+ Meer informatie

Geloven in een veranderende wereld

23 minuten leestijd

1. Inleiding

“Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het.” Aldus Huizinga in zijn boek In de schaduwen van morgen (1935: 1). Die zinnen kwamen bij mij boven tijdens het lezen van de congresbundel ter voorbereiding op het Paascongres; ik dacht: wij leven in een, misschien niet bezeten, maar wel veranderende wereld. En wij ervaren het!

We merken het aan onze positie in de samenleving: we denken en handelen op allerlei punten anders dan onze ouders of een oudere generatie. We merken het in de kerk, waarin allerlei veranderingen optreden en/of bestreden worden.2 En we merken het in ons geloofsleven: we weten vaak geen raad met allerlei geloofsvragen die op ons afkomen en ook in onszelf opkomen.

Nu weet ik wel dat in alle tijden mensen met geloofsvragen hebben geworsteld: Wie is God? Wat heeft de bijbel ons te zeggen? Wat is waarheid en hoe hebben we als christen te leven? Het bijzondere van de huidige vragen is dat we ze beleven als vragen die samenhangen met de veranderingen in de wereld om ons heen en in ons eigen leven. Daarom hebben we het gevoel dat de antwoorden die vroegere generaties op de geloofsvragen hebben gegeven, ons niet meer kunnen bevredigen. Wij zoeken naar antwoorden op nieuwe vragen, althans op vragen die door ons als nieuw beleefd worden.

Wij leven in een snel – voor velen te snel – veranderende wereld. En die veranderingen beïnvloeden ons leven en ons geloofsleven. Maar wat verandert er in de wereld en in ons leven dat van invloed is op ons geloofsleven? Wat gebeurt er in en met ons en hoe moeten we daar tegenover staan?

In dit artikel zal ik vanuit godsdienstsociologisch perspectief veranderingen in samenleving en cultuur schetsen die het godsdienstig leven en onze houding tegenover de bijbel sterk hebben beïnvloed. Ik volsta met een ruwe schets van een aantal veranderingen die voor ons geloofsleven van belang zijn, in de hoop dat u in deze korte schets herkent wat er op het ogenblik gaande is. De opbouw van dit artikel is als volgt. Allereerst beargumenteer ik dat er een feitelijke samenhang is tussen cultuur en geloof. Vervolgens schets ik een aantal veranderingen in onze samenleving. Daarna ga ik in op de vraag waarom deze veranderingen juist nú door velen als een acuut probleem worden ervaren voor het kerkelijk en geloofsleven. Ik sluit af met enkele opmerkingen over de vraag op welke wijze we dit probleem tegemoet kunnen treden.

2. De feitelijke samenhang tussen cultuur en geloof

Ik begin met een tweetal persoonlijke ervaringen.

Jaren geleden was ik op Calvin College (een college van de Christian Reformed Churches in Noord-Amerika) en las daar tot mijn verbazing op het aanplakbord van het Theologisch Seminarie de volgende oproep: “Ondergetekenden zijn van plan een nieuwe kerk te stichten. Wie wil zich bij ons voegen?” En daar stond ik, opgevoed bij de gedachte dat de kerk een van God gegeven instelling is en dat wij ons daarom bij de kerk te voegen hebben! Niet wij kiezen God uit, maar God kiest ons, waardoor wij ook het principe van de territoriaal bepaalde gemeente hanteren. Ik ontdekte dat er gereformeerde christenen zijn die daar heel anders over denken en kerkelijk dus ook heel anders handelen.

Mijn tweede ervaring onderging ik in Ewersbach, waar het Theologisch Seminarie van de Vrije Evangelische Gemeenten in Duitsland is gevestigd. Ik bevond me daar, als gastdocent, in een zeer piëtistisch gelovig gezelschap. Sprekend over het leven aldaar, zei een van de docenten tegen mij: “Zondagavond, dan eten wij altijd buitenshuis in een restaurant; dan hoeft mijn vrouw niet te koken.” U begrijpt misschien mijn verbazing als u weet dat ik ben opgevoed met het – op het geloof gebaseerde principe – dat de zondagsrust onder meer inhoudt dat je op die dag geen ijsje koopt, en dus zeker geen restaurant bezoekt

Waarom begin ik met die ervaringen? Om duidelijk te maken dat er in de werkelijkheid – ik spreek nog niet over wenselijkheid of onwenselijkheid – een relatie is tussen ons kerkelijk leven en geloofsleven enerzijds en ons overige leven, de cultuur en de tijd waarin wij leven anderzijds. Op andere plaatsen en in een andere omgeving leven we niet alleen anders, maar geven we ook anders vorm aan ons kerkelijk en geloofsleven. Zo weten we dat in de Verenigde Staten de keuzevrijheid en vrijheid van handelen een van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste, waarde is. En daarom is het – cultureel gezien – vanzelfsprekend dat Amerikanen zich niet laten voorschrijven van welke kerk zij lid moeten worden, maar dat zij zich vrij voelen hun eigen kerk te stichten.

Het gaat hier niet alleen maar om (uiterlijke) vormen; nee, ook de inhoud van het geloof wordt door de heersende cultuur ‘gekleurd’. Zo is het ook min of meer vanzelfsprekend dat gereformeerden in de Verenigde Staten – ofschoon het niet klopt met hun belijdenis – overhellen naar het Arminianisme, omdat, zoals één van hen het omschreef, “Arminianism can be described as the ideology of American culture” (Voskuil 1997: 106).

De cultuur waarin wij leven ‘kleurt’ dus ons geloofsleven. En veranderingen in die cultuur zullen dus ook tot veranderingen in dat geloofsleven gaan leiden. Ons persoonlijk bevinden in die cultuur en onze persoonlijke positie in de samenleving zijn beiden ook weer van invloed op onze houding tegenover die veranderingen. Ik wil hier nog een voorbeeld van geven. Zoals bekend, zijn de Gereformeerde Kerken in Nederland (ook wel synodaal genoemd) in de tweede helft van de vorige eeuw ingrijpend veranderd.3 Lang niet iedereen was met de ‘nieuwere’ opvattingen en vormgevingen gelukkig. Voor ons onderwerp is het belangrijk dat we via onderzoek hebben kunnen vaststellen dat de ‘bezwaarden’ een min of meer af te bakenen sociale categorie vormden. Zij waren met name te vinden onder de ouderen, onder de plattelanders, meer onder de oude dan onder de nieuwe middenstand en meer onder de lager dan onder de hoger opgeleiden. Kortom, onder mensen die leven in ‘oude’ posities en situaties.4 Dit wijst dus op een sterke samenhang tussen onze positie in de samenleving, onze persoonlijke leefwereld, enerzijds en onze houding tegenover (de veranderingen in) het kerkelijk en geloofsleven anderzijds. Ik ben ervan overtuigd dat een onderzoek onder de leden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) op het ogenblik een gelijksoortig beeld zou opleveren!

Genoeg voorbeelden om er vanuit te gaan dát er een samenhang is tussen enerzijds de ontwikkelingen in de samenleving en de cultuur en anderzijds ons geloofsleven en ook onze houding tegenover de bijbel. Daarom is er voldoende reden om ons niet terug te trekken in de stelling dat het in het geloof om voor alle tijden en alle plaatsen vaststaande vormen en inhouden gaat. En dus is er ook weinig grond voor de stelling dat we ons niet te veel behoeven aan te trekken van wat er in de samenleving gebeurt. Juist voor de vrijgemaakt-gereformeerden, die de wereld niet mijden, maar er vanuit hun geloof op betrokken zijn en willen zijn, is dit een onmogelijke en onacceptabele positie.5 Het is noodzakelijk om met elkaar serieus te kijken naar wat er in de samenleving gebeurt en welke invloed er van bepaalde ontwikkelingen op ons geloofsleven uitgaat of kan uitgaan.

3. De veranderingen in de samenleving

De veranderingen in samenleving en cultuur die het godsdienstig leven en onze houding tegenover de bijbel sterk hebben beïnvloed wil ik nu proberen te schetsen door op een aantal processen in onze samenleving te wijzen. Het gaat om processen die uiteraard sterk met elkaar samenhangen en elkaar ook deels overlappen. Ik beperk mij tot vier van die processen en doe dat onder de kopjes: individualisering, subjectivering, functionalisering en pluralisering.

3.1 Individualisering

Individualisering is het proces waarbij mensen losraken en zich losmaken van traditionele verbanden, zoals de familie, de lokale gemeenschap en de kerk en in toenemende mate zelf willen (keuzevrijheid) en/of moeten (keuzedwang) bepalen hoe zij hun leven vormgeven.6

Dit is een collectief-sociaal proces, meer dan een individueel-psychisch proces en niet gelijk te stellen met egoïsme of egocentrisme. Het is ook een proces op lange termijn, maar neemt in ons land vooral in de tweede helft van de vorige eeuw gestalte aan als de levensbeschouwelijke en godsdienstige zuilen hun kracht beginnen te verliezen. Er ontstaat een keuze-vrijheid: mensen laten zich minder (gemakkelijk) opvattingen of gedragingen voorschrijven en kiezen steeds meer zelf uit het grote en veelzijdige aanbod in onze samenleving. Maar er is ook keuzedwang: individuen zien zich steeds meer genoodzaakt hun eigen levensloop te ontwerpen en kunnen steeds minder gemakkelijk terugvallen op traditionele patronen. Het gaat dan ook gepaard met een zeker ‘anti-institutionalisme’: er ontstaat een zeer kritische/sceptische houding die zich stelt tegenover instellingen die opvattingen en gedragingen hebben geïnstitutionaliseerd. Men is kritisch geworden ten aanzien van het voorgegevene en voorgeschrevene. In samenhang daarmee wordt ook wel over ‘gezagsverlies’ gesproken.

In de samenleving wordt dit zichtbaar in de keuzes die gemaakt worden met betrekking tot opleiding en beroep, het aangaan van relaties met buren, vrienden, familie (vrijheid en selectie) en huwelijk, samenwonen en gezinsvorming.

In het kerkelijk en geloofsleven kunnen we bij onszelf signaleren dat we kritisch zijn geworden tegenover het hele pakket opvattingen en gedragingen die ons overgeleverd zijn. Wij willen graag zelf bepalen wat wij daarvan ‘overnemen’. Zijn we zo niet vaak bezig ons eigen levensbeschouwelijk en godsdienstig systeem op te bouwen? Men spreekt wel over ‘geloven à la carte’, ‘koud buffet geloof’ en ook wel over ‘Sheilaism’.7 Zijn we immers vaak niet op zoek naar een gemeente ‘die bij ons past’?8

3.2Subjectivering

Het begrip ‘subjectivering’ duidt op het proces waarin de subjectieve ervaring, de beleving van de mensen, belangrijker wordt dan hetgeen zogenaamd objectief vaststaat, het voorgegevene en het voorgeschrevene.

vaststaat, het voorgegevene en het voorgeschrevene. In dit proces gaat het om een verandering van de bewustzijnsvorm van de mensen, waardoor zij de zaken om hen heen anders waarnemen en als gevolg ook anders met waarden en waarheden omgaan. Waarheden zijn gegevenheden waarmee mensen in voortdurende reflectie bezig zijn en die pas waarheden worden als zij corresponderen met de eigen ervaring en beleving van mensen.9

Er is een ontwikkeling van objectiviteit naar subjectiviteit. Dus ook van de objectieve, buiten de persoon vaststaande waarheid naar een subjectieve, een persoonlijk ervaren en beleefde waarheid. Daar komt bij dat het gevoelsleven, het emotionele beleven belangrijker wordt dan het verstandelijke, het rationele weten.

En hoe werkt dat in het kerkelijk leven en het geloofsleven? We zien dat religieuze tradities voor moderne individuen pas betekenis en waarde krijgen als zij ze zelf als zodanig kunnen ervaren. Vandaar bijvoorbeeld het ontstaan van de feministische theologie en de invoering van ‘het relationele waarheidsbegrip’. Met dit laatste wordt bedoeld een waarheidsbegrip “waarbij men er meer de nadruk op legt dat zich alleen via een innige relatie tussen subject (mens) en object (iets buiten de mens) waarheid openbaart” (Gereformeerde Kerken 1981: 11). In het geloofsleven wordt meer nadruk op geloofservaring gelegd; die ervaring is voor veel mensen belangrijker geworden dan ‘de leer’ of belijdenis. Dus gaan we de bijbel ook anders lezen. Toen op een synodevergadering in een discussie over de positie van de vrouw in de kerk een lid opmerkte dat we nu dreigden af te wijken van een vroeger ingenomen – bijbels gefundeerd – standpunt, antwoordde de synodepreses dat we ook nu uitgingen van de bijbelse gegevens, maar dat we de bijbel nu anders lezen (!).

3.3 Functionalisering

Functionalisering is een proces dat veel aspecten omvat. Het is inherent aan de groeiende rationalisering, organisering en bureaucratisering van onze samenleving. In zijn indringende analyse van de veranderingen in de hedendaagse denken leefwereld onderscheidt Van Peursen drie fasen in het verloop der geschiedenis: de mythische, de ontologische en de functionele fase.10 De hedendaagse cultuur bevindt zich volgens hem in de overgang van ontologisch naar functioneel denken. Daarom kunnen we ook over een proces van functionalisering spreken.

Een van de aspecten van functionalisering is dat het doel-rationeel handelen toeneemt ten koste van het waarde-rationeel handelen: men handelt rationeel met het oog op het bereiken van bepaalde doeleinden. De centrale vragen van de mensen hebben minder betrekking op het zijn en meer op de zin, minder op het ‘wat’ en meer op het ‘hoe’. De houding tegenover de werkelijkheid wordt daarmee anders: de vraag naar het wezen van de dingen komt pas aan de orde binnen de context van de manier waarop een verschijnsel functioneert.

Ik geef een paar voorbeelden uit de samenleving. In de politiek schudt men de ideologische veren af en gaat men steeds pragmatischer te werk. Handelingen worden steeds meer beoordeeld op hun nuttigheid. De vraag wat iets voor iemand persoonlijk betekent wordt steeds belangrijker. Voor veel studenten ligt het belang van de universiteit niet primair in het gegeven dat men daar kennis van de werkelijkheid kan opdoen, maar in het feit dat men er een diploma kan halen met behulp waarvan men een goede baan kan krijgen.

In het kerkelijk leven en het geloofsleven komt dit ook naar voren. De aandacht verlegt zich van de inhoud van het geloof naar de betekenis van het geloof: niet wat het geloof ís, maar wat het geloof dóet wordt de belangrijkste vraag; evenzo lijkt niet langer niet de vraag wie God is, maar wat God doet de belangrijkste vraag geworden. Ik constateer een verschuiving van belangstelling voor de eigenschappen van God naar interesse voor de werking van God. Zo verschuift ook rond de kerk de belangstelling van de vraag naar wat de kerk in wezen is naar de vraag wat de kerk kan of moet doen. In het kerkelijk leven en het geloofsleven is er dan ook een verschuiving van ‘orthodoxie’ naar ‘ethicalisme’, van de leer en de dogma’s richting het leven. Kerk en geloof worden voor de mensen pas reëel als ze zien hoe beiden functioneren in het leven van mens en samenleving.

3.4 Pluralisering

Samenhangend met de hiervoor beschreven processen vindt er in onze samenleving ook een toenemende pluralisering plaats, dat wil zeggen een toenemende verscheidenheid in opvattingen en gedragingen. Daarbij gaat het ons niet in de eerste plaats om de pluraliteit op samenlevingsniveau, want die kennen we – zeker in onze Nederlandse samenleving – al lang, maar om de pluraliteit op individueel niveau. Het gaat hier dus om de toegenomen verscheidenheid in opvattingen en gedragingen bínnen de sociale verbanden.

We leven in een gedifferentieerde samenleving, waardoor mensen in verschillende situaties leven. Op die manier worden waarden en gedragingen uit verschillende samenlevingssectoren ‘overgenomen’ en ‘ingebracht’ in hun eigen groepering (voorbeeld: gelovige militairen in de kernwapendiscussie). Bovendien nemen mensen – ook als zij in dezelfde situatie leven – niet allemaal hetzelfde over uit het in die samenlevingssector vigerende gedachtegoed; op grond van de keuze-vrijheid die zij hebben selecteren zij in het aanbod, hetgeen de verscheidenheid nog vergroot. Zodoende bestaat er binnen alle verbanden grote verscheidenheid en zijn er geen ‘grote verhalen’ meer. Culturele pluraliteit brengt godsdienstige pluraliteit met zich mee.

In de samenleving is dit duidelijk zichtbaar: binnen de politieke partijen blijkt er op talloze punten verschil van mening te zijn; we komen telkens tot de ontdekking dat we met medemensen, met wie we op belangrijke punten eensgezind zijn, op andere belangrijke punten van opvatting of houding kunnen verschillen.

En hoe werkt dit uit in het kerkelijk leven en het geloofsleven? Ook daar vindt een toenemende pluralisering plaats. Mensen bouwen hun eigen wereld en zo ook hun eigen van de ander afwijkende levensbeschouwelijke wereld op. Het aantal met anderen gedeelde, dus gemeenschappelijke opvattingen en gedragingen wordt binnen de kerk steeds geringer. Zelfs in schijnbaar homogene groeperingen is er veel ‘verzwegen pluraliteit’, met alle gevolgen van dien: bijvoorbeeld over discutabele zaken praat men vaak niet meer.

4. Een seculiere samenleving

Het is, naar ik hoop, duidelijk dat de veranderingen in de samenleving niet alleen van invloed zijn op het menselijk leven in het algemeen, maar ook op het godsdienstig leven van de mensen. De uitwerking van die veranderingen wordt nog versterkt door het feit dat zich in Nederland – ongetwijfeld in samenhang met de beschreven processen – een fundamenteel secularisatieproces voltrokken heeft. We leven niet meer in een christelijk land, maar in een seculier land.

Het is hier niet de plaats om op het secularisatieproces als zodanig in te gaan. Maar op één belangrijk gegeven wil ik toch wijzen en dat is dat het godsdienstig leven extra bedreigd wordt in een niet-godsdienstige omgeving. Sociologisch gesproken is het namelijk een fundamenteel gegeven dat opvattingen van mensen voor hen geloofwaardig zijn en blijven als en voor zover deze opvattingen omringd zijn door een wereld die deze opvattingen deelt en bevestigt. Onze opvattingen – ook onze godsdienstige opvattingen – hebben, om in stand te blijven, sociale bevestiging en ondersteuning nodig. Het is niet in de laatste plaats Peter Berger die hierop heeft gewezen en daarvoor het begrip geloofwaardigheidsstructuur heeft geïntroduceerd (vgl. Berger 1969). Welnu, deze ‘sociale bevestiging en ondersteuning’ zijn in een seculier geworden land niet langer aanwezig.

Weliswaar hebben in Nederland de godsdienstige groeperingen hun eigen geloofwaardigheidsstructuur opgebouwd. We kennen in Nederland immers het verschijnsel van de verzuiling, het verschijnsel dat op allerlei levensterreinen mensen zich op basis van dezelfde levensbeschouwing georganiseerd hebben. Waardoor de verschillende levensbeschouwelijke groeperingen zich tevens afschermden voor de invloeden van de omringende cultuur.

Maar er heeft zich in Nederland vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw ook een proces van ontzuiling voorgedaan, een proces waardoor de levensbeschouwelijk- verzuilde organisaties minder omvangrijk of minder belangrijk worden of zelfs geheel verdwijnen. Het is een proces dat sterk samenhangt met de processen van individualisering en pluralisering, waardoor de collectieve en dus georganiseerde vormgeving van het geloof steeds moeilijker wordt. Min of meer tegen de stroom in hebben de vrijgemaakt-gereformeerden in de tweede helft van de vorige eeuw juist een sterk verzuild bolwerk opgebouwd. Maar wie geen vreemdeling in Jeruzalem is weet dat dit bolwerk sinds enkele jaren ook scheuren begint te vertonen. Dit wil zeggen dat ook de vrijgemaakt-gereformeerden in alle hevigheid met de veranderingen in de samenleving en cultuur geconfronteerd worden en dat zij de invloed van die veranderingen op hun godsdienstig leven niet langer kunnen ontkennen of ontlopen.

5. De snelheid van de veranderingen

Dat de genoemde veranderingen in de samenleving problemen met zich meebrengen voor het godsdienstig leven, mag duidelijk zijn. Maar waarom wordt dit probleem juist nú als zo’n acuut probleem ervaren?

Dit lijkt na de voorgaande uiteenzetting een vreemde vraag. Immers: de samenleving is toch altijd in verandering geweest en de christelijke kerken, alsmede de individuele gelovigen hebben toch altijd hun houding tegenover die veranderende samenleving moeten bepalen? We weten toch dat de gestalte van het christelijk geloof in de Middeleeuwen anders was dan ten tijde van het Nieuwe Testament en dat kerken er nu weer heel anders uitzien; en ook dat gelovigen zich nu weer heel anders gedragen dan een aantal eeuwen geleden? Kerken en gelovigen hebben zich toch al eeuwen door ‘aangepast’ aan de veranderingen in samenleving en cultuur? Waarom is dat dan op dit moment zo problematisch geworden?

Naast de toenemende secularisatie moeten we hier tot slot nog op één andere factor wijzen en dat is de snelheid waarmee de veranderingen op dit ogenblik plaatsvinden. Dát de veranderingen in de samenleving op het ogenblik met een voor velen niet bij te houden snelheid plaatsvinden behoeft weinig betoog. Maar voor de ‘verwerking’ van die veranderingen is dat een heel essentieel gegeven.

Vroeger vonden veranderingen als het ware door de generaties heen plaats: een volgende generatie week in opvattingen en gedragingen iets af van de vorige generatie en de laatste kon daar meestal wel vrede mee hebben (die hoefde zelf namelijk niet te veranderen). Tegenwoordig vinden de veranderingen bínnen de generaties plaats: mensen moeten zelf, in hun eigen leven, veranderen; en tegenwoordig zelfs meer dan één keer. Dat is in het beroepsleven zo – vandaar de behoefte in het economisch leven aan flexibiliteit – maar eigenlijk bij de inrichting van ons hele leven. En dus ook in het geloofsleven!

En omdat het nu eenmaal een gegeven is dat niet iedereen in hetzelfde tempo en ook op dezelfde manier verandert,11 wordt niet alleen op het persoonlijk vlak met problemen geworsteld, maar ontstaan ook binnen elke groepering spanningen en conflicten, juist over het wel of niet geoorloofde van de ‘aanpassingen’ of over het tempo waarin ‘aanpassingen’ moeten of mogen plaatsvinden. De snelheid en het vaak overrompelende effect van de veranderingen zorgen er dus voor dat we meer dan anders moeite hebben met de veranderingen in de wereld om ons heen.

6. Het probleem

Na deze schets van de veranderingen en de problemen die deze veranderingen met zich mee kunnen brengen voor het godsdienstig leven, veroorloof ik me nog enkele opmerkingen over het probleem zelf en vooral over de vraag op welke wijze we het probleem tegemoet kunnen treden.

Het probleem is, kort geformuleerd, de relatie tussen de cultuur en het geloof. Dát er in feite een relatie is (en altijd is geweest) is na het voorgaande duidelijk. De vraag is hoe we tegen die relatie (moeten) aankijken: moeten we concluderen dat het in de werkelijkheid helaas niet anders is of kan, of hebben we hier met een wenselijke, een nastrevenswaardige situatie te maken?

Het antwoord op die vraag bepaalt ook onze houding tegenover de veranderingen die op dit moment plaatsvinden. Zien we die veranderingen als een bedreiging van ons kerkelijk en geloofsleven en moeten we ons daarom inspannen om dat leven zoveel mogelijk te beschermen tegen de invloeden van die veranderingen? Of zien we de veranderingen als een uitdaging aan dat kerkelijk leven en ons geloofsleven; en streven we ernaar om ons als kerk en gelovigen te heroriënteren met het oog op de veranderende samenleving?

In het eerste geval – zo kan de kerkgeschiedenis ons leren – dreigen we achter de feiten aan te lopen en lopen we de kans dat we later min of meer gedwongen worden ons toch aan de gewijzigde situatie aan te passen en te herroepen wat we eens hebben gezegd. Bovendien is er het grote gevaar dat we een kerkelijk en geloofsleven verdedigen dat steeds verder verwijderd raakt van de rest van het leven. Streeft men naar een geloofsleven dat verbonden is met het hele leven en naar een geloof dat (en een kerk die) van betekenis is voor het huidige leven en samenleven van de mensen, dan lijkt de enige oplossing te proberen creatief op de veranderingen in de samenleving in te spelen.

De laatste houding impliceert dat men niet alleen aanvaardt dat er in feite een relatie tussen ons geloof en de cultuur is, maar ook dat zo’n relatie wenselijk is. Het betekent dat ons kerkelijk en geloofsleven móet veranderen in en met de veranderende samenleving, opdat het een levend geloof en een betekenisvol godsdienstig leven kan zijn.

Ter voorkoming van misverstand wil ik er hier graag bij zeggen dat het scheppen en onderhouden van een relatie tussen het geloofsleven en de rest van het (samen)leven voor mij niet betekent dat het geloof zich zonder meer aanpast bij de ontwikkelingen in het leven en samenleven van de mensen. Het gaat, als ik het met één woord moet uitdrukken, meer om een ‘aansluiten’ dan om een ‘aanpassen’. Het gaat er om dat het geloof betrekking heeft op en betrokken wordt op het gebeuren in de samenleving; dat het daar niet los van komt omdat het dan van geen betekenis voor het leven en samenleven kan zijn.12

Ruim een eeuw geleden heeft de ‘stichter’ van de Gereformeerde Kerken, Abraham Kuyper, eens gezegd dat het een taak was de theologie ‘weer wakker te schudden en in rapport te brengen met het menschelijk bewustzijn’ gelijk zich dat in die tijd ontwikkeld heeft (Kuyper 1894: voorwoord VI). Zou die taak er ook kunnen liggen voor onze ecclesiologie, ons geloof en onze houding tegenover de bijbel? Op die vraag zullen we moeten ingaan willen we echt de veranderingen in samenleving en cultuur serieus nemen.

Als ik ten slotte nog een suggestie mag doen: ter wille van de duidelijkheid en eerlijkheid kan het aanbeveling verdienen om niet op een abstract en (te) theoretisch niveau te discussiëren over deze vraag, maar om zich op een concrete verandering in de samenleving te richten en zich af te vragen hoe daarop vanuit kerk en geloof gereageerd zou kunnen of moeten worden. Ik denk bijvoorbeeld aan de positie van de vrouw. Op dit punt hebben zich in de afgelopen halve eeuw grote veranderingen voorgedaan. Welke consequenties zouden daaruit getrokken kunnen of moeten worden voor het godsdienstig leven? Die vraag raakt zowel de inrichting van het kerkelijk leven en het persoonlijk geloofsleven als de houding tegenover de bijbel. Het helpt misschien als we deze verandering vergelijken met de veranderde positie van en houding tegenover slavernij én met de reactie van de kerken en van het christelijk geloof op die verandering. Of zou het waar zijn wat een historicus onlangs zei, dat de geschiedenis ons leert dat we niets van de geschiedenis leren?

Noten

1 Dit artikel is een door de redactie bewerkte lezing voor het Paascongres van de gereformeerde studenten, 2003.

2 Ik wijs op de Oproep tot Reformatie van de vereniging Reformanda (Nederlands Dagblad van 12 februari 2003) en op de recente oproep tot verootmoediging van de zijde van het moderamen van de synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt).

3 Zie Dekker (1992).

4 Zie Dekker (1967).

5 Zie hiervoor Dekker en Peters (1989) en Dekker (1994).

6 Definities (en verdere omschrijving van de processen) ontleend aan Dekker en Stoffels (2001).

7 Genoemd in een Amerikaans onderzoek: het zeer particuliere geloof van één van de geïnterviewden, namelijk Sheila. (Bellah et al 1985: 221).

8 Zie Dekker en Stoffels (1998).

9 Zie Schelsky (1957).

10 Van Peursen (1970).

11 We hebben hier met een van de oorzaken van de toegenomen pluraliteit te maken; een bewijs te meer hoe de verschillende processen in de samenleving met elkaar samenhangen.

12 Ik verwijs hiervoor verder naar een vroegere studie van mij: Dekker (1983).

Literatuur

Bellah, R. N. et al. 1985. Habits of the Heart. Individualism and Commitment in American Life. Berkeley / Los Angeles / London: University of California.

Berger, P. L. 1969. Het hemels baldakijn. Utrecht:Ambo.

Dekker, G. 1992. De stille revolutie. De ontwikkeling van de Gereformeerde Kerken in Nederland tussen 1950 en 1990. Kampen: Kok.

Dekker, G. 1967. ‘Het ‘gewone volk’ aan het woord.’ Regelrecht 4 (7/8): 228-252.

Dekker, G. 1983. Oude wijn in nieuwe zakken. Over de christelijke godsdienst in de moderne samenleving. Baarn: Ten Have.

Dekker, G. 1994. ‘Bevinden de kerken zich op een hellend vlak?’ In: Harinck, G. en M. te Velde (red.), 1944 en vervolgens. Tien maal over vijftig jaar Vrijmaking. Barneveld: Vuurbaak, 74-81.

Dekker, G. en J. Peters. 1989. Gereformeerden in meervoud. Een onderzoek naar levensbeschouwing en waarden van de verschillende gereformeerde stromingen. Kampen: Kok.

Dekker, G. en H.C. Stoffels. 1998. Een kerk die bij mij past. Gereformeerde jongeren over de kerk. Kampen: Kok.

Dekker, G. en H.C. Stoffels. 2001. Godsdienst en samenleving. Een introductie in de godsdienstsociologie. Kampen: Kok.

Dekker, G., D. Luidens en R. Rice (eds.) 1997. Rethinking Secularization. Reformed Reactions to Modernity. Lanham: University Press of America.

Gereformeerde Kerken 1981. ‘God met ons. Over de aard van het schriftgezag. Een rapport vanwege de Gereformeerde Kerken.’ Kerkinformatie 113.

Huizinga, J. 1935. In de schaduwen van morgen. Een diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd. Haarlem: Tjeenk Willink.

Kuyper, A. 1894. Encyclopaedie der heilige Godgeleerdheid. I. Amsterdam: Wormser.

Peursen, C.A. van. 1970. Strategie van de cultuur. Een beeld van de veranderingen in de hedendaagse denk- en leefwereld. Amsterdam / Brussel: Elsevier.

Schelsky, H. 1957. ‘Ist die Dauerreflektion institutionalisierbar?’ Zeitschrift für Evangelische Ethik, 1, nr 4.

Voskuil, D.N. 1997. ‘Strangers in Their Own Land: Calvinists in an Armenian Culture.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.