dat de geconcentreerde behandeling vruchtbaar mag zijn onder de zegen van de enige Bisschop en het enige Hoofd der Kerk, Jezus Christus, voor de taak die aan al die verschillende deputaatschappen in Zijn Koninkrijk is toevertrouwd, en daarmee voor àl de kerken!

H.

Dit artikel werd u aangeboden door: Christelijk Gereformeerde Kerken

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1968

Ambtelijk Contact | 12 Pagina's

Deputaten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1968

Ambtelijk Contact | 12 Pagina's