+ Meer informatie

Kerkregering

4 minuten leestijd

Vragen bij de openbare belijdenis des geloofs

Eén van onze predikanten, een oud-leerling van mij, vroeg mij in Ambtelijk Contact iets te schrijven over de vragen bij de openbare belijdenis des geloofs. Eèn van zijn ouder-lingen had de opmerking gemaakt dat de nog op vele plaatsen in gebruik zijnde vra-gen van Voetius nogal „intellectualistisch” waren en aanleiding gaven tot het afleggen van een belijdenis van het zgn. historische geloof. Bovenbedoelde predikant was van mening dat dit toch onmogelijk de bedoe-ling van een man als Voetius kon zijn, maar hij was niet in staat gebleken zijn ouderling ervan te overtuigen dat diens indruk van Voetius’ vragen onjuist was. Daarom roeg hij mij er iets over te schrijven.

Ik wil gaarne aan dit verzoek voldoen, hoe-wel ik er vroeger bij de behandeling van ar-tikel 61 van onze Kerkorde in De Wekker ook aandacht aan heb besteed. Het is echter niet mijn bedoeling heel het complex van vragen inzake de openbare belijdenis des geloofs te behandelen — het zou een lange serie artikelen worden, en daarvoor is ons Ambtelijk Contact niet het aangewezen orgaan. Alleen het voornaamste willen wij even naar voren brengen.

Wij kunnen beginnen met de opmerking dat van meetaf inzake de belijdenisvragen grote vrijheid aan de kerkeraden en predikanten is gelaten. Geen enkele synode of classis heeft bepaalde vragen voorgeschreven. Wat de vorm betreft is er dan ook tamelijk gro-te variatie geweest, maar het is opmerkelijk dat de vragen, die bij de openbare belijdenis gesteld werden, naar de inhoud toch met elkander overeenstemden en geheel in de geest waren van de vragen die de bekende Marten Micron bij de vluchtelingengemeen-te te Londen invoerde. Micron, die organisa-torische talenten had, gaf in 1554 te Em-den uit De Christelicke Ordinancien der Ne-derlantscher Ghemeinten te Londen, welk belangrijk werk in 1956 door prof. dr. W. F. Dankbaar opnieuw werd uitgegeven. Welnu, in deze Christelicke Ordinancien vinden wij een hoofdstuk dat tot titel draagt De ondersoeckinghe des gheloofs ouer de ghc-ne, die haer totter Ghemeinten willen be-gheuen, om d’Nachtmael des Heeren te ge-bruycken Cap. 16. Zij die tot de gemeente toegelaten willen worden moeten voor alle dingen een „ghetuijghenisse” van hun ge-loof geven. De eerste vraag luidt: Hoe sydy in uwe herte versekert, dat ghy een lidtmaet der Ghemeinte Christi sijt. En het antwoord zegt: Wt dien dat de heylighe Gheest tot mynen gheest ghetuycht, dat ick een kint Gods des vaders sy, doer Jesum Christum synen sone ende mynen oppersten Prister: de welcke my, doer de heylighe offerhan-de syns lichaeras ende wtstortinghe syns bloets, van myne souden ghesuyuert heeft. Ick gheuoele oock bouen dien, dat ick, doer den gheest Gods, tot de ghehoersaemheit der goddelicker gheboden gheroert werde. Na de behandeling van de Wet enz., lezen wij: Als de ghene, die hem totter Ghemeinte begheuen wilt, dese hooftstucken inden grondt bekent ende beleden heeft: so vraechtmen hem, oft hy ergens inne (der leeringhen haluen) eenighen twyfel heeft: op datmen hem ghenoch doen mach. Indien hy segt Ja, so soectmen hem wt de Schrift te voldoen. Ende ist dat hy gherust is: so vraechtmen hem, oft hy voer hem ghenomen heeft, by dese voerseide leeringhe te blyuen ende de werelt te versaken: ende een niew christelick leuen te leiden? Teneinde vraechtmen hem oock: Oft hy hem der Christelicker straffe wilt ghewillichlick on-derwerpen? D’welck hy ghedaen hebbende, so vermaentmen hem tot vrede, liefde ende eendrachticheit met alle menschen, ende tot vredemakinghe: indien hy met iemandt eenich wtstel heeft.

In 1608 gaf de kerkeraad van Middelburg uit het bekende Kort Begrip der Christe-lijke Religie voor hen die zich willen bege-ven tot des Heeren Heilig Avondmaal, naar alle waarschijnlijkheid door ds. Herman Fau-kehus vervaardigd. Achter dit Kort Begrip werd als aanhangsel geplaatst wat wij boven aanhaalden uit de Christelicke Ordinancien. Bij de belijdenis werden dus dezelfde vra-gen gesteld als bij de vluchtelingengemeente te Londen. De nationale synode van Dor-drecht, 1618/19, beval het gebruik van het Kort Begrip aan, en dat was dus tevens een aanbeveling van de vragen van Micron. wij kunnen m.i. veilig aannemen dat men op vele plaatsen deze vragen stelde, al was er geen enkel synodaal voorschrift.

In een volgend artikel gaan we verder

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.