+ Meer informatie

De Heidelbergse Catechismus

6 minuten leestijd

Caspar Olevianus. (3).

(4).

Caspar Olevianus. (3). Karakteristiek

Zoals we nog hopen te zien, zal Ursinus meer als theoloog uitblinken, maar Olevianus was in het praktische kerkelijke leven verre zijn meerdere. Bij zware problemen en gewone zaken van de kerkeraad sprak hij steeds met beslistheid. Hij was een man vol geloof en moed, taaie volharding kenmerkte zijn streven, met onvermoeide ijver ging hij voort, ook in dagen van tegenspoed, geen vrees voor mensen kon hem remmen of binden, hij was bekwaam in het oordelen in moeilijke zaken en toonde zich een goed kenner van het recht. Hij was immers ook doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij heeft ook getoond, schone gaven te bezitten voor de prediking, was een uitnemend verzorger en bevorderaar van het onderwijs en is van onberekenbare zegen geweest door zijn visitaties en opzicht, door zijn onderzoekingen van de kerkelijke toestanden, ook door paedagogische en andere inrichtingen door hem gesticht. Grote verdiensten heeft hij zich verworven door zijn arbeid in de kerkeraden, cloor zijn organisatie en schoolregeling van het Heidelberger Paedagogium in 1565.

Zijn prediking is beroemd geworden tot ver buiten de Palts, zijn roem in deze leeft ver na zijn dood nog voort in Nederland. Hij was ook zeer bekwaam om het volk te leren vanaf de kansel. Zijn catechismusprediking was zeer gewild. Ursinus kon hem in dit opzicht niet vervangen, wat de laatste ook rondweg erkend heeft. De leergeschriften, die Olevianus uitgaf, wortelen eigenlijk in deze catechismusprediking. Daarom kan men hem wel beschouwen als de oudste, trouwste, eenvoudigste en meest gezalfde uitlegger van de Heidelberger Catechismus.

Ook gaf hij naast vele andere werken, preken voor het volk uit, bijzonder over het Heilig Avondmaal. Ze zijn veel verbreid en hebben het inzicht in dit sacrament bij de gemeente zeer verdiept. Wat Ursinus met groot vernuft en schitterend resultaat voor de geleerden heeft gedaan, heeft Olevianus meer voor het volk gedaan.

Olevianus is evenmin als Ursinus, oud geworden. Toen de Heidelbergse Catechismus verscheen, (januari 1563) was Ursinus 28 jaar en Olevianus 26. Ursinus werd 48 jaar, Olevianus ruim 50. Maar beide mannen hebben niet vergeefs geleefd. Hun „gedachtenis" is nog steeds velen tot zegening.

Zijn sterven

De moeilijkheden en zorgen, de ingespannen arbeid, hadden niet nagelaten, zijn gezondheid te ondermijnen.

Op 25 februari 1587 moest hij zijn arbeid neerleggen. Zijn zwakheid nam toen met de dag toe. Hij leed aan waterzucht en was zich bewust, dat hij niet lang meer zou leven. Op 11 maart 1587 maakte hij zijn testament. Dit is allereerst een schoon geloofsgetuigenis, waarin hij God ootmoedig dankt, dat Hij hem geschapen heeft en het waarachtig geloof geschonken heeft, dat God hem in Christus levend gemaakt heeft, hem de gerechtigheid van Christus heeft geschonken en de heerlijkheid en de rijkdom van Zijn genade, dat Hij hem uitverkoren heeft tot het kindschap Gods in Christus uit genade en hem de geest van het kindschap heeft geschonken, cloor wie hij roept Abba, lieve Vader. Hij bidt om Gods genadige bijstand tot het einde, zoals Christus hem beloofd heeft: „Niemand zal Mijn schapen uit Mijn hand rukken. Ik en de Vader zijn één." Verder dankt hij God voor alle weldaden, hem van zijn geboorte af geschonken. Hij dankt God, dat Hij hem vrouw en kinderen geschonken heeft en beveelt ze — evenals zijn oude moeder — in de bescherming en hoede Gods aan, met een beroep op Gods belofte. Verder bidt hij Gods zegen af over de kerken van de Palts en andere vorstendommen en keurvorsten. Zij moeten vooral het werk der scholen voortzetten, ook geregeld de synoden en kerkvisitaties houden, en cle kerkelijke goederen voorzichtig beheren, opdat cle arme predikanten toch niet in nood komen. Het is goed, om van de „parochies", die te veel hebben, de anderen, die te weinig hebben, mede te delen!

Voorts regelt hij allerlei familiezaken en eindigt zijn testament met weer tot God te spreken:

, , 'k Wil aldus hiermede aan mijn lieve God, Vader, Zoon en Heilige Geest, door de enige en eeuwige Hogepriester lichaam en ziel bevolen hebben op Zijn Genadeverbond en toezegging, dat Hij mijn God en die van mijn zaad in eeuwigheid zijn wil en nooit meer uit toorn tegen mij wil handelen, zoals Hij mij immers Zijn eed gezworen heeft, Jesaja 54: „Want clat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over cle aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, clat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal. Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer." Amen.

Op zijn ziek-en sterfbed ondervond hij veel liefde en vriendschap van de grafelijke families.

Dat sterfbed is een heerlijk sterfbed geweest. 15 maart 1587 zou hij heengaan. Des voormiddags om 6 uur kwam reeds zijn schoonzoon Piscator aan zijn bed en hoorde cle klacht, dat hij de matheid en zwakheid voelde toenemen. Hij was zich echter bewust: ik ga naar cle Heere Jezus Christus. Piscator moest hem voorlezen gedeelten uit Jesaja en Hebreeën en Psalm 103. De stervende voelde zich getroost.

Bernhard Textor, cle predikant van Herborn, moest cle godsdienstoefening — het was juist zondag — wat vroeger aanvangen en beëindigen, wenste Olevianus, opdat de gemeente voor hem kon bidden. Nadat hij nog iets geordend had betreffende zijn geschriften, riep hij allen in huis tot gebed op en bad zelf nog vol bezieling. Op zijn verzoek werd het lied: „Nun bitten wir den Heilgen Geist" gezongen. Zelf zong hij nog met zwakke stem. Stervend dacht hij ook nog aan de armen van Herborn en liet de raad van de stad zeggen, clat zij de armen

niet zo spaarzamelijk, maar rijkelijk moesten gedenken, omdat dit is de wil van onze genadige Heere en God.

Hij kon niet nalaten, ook zijn oude moeder nog eens de korte samenvatting van de christelijke leer onzer zaligheid te betuigen. Ze overleefde hem nog negen jaren.

Tenslotte sprak Jakobus Alsted, zijn collega de stervende aldus toe: „Lieve broeder, gij zijt ongetwijfeld van uw zaligheid zeker, zoals gij dit anderen voortdurend geleerd hebt? " En stervend antwoordde Olevianus: „Certissimus", d.i. zo zeker als 't maar kan.

Dit waren zijn laatste woorden. Hierna zonk hij in een vaste slaap, waakte nog één keer op na een korte pauze en gaf clan rustig de geest onder het gebed der omstanders.

Zijn lichaam werd in cle kerk te Herborn begraven.

„Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven." Met deze woorden besluit Piscator het bericht van dit sterven.

Ook Beza wees in een brief uit Genève, gericht aan de graaf van Wittgenstein,

op het grote verlies, door de Gereformeerde kerken geleden, in het verscheiden van

Caspar Olevianus.

God gaf in hem veel!

God nam in hem veel weg!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.