+ Meer informatie

Openingswoord van de voorzitter Geleynse

10 minuten leestijd

Laat ik mogen beginnen met u allen hartelijk te groeten en mijn blijdschap erover uit te spreken dat u de moeite hebt willen nemen om vandaag naar Apeldoorn te komen.

Het is mij een eer u, ambtsdragers der Christelijke Gereformeerde Kerken welkom te mogen heten op onze jaarlijkse conferentiedag.

In ’t bijzonder geldt dit de brs. Prof. W. Kremer en Ds. J. H. Velema, welke zich bereid verklaarden op onze dag een bijdrage te leveren en de vergadering toe te spreken.

Het wil mij voorkomen, prof. Kremer, dat u niet alleen bij het uitspreken van uw referaat een aandachtig gehoor zult hebben, maar dat u, gezien de titel en het schema van uw onderwerp, zich ook wel op een stevige bespreking zult moeten instellen.

Het is ons niet onbekend dat u als regel goed weet waarover u spreekt, doch vandaag zijn we daar al bij voorbaat van overtuigd.

U vindt nu niet een aantal jonge mannen tegenover u, die door u onderwezen worden in de ambtelijke vakken, opdat zij straks enigszins zullen weten hoe zij leiding hebben te geven, maar een vergadering van mannen, die midden in de praktijk van het leven staan en die er min of meer weet van hebben hoe moeilijk het soms kan zijn om ambtelijk leiding te moeten geven. Graag zullen wij straks naar u luisteren.

Als regel sluit onze konferentie zo ongeveer de rij der kerkelijke vergaderingen. Met het vaststellen van de datum houdt ons comité er altijd rekening mee dat in oktober overal de classisvergaderingen gehouden worden, maar deze keer liep het voor wat de classis Amsterdam betreft mis, temeer nog daar wij door bepaalde omstandigheden niet aan de geplande datum konden vasthouden, zodat uit genoemde classis niet alle ouderlingen aanwezig kunnen zijn. Jammer, volgende keer beter.

Nu dan vrijwel alle vergaderingen zoals classes en particuliere synoden gehouden zijn weten wij ook weer zo ongeveer hoe het er in ons kerkelijk leven bijstaat.

De meeste deputaatschappen zorgden voor een min of meer gedegen rapport, waaraan, naar we mogen aannemen, toch wel de nodige aandacht geschonken zal zijn door hen, voor wie deze stukken werden opgesteld. Deputaten hebben daar niet alleen recht op, maar ook de zaken waar het om gaat zijn dat waard.

Opbouwende kritiek van deputaten behoeden voor sleurwerk alsook voor het nemen van besluiten of verrichten van daden waaraan de kerken geen goedkeuring zouden kunnen verlenen.

Het is de ingewijden in ons kerkelijk leven niet onbekend dat sommige classes en Part. Synoden niet of maar nauwelijks genoeg hadden aan één dag vergaderen en we weten maar al te goed dat langdurig vergaderen niet altijd betekent dat er veel en vruchtbaar werk werd verzet. Was dat maar wèl zo, dan was het voor de afgevaardigden wellicht minder vermoeiend.

Een belangrijk gebeuren voor onze kerken was wel dat aan zes jonge mannen, kandidaten tot de Heilige dienst, de lastbrief kon worden uitgereikt. We mogen dit vandaag toch wel dankbaar memoreren.

Vindt u het geen wonder dat in een tijd van vermaterialisering zoals wij beleven, een tijd ook, die aan jonge mensen met een goed stel hersens vele toekomstmogelijkheden biedt, er toch altijd nog weer broeders zijn die het „wondere ambt” begeren?

Uit de vele beroepen die werden uitgebracht is, zo iemand dit nog niet wist, wel gebleken dat in onze kerken vele vacante plaatsen zijn en of men nu, gerekend naar het aantal beroepen, een zéér gewenste — of wat minder gewenste man is, en of de classikale poort nu wat meer of minder wijd geopend werd, voor alle zes is er een arbeidsveld waar zij straks mogen gaan werken. Laat óns gebed er dan op gericht zijn dat zij met rijke zegen des Evangelies in Gods Koninkrijk mogen arbeiden.

Er zijn wel eens ouderlingen, die menen dat het toch maar een zwaar korvee is om als afgevaardigde een classicaal examen te moeten bijwonen. Men moet dan bekennen als oudere op tal van vragen geen antwoord te kunnen geven, men vindt sommige vragen overbodig, het duurt allemaal zo lang enz. enz. Maar het hoort erbij, broeders. We kunnen er van leren en ons belangstellend luisteren en eventueel navragen (want dat mag ook!) kan voor de betrokken kandidaat ook stimulerend zijn.

Minder prettig wordt het, als examinatoren, deputaten of ook wel ouderlingen van een jonge man verwachten dat hij de dingen ziet en zegt zoals zij, veel ouder soms, het zeggen. Alsof ook hier niet met ontwikkeling, met een opgroeien in de kennis alsook in de genade gerekend moet worden.

Laten wij er toch goed op bedacht zijn, broeders, dat wij, ouderlingen, mee verantwoordelijk zijn voor alles wat op onze kerkelijke vergaderingen gebeurt. Het examen dat ik mocht meemaken was voor candidaat en classis een feestelijk gebeuren. Dan zie je weer eens het goede en mooie dat aan ons ambt verbonden is en dat maar al te vaak onder minder mooie en ook wel teleurstellende dingen bedolven wordt.

Als u afgevaardigde bent màg het natuurlijk niet, want u bent ertoe geroepen, maar hebt u soms niet de neiging om weg te lopen daar, waar men uren bezig kan zijn over zaken, die in feite niets om het lijf hebben of die in kleinere kring tussen enkele broeders of zusters allang opgelost hadden dienen te zijn? We zullen tegen al dat soort dingen veel meer stelling moeten nemen, en er voor moeten waken dat we, inplaats van het goede voor Jeruzalem te zoeken. niet bezig zijn het werk des Heren tegen te staan en anderen van Christus af te houden.

Of we dan overal maar ja op moeten zeggen? Natuurlijk niet, maar èn ons ja, èn ons neen zullen beide verantwoord moeten zijn.

Het ambt bekleden met eer betekent óók onze ambtelijke werkzaamheden eerlijk en oprecht uitoefenen vanuit Gods Woord en niet naar bepaalde, zelf uitgedachte schema’s.

Zo u bemerkt bepaal ik mij vanmorgen niet zozeer tot ons werk in de gemeente, maar bij dat in het bredere kerkelijke leven, waar wij toch óók een taak en roeping hebben te vervullen.

In dit verband wijs ik u er op dat wij ons niet kunnen en mogen onttrekken aan de vragen met betrekking tot de Oecumene. Onze verhouding tot andere kerken is niet alleen een zaak van deputaten, al lijkt het er vaak wel op. Hebt u b.v. kennis genomen van hetgeen besproken is op de conferentie van het Centraal Orgaan der Geref. gezindte? Ik had het voorrecht deze conferentie te mogen bijwonen en heus broeders, het was een belevenis. Zo u wellicht weet waren daar deelnemers uit de Geref. bond in de Herv. kerk; uit de Geref. Kerken (synodaal zowel als vrijgemaakt); uit de Geref. gemeenten en onze Kerken. En nu moet u niet denken dat daar geen verschillen openbaar kwamen, of dat men elkaar maar in alles gelijk gaf; maar wel trachtte men elkaar te verstaan en het is mijn vaste overtuiging dat er in die twee dagen veel waardering voor elkanders standpunt is gegroeid, al kan ik natuurlijk niet zeggen, wat het uiteindelijk resultaat hiervan zal zijn. Teleurstellend is in dit verband de uitspraak van de praeses der Geref. Synode (vrijgem.) welke te lezen stond in het Geref. Gezinsblad van 22 sept. j.l. n.l. „de Chr. Geref. Kerken zullen moeten kiezen tussen ons en de zgn. Geref. gezindte”. Dat zou dus kunnen betekenen dat er weer een nieuwe moeilijkheid gerezen is, en nu staat er in hetzelfde blad wel dat de „vrijage” niet altoos kan voortgaan en toch ééns een beslissing genomen zal moeten worden over een huwelijk en een huwelijksdag, maar dan geloof ik, dat, wanneer er nog zoveel „haken en ogen” zijn, partijen er beter nog eens een nachtje over kunnen slapen voordat zulk een beslissende stap genomen wordt.

Let wel, ik zeg niet zoals sommigen wel doen, laten wij maar ophouden met praten, want het wordt toch nooit wat. Onze deputaten zullen moeten voorgaan en de plaatselijke kerkeraden zullen evenzeer moeten trachten de weg tot elkander te effenen, ’t Is allemaal wel erg moeilijk en we hebben het allemaal wel erg druk, maar de roeping blijft en de akte van Afscheiding en wederkering geldt ook vandaag, 130 jaar na de afscheiding nog, n.l. „dat wij verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde ledematen en zich te willen verenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering aan wat plaats God dezelve ook verenigd heeft …enz. Dit mogen we niet vergeten of naast ons neerleggen, het is een zaak welke ons allen raakt.

Op gevaar af het verwijt te krijgen dat ik teveel overhoop haal in mijn openingswoord wil ik toch graag iets zeggen over ons jeugdwerk. Zo vaak is er kritiek op onze jeugd en hier en daar misschien ook wel terecht, maar het moet ons toch wel met dankbaarheid vervullen dat wij in onze kerken een goed georganiseerd jeugdleven kennen.

Wanneer dit in uw woonplaats nog ontbreekt dan zult u daar toch beslist wat aan moeten doen.

Op tal van plaatsen komt men in verenigingsverband samen en voor zover ik weet wordt op onze verenigingen het grootste deel van de tijd gelukkig nog gebruikt voor de bestudering van Gods Woord.

Hier mag óók wel gememoreerd worden de houding, welke het bestuur van de Jongerenbond heeft ingenomen t.a.v. de aktie „Palaver ’64”, de bijbelaktie voor Kameroen. Onze jeugd deed uit principiële overwegingen niet mee aan deze aktie, hoewel men het doel volkomen kon onderschrijven. Nu hebben zij niet gezegd „tégen Palaver ’64” en daarom maar niets doch men heeft de zaak van een andere kant aangepakt. Zij gingen niet uit van „het doel heiligt de middelen” maar kozen een andere weg om tot dat doel te komen. Laten wij deze aktie met ons gebed en gaven steunen en waar mogelijk (op huisbezoek b.v.) ook stimuleren.

Als ik dan nog even een blik vooruit mag werpen dan wil ik u er aan herinneren dat tussen deze en de volgende conferentie D.V. de Generale Synode te Zwolle zal worden gehouden.

Uit de, meestal wel zeer summiere classis- en P.S.-verslagen begint zich zo’n beetje af te tekenen waarmee deze G.S. zich o.a. zal moeten bezig houden. Laat ik u mogen opwekken, de stukken welke u, ter bestudering op de kerkeraden, worden toegezonden ook serieus te bestuderen en te behandelen, opdat de stem van de kerkeraden via classis en P.S. ook op de G.S. gehoord worde. Om één zo’n stuk te noemen dan herinner ik u aan het rapport dat u één dezer dagen hebt ontvangen van deputaten voor herziening Liturgische geschriften. Het makkelijkste is natuurlijk om te zeggen: „Tegen, waarom moet dat nu ook al weer veranderen?” Maar daar zijn we niet klaar mee. Ook onze formulieren dienen wat taal en stijl betreft aangepast te worden aan de tijd waarin wij leven.

Zo heb ik dan getracht enkele facetten van ons ambtelijk werk waarop wij ons vandaag hebben te bezinnen, te belichten.

We weten allen heel goed hoeveel moeilijkheden er aan dit werk verbonden zijn. We zijn vaak van huis; voor eigen liefhebberijen blijft maar weinig tijd over, we ontmoeten vaak kritiek en ontdekken bij onszelf maar al teveel tekortkomingen.

Als we dan de regels welke ons in Gods Woord, met name door de Apostelen, worden voorgehouden nog eens rustig nalezen dan rijst menigmaal ook bij ons de vraag: Here wie is tot deze dingen bekwaam?”

Gelukkig dat er op deze vraag ook een antwoord is en dan maar niet een vaag of versluierd antwoord, doch zo positief als het maar kan, want het wijst ons heen naar de Grote Ambtsdrager Jezus Christus, Die onze zwakheden kent en Die ons in onze moeilijkheden niet alleen laat staan. Hij heeft ons geroepen, wetende dat wij zwakke en zondige mensen zijn die Hij nochtans wil gebruiken tot Zijn dienst.

„Die u roept is getrouw. Hij zal het ook doen.” Als wij daar weer houvast aan krijgen en wij de troost van dat woord weer ervaren, dan is er ook de kracht èn de lust om voort te arbeiden. Dan kunnen we weer lofprijzend zingen:

Mijn hart o, Hemelmajesteit is tot uw dienst en lof bereid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.