+ Meer informatie

Herder en schapen

5 minuten leestijd

1. De herder.

In oude tijden gebeurde het nogal eens, dat de kudden geweid werden door ongetrouwde meisjes. Dit waren heus niet altijd meisjes, die dit werk moesten doen om er een paar cent bij te verdienen, want zelfs de dochters van de rijke sjeik voelden zich er niet te verwaand voor. We behoeven slechts aan de Bijbelse voorbeelden, als Rachel en de 7 dochtex's van Jetro w.o. Zippora te denken. Toch moet men zich het herdersleven niet te licht voorstellen, zoals uit het vervolg wel blijken zal. Vaak gaat men immers het herdersleven idealiseren: men stelt zich voor een vruchtbaar weidegebied, waarin de „witgewolde kudde" vredig graast, een vriendelijk, lachend zonnetje, een herder met zijn

trouwe hond, samen, ergens rustend in de schaduw van boom of struik enz. Deze voorstelling, die in muzikale pastorales (= muziekstuk, waarin het landleven wordt verheerlijkt) ook altijd een uitbeelding vindt, is voor de Palestijnse herder ten enenmale fout. Deze herder heeft een zwaar levensbestaan, hij is de geharde, de trouwe; de man, die zijn leden over heeft voor zijn kudde, waar hij dag en nacht over waken moet; overdag moet hij de hitte der zon, vermoeidheid en dorst doorstaan, om dan nog maar te zwijgen van de ontzettende gevaren, die dreigen; 's nachts voelt hij „de koude van de nacht".

De zoëven genoemde herdersmeisjes waren dan ook niet altijd voor hun zware taak berekend, getuige d< gebeui'tenis bij de waterput in Midian: En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders te drenken. Toen kwamen de herders en zij dreven haar van daar; doch Mozes stond op en verloste ze en di^enkte hare kudden." (Ex. 2 : 16 en 17.) Dit gebeurde niet eenmaal, maar dagelijks, want hun vader verbaasde zich er over, dat ze die middag zo vroeg thuis waren.

Wij moeten ons m.i. voorstellen, dat kudden, die in de buurt blijven, en 's avonds naar huis komen, geweid werden door meisjes, dus als de omstandigheden dat toelieten, maar kudden, die wekenlang rondtrekken, werden geweid door flinke jongens of mannen.

Uiterlijk ziet de herder er heel eenvoudig uit: het gewone ruwe onderkleed met een rode riem als gordel, bij guur weer een mantel van kemelshaar om of een eenvoudige geiten-of schapenvacht, die 's nachts als deken dienst kunnen doen.

Omstandigheden dwingen hem, goed gewapend zijn werk te doen. Deze wapens zijn stok, staf en slinger. De stok hangt aan de gordel, de staf heeft hij in de hand om er onderweg op te steunen, de slinger meestal in de hand.

De stok, knuppel of knots is gemaakt van taai eikenhout. bv. van eiken van Gilead of Basan. Hij is ongeveer 60 cm lang en heeft aan het ene uiteinde een ronde knop met een groot aantal ijzeren spijkers beslagen. (denk aan de knotsen in de Middeleeuwen, berucht in onze Vad. Gesch.) In het andere einde van de steel is een gat geboord, waardoor een stevig touw is gehaald. Bij de nadering van rover of wild dier grijpt de herder zijn knots, windt het koord een paar maal om zijn pols, zodat het wapen hem niet kan ontglippen en het hem niet uit de hand gewrongen kan worden, en dan is hij bereid met een wild dier op leven en dood te vechten. In de handen van een geoefend man is deze knots een dodelijk wapen. Niet bepaald geschikt als meisjeswerk.

De staf is veel langer, bv. zo lang als de herder zelf of nog langer. Het einde is vaak omgebogen als onze wandelstokken. Met deze staf worden de schapen geleid, van gevaar teruggebracht, voor afdwalen behoed en treuzelende dieren met een tik bestraft. Stort een schaap van een steile helling af, maar blijft het aan een struik bv. hangen of dreigt het van een helling te storten, dan wordt het ronde einde om de nek van het dier geslagen om het voor verder vallen te behoeden en zo mogelijk weer terug te trekken.

Stok en staf zijn dus werktuigen van de herder, om

de schapen te beschermen en te leiden. Daarom lezen we in de herderspsalm, ps. 23 : 4: Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij."

De slinger wordt gebruikt om afdwalende schapen bij de kudde terug te doen keren. Is het schaap nog dichtbij, dan werpt de herder met de hand een steentje of kluitje aarde, is het al te ver weggedwaald, dan neemt hij een gladde steen uit zijn tas en slingert dit zo met de slinger, dat het vlak bij de dwaler neerkomt, maar zonder hem te raken. Verschrikt vlucht het dier dan weer naar de kudde terug.

Het valt niet mee, om met een slinger goed te kunnen raken. Dat kost veel oefening. Had men het eenmaal goed in de slag, dan was ook dit een zeer gevaarlijk wapen. Vandaar, dat het veel als oorlogstuig gebruikt werd, al heel vroeg in de geschiedenis bij Syriërs, Assyriërs, Egyptenaren en Perzen bv. Maar ook in de Bijbel lezen we, dat de Benjaminieten er mee om wisten te gaan: Onder al dit volk waren zevenhonderd uitgelezene mannen, welke links waren; dezen allen slingerden met een steen op een haar, dat het hun niet miste." (Richt. 20 : 16.) En op de bekende geschiedenis van David en Goliath hoeven we zeker niet meer te wijzen.

Ik vrees niet, neen, schoon ik door duistre dalen, In doodsgevaar, bekommerd om moest dwalen; Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden; Uw stok en staf zal mij altoos behoeden. Gij troost mijn ziel, en richt, in mededogen, De tafel aan, voor mijner haat'ren ogen. (Ps. 23 : 2.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.