+ Meer informatie

HET SPREKEN VAN DE KERK IN DE CULTURELE CONTEXT VAN VANDAAG* (1)

14 minuten leestijd

Ter inleiding

Tegen het einde van het tweede millennium is de communicatie van het evangelie in onze moderne cultuur al meer voorwerp van intensieve bezinning geworden. Dat de vragen en zorgen die hier liggen ook door het orthodoxe deel van kerkelijk Nederland zijn opgemerkt, behoeft geen betoog. Ik herinner slechts aan de veelzijdige bundel Met het Woord in de tijd onder redactie van drs. W. Dekker e.a. uit 1985, aan de grote EO-conferentie over het thema De boodschap en de kloof in 1997 en aan het belangwekkende boek van dr. A. Noordegraaf Vijf broden en twee vissen. Missionair gemeentezijn in een (post)moderne samenleving, dat verscheen in 1998. Niet alleen op theologisch-academisch niveau, maar juist ook op het grondvlak van de gemeente mag het spreken van de kerk in de culturele context van vandaag de nodige aandacht krijgen.** Met dit artikel wil ik aan het laatste graag een bijdrage leveren.

Mijn bijdrage bestaat uit vier delen. Eerst proberen we in het kort een indruk van de huidige situatie te verwoorden, met daarbij enkele weinig opwekkende opmerkingen. Vervolgens vragen we door naar oorzaken en achtergronden, met daarbij enkele kritische opmerkingen. Daarna zetten we het thema in een breder kader neer, met daarbij enkele bemoedigende opmerkingen. Tenslotte eindigen we met een vooruitzicht, met daarbij enkele praktische opmerkingen.

1. Een schets: probleem en moeite

‘Mijn rechterbuurman is vannacht gestorven / en ik heb nooit één woord tot zijn behoud gezegd’, zo eindigt een gedicht van Cor Nobel. Het gedicht zelf is wellicht minder bekend; de inhoud ervan is maar al te herkenbaar. Bij hoeveel kerkmensen weerspiegelt dit de praktijk: ‘nooit één woord tot zijn behoud gezegd’? Nog niet eens omdat ze dat niet zouden willen, maar omdat ze het idee hebben dat ze dat niet meer kunnen. Zo groot is de kloof die naar hun gevoel gegroeid is tussen de hoofdzaak van het christelijk geloof enerzijds en de gewone dagelijkse realiteit anderzijds. Schuld en verzoening, wedergeboorte en heiliging, uitverkiezing en rechtvaardiging, verlossing door het bloed van een tweeduizend jaar geleden onder de Romeinse overheid geëxecuteerde gevangene - hoe leg ik dat alles uit aan mijn universitair gevormde rechterbuurman? Het evangelie dat wij kerkmensen als onze grootste schat belijden en beleven, blijkt naar buiten toe grosso modo als irrationeel en irrelevant gezien te worden. Je bent middeleeuws en wereldvreemd, als je dat alles nog gelooft. De gevolgen blijven niet uit: onmachtig om zijn diepste geloofsovertuiging aan die ander duidelijk kenbaar te maken, voelt menig kerklid zich beschaamd en ook schuldig.

Zolang als we als kerken en kerkleden ‘onder ons’ zijn, naar binnen gericht, kunnen we de dingen redelijk verwoorden, en ook uitleggen. Maar als het gaat om de overdracht van onze geloofsovertuigingen naar buiten toe, wordt het heel anders. De vraag wat het christelijk geloof en de theologie in concreto aan onze moderne samenleving bijdragen, brengt ons in verlegenheid. De christelijke boodschap raakt immers gemarginaliseerd, en kerk en theologie zijn door de samenleving grotendeels afgeschreven. De enquêtes rondom de opening van het nieuwe kerkelijk centrum van de SOW-kerken eind vorig jaar spraken boekdelen. Het christelijke denken dat verwijst naar een algemene zijnsen bestaansorde komt niet meer overeen met het ervaringspatroon van de mensen. In de wereld van de politiek, van de wetenschap, van de media, etc., wordt het steeds moeilijker om te werken met argumenten die aan het christelijk geloof ontleend zijn. Voeg hierbij het gegeven van de teruglopende ledentallen: vele kerken hebben eigenlijk al moeite genoeg om de eigen leden (jongeren!) vast te houden. Al vaker proef je een gevoel van onbehagen: is het christelijk geloof nog wel van deze tijd, geeft de kerk soms antwoorden op vragen die niemand meer stelt?

Dit waren tot nu toe weinig opwekkende opmerkingen. Zeker, er zijn ook uitzonderingen en tegenbewegingen. Toch wordt onmiskenbaar het spreken van de kerk in de culturele context van vandaag in dwarsdoorsnee door déze problemen belast. Hoe komt dat toch, wat zijn hier de redenen van?

2. Een peiling: oorzaken en achtergronden

Soms wordt deze vraag naar het ‘waarom’ wat al te vlot beantwoord, met een verwijzing naar het woord van de Here Jezus: ‘Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?’ (Luc. 18:8). De moeite om de waarheid en waarde van het evangelie over te dragen wordt dan rechtstreeks geweten aan de hardheid van het ongeloof, de verkilling van de liefde, de toenemende vijandschap tegen het evangelie. Hoewel we met dit alles stellig rekening moeten houden, hebben we ons toch te hoeden voor een vroegtijdige afschrijving van die moderne mens daarbuiten. Zou het niet mogelijk zijn de spade nog wat dieper in de grond te steken? Het evangelie presenteert zichzelf als een parel van grote waarde, als goud van het zuiverst geestelijk karaat, als dé bron van troost en houvast. Wanneer nu deze bijbelse boodschap in de communicatie tussen de kerk en samenleving maar zo moeizaam overkomt, waar ligt dat dan aan? Ligt het aan die moderne cultuur, ligt het misschien aan de kerk, of ligt het aan het evangelie zelf?

2.1. Ligt het aan het evangelie?

Om met de laatste vraag te beginnen: Inderdaad zijn er velen die menen dat het evangelie zelf achterhaald is. In een tijd van telecommunicatie, genetische manipulatie en ruimtevaart is dat oude verhaal van zonde en genade, van kruis en opstanding voor hen gewoon echt achterhaald. ‘Dat kan ik niet meer meemaken’, hoor je dan. Ontstellend is soms de uitverkoop van het christelijk geloof in modern-theologische ontwerpen, waarin de kern van de bijbelse boodschap steeds smaller, en ook steeds vager wordt. Dat Saksische barbaren de bijbel van Bonifatius aanvaardden is tot daar aan toe, maar dat doen mensen die op de maan wandelen en via een ruimtesonde Satumus verkennen, toch niet meer. Wie goed luistert naar dit gedachtegoed, proeft daarin een grenzeloze overschatting van onze cultuur. Het huidige kennen en kunnen wordt tot maatstaf gemaakt van wat in tijd en eeuwigheid van waarde zou zijn. Maar zó snel kan men zich niet afmaken van het evangelie, dat de eeuwen door zijn weg onder de mensen is gegaan, dat in totaal verschillende ‘werelden’ miljoenen heeft geraakt, veranderd en gestuurd, en dat van onschatbare waarde is geworden voor onze samenleving, alleen al door de diepe sporen die het in de hele cultuurgeschiedenis heeft getrokken.

Laten we dezelfde vraag dan op een andere manier stellen. Ligt het ten dele toch niet aan het evangelie zelf, als de communicatie ervan zo moeizaam is? Het evangelie is immers niet naar de mens, het is de Joden een aanstoot en de heidenen een dwaasheid (1 Kor. 1:23). Het zijn niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken, die door het evangelie worden geroepen (1 Kor. 1:26). Zij die het aanvaarden worden burgers van een rijk in de hemel (Fil. 3:20), en dat is voor de buitenwereld een zeer bevreemdend iets (1 Petr. 4:4). Inderdaad, de bijbel bevat niet een direct verstaanbare, inzichtelijke en gemakkelijk te verteren boodschap. Het evangelie ligt niet goed in het gehoor, en staat in menig opzicht haaks op ons kennen en kunnen. Dit moeten we ons in ons spreken over het geloof goed bewust zijn: het evangelie is en blijft een ‘vreemde’ boodschap, die een ongeestelijk mens niet kan verstaan (1 Kor. 2:14). Maar dit alles was niet anders in eerdere en andere culturen dan de onze. Wanneer het spreken van de kerk in de culturele context van heden zo moeilijk verloopt, valt daar dus meer van te zeggen.

2.2. Ligt het aan de moderne cultuur?

Zou het kunnen zijn dat de mens van vandaag in zijn grandioze zelfontplooiing zich gaandeweg een zo eenzijdig beeld van de werkelijkheid is gaan vormen dat hij als het ware een blinde vlek krijgt voor waar het wezenlijk op aan komt? Dat zijn kennis de natuurlijke eeltlaag tegen de waarheid van het evangelie alleen maar heeft vergroot? Ter beantwoording van deze vraag proberen we eerst die door de moderne cultuur gevormde mens enigszins nader in beeld te krijgen. Dat doen we met een houtskoolschets in zeven lijnen, die onvermijdelijk generaliserend zijn. Zeven trekken, die we elk contrasteren met de prediking van het evangelie.

1. De moderne mens is autonoom.

Deze mens denkt antropocentrisch, hij is het die het centrum van het bestaan wordt en daar zijn wetten stelt. Ruimte en tijd trekken zich samen op het hier en nu. Een slinkend historisch besef en transcendentieverlies zijn onmiskenbaar. Deze mens poneert zichzelf, richt met zijn wil zijn wereld in naar zijn behoeften, naar zijn ontwerp.

Hoe bereik ik deze autonome mens met de boodschap over God de Gans Andere, Schepper van hemel en aarde, en over Gods grote daden in net verleden die voor ons in net heden voor eeuwig beslissend zijn? Hoe vertel ik hem over de realiteit van hemel en hel, of over het heilzame van Gods geboden?

2. De moderne mens is rationalistisch.

Het besef dat de dingen hun geheim hebben wordt verdrongen door de zucht tot beheersing van de werkelijkheid. Deze werkelijkheid ligt aan onze kant, is steeds meer product van onze macht. Wetenschap en techniek verdienen een enorm vertrouwen. Het logisch meetbare en controleerbare telt, al wat te definieren en te verifiëren is. Wij leven met de knop en de kraan, en niet van de voorzienigheid Gods.

Hoe bereik ik deze rationalistische mens met de bijbelse boodschap van de onnaspeurlijke wijsheid Gods, met het machtige geheim van de uitverkiezing; hoe leg ik hem de noodzaak en de vreugde van het gebed uit?

3. De moderne mens is materialistisch.

Geestelijke en morele waarden raken ondergeschikt aan economische belangen, die de Jacht naar gerief, genot en materiële schaalvergroting stimuleren. De carpe diem-mentaliteit en het profijt-denken beheerst tallozen: haal uit het leven wat erin zit. Je moet je uitleven, scoren, het maken, jezelf verwennen. Zoals iemand het formuleerde: het ideaal is de young urban person met een fors inkomen, een goedgevulde reisvideotheek en de nodige glamour.

Hoe bereik ik deze materialistische mens met de boodschap aangaande mot en roest, en het verzamelen van schatten in de hemel? Hoe leg ik hem de rijkdom van geestelijke waarden uit, en de vreugde van de verborgen omgang des Heren?

4. De moderne mens is individualistisch.

Zijn denken en handelen cirkelt sterk random de eigen persoon, en daarbij is hij niet bescheiden: ‘Ik ben het waard, u ook?’. Zelfverwerkelijking en zelfontplooiing staan hoog in het vaandel. Besef van gemeenschap en verantwoordelijkheid slinkt: ‘Laat de leeuw in je los, geen kudde, geen kooi’. Deze mens beleeft zichzelf al minder als deel van een groter geheel, zijn leven raakt geprivatiseerd.

Hoe bereik ik deze individualistische mens met het bijbelse spreken over naastenliefde en opoffering, over nederigheid en ingetogenheid? Leg hem uit dat God een God is die de mens verantwoordelijk stelt, en die toornt over de zonde. Spreek hem over de noodzaak van de wedergeboorte en het bloed der verzoening, of over de kerk als het lichaam van Christus.

5. De moderne mens denkt pluralistisch.

Hij is wereldburger geworden en via de moderne media is hij op de hoogte van vele godsdiensten en levenswijzen, die alle aanspraak op waarheid maken. Een absoluut oordeel zal hij ogenblikkelijk relativeren, omdat tegenover elke visie zovele andere staan. Er zijn immers allerlei wegen die naar hetzelfde doel leiden. Hoe bereik ik deze pluralistisch denkende mens met de unieke naam van Christus, die de weg en de waarheid en het leven is? Hoe leg ik hem uit dat de wet Gods werkelijk onderscheid tussen goed en kwaad leert, algemeen geldige normen aanreikt?

6. De moderne mens denkt gefragmentariseerd.

Hij heeft niet langer een en hetzelfde kader voor zijn kijk op de werkelijkheid. Hij denkt in compartimenten, waarin de eenheid van het leven is opgebroken. Werk, uitgaan, sport, vakantie, kerk, familie, ieder compartiment wordt beheerst door eigen regels en idealen, zonder dat daartussen noodzakelijke dwarsverbindingen zijn.

Hoe bereik ik de moderne mens in zijn gefragmentariseerde leven met het bijbelse denken over het leven dat één en ongedeeld is en dat één doel heeft? Hoe leg ik hem uit dat de heiliging die God van ons vraagt over de hele linie van ons bestaan wil doorwerken in een totaal-wijding aan Hern?

7. De moderne mens is bedreigd.

Bij het wijken van de grenzen kwam tenslotte ook meer zicht op het onbegrijpelijk grate lijden in deze wereld: natuurrampen, vreselijke ziekten. volken die in haat elkaar te gronde richten - de moderne mens weet van de zinloosheid en de pijn, en is geschokt.

Hoe bereik ik deze bedreigde mens met de boodschap van Gods leiding en heilsplan, voorzienigheid en rechtvaardigheid? Hoe spreek ik over de God die licht is, in wie in het geheel geen duistemis is (1 Joh. 1:6)?

Wanneer het beeld dat we aldus schetsen enigszins juist is, kunnen we ook beter verstaan, waarom het spreken van de kerk in de culturele context van vandaag op een muur van onbegrip lijkt af te stuiten. Want in zulk een denk- en leefklimaat móet het evangelie wel als een vreemde eend in de bijt worden ervaren, wellicht meer dan ooit. De verstaanskaders van heden maken de barrière extra groot. Toch gaan we nog een stap verder, en steken we de hand in eigen boezem. Zou bij dit hele vraagstuk de kerk zelf buiten schot kunnen blijven?

2.3. Ligt het aan de kerk?

We weten allen dat bij de ontvangst van een boodschap de beoordeling van de brenger van deze boodschap een grote rol speelt. Ongetwijfeld zou de muur van onbegrip en onverschilligheid tegenover het evangelie minder hoog en dik zijn, wanneer de kerk één en ongedeeld, met inzet en grote overtuiging, in bewogenheid en liefde voor de ander, zelf meer staat voor en leeft uit dat evangelie. Als mijn rechterbuurman zo wars is van het spreken van de kerk, hoeveel heeft dat dan te maken met het beeld dat hij van de kerk heeft, terecht of onterecht? Denk een moment aan de wijze waarop felle interne polemieken in de publiciteit komen. De verdeeldheid van de kerk draagt bepaald niet bij tot de aantrekkingskracht van de boodschap. Als het evangelie werkelijk onze schat en ons hoogst behoud is, dan moet dat toch ook aan ons te merken zijn, in de wijze waarop we in het leven staan, in de omgang met de ander. Hoe zou het spreken van de kerk door buitenstaanders goed gehoord kunnen worden, als zij ondertussen de brief van Christus in ons leven (2 Kor. 3:3) nauwelijks kunnen ontcijferen?

Deze kritische vragen kunnen met vele vermeerderd worden. Is de kerk wellicht ongemerkt zover meegegaan in de culturele en geestelijke ontwikkelingen van de moderne tijd, dat zij zelf van wezenlijke elementen van het evangelie vervreemd is geraakt? Wat betekent bijvoorbeeld voor het gemiddelde kerklid het leven uit de verwachting van Christus’ wederkomst, het ‘doet dit totdat Ik kom’ van het Avondmaal, inclusief het besef dat wij van de wereld gebruik maken als zouden we haar niet ten einde toe gebruiken, omdat het uiterlijk van deze wereld bezig is te verdwijnen (1 Kor. 7:31)? We kunnen ook vragen of de kerk niet te binnenkerkelijk gericht is, overkomt als een gesloten front, zelfverzekerd en wel. Heeft de kerk aanleiding gegeven voor het verwijt van buiten dat die christenen altijd menen de waarheid in pacht te hebben? Zien wij wellicht het evangelie tezeer als bezit en beleven we het te weinig als geschenk en opdracht? Hoe komt het toch dat zovelen een beeld van de kerk hebben als een instituut dat statisch, conservatief, voorspelbaar is, en met zijn erediensten, zijn eigen vakjargon en leersysteem in een isolement leeft? En wat moet een buitenstaander aan met die soms zo pertinente gerichtheid op uiterlijke kenmerken in kleding of taalvormen, die een verouderde culturele gestalte lijkt te willen canoniseren? Moet het ons niet wakker schudden als we zien dat de gemiddelde kerkelijke jongere nauwelijks in staat is om de essentie van het christelijk geloof in enkele zinnen aan een buitenstaander uit te leggen?

Kortom, als het spreken van de kerk in de culturele context van vandaag op zoveel afweer stuit, kunnen we niet met een eenduidige verklaring volstaan. Hier zijn vele oorzaken voor aan te wijzen, waarbij wij zelf niet buiten schot blijven.

Prof. Peels is hoogleraar in de oud-testamentische vakken in Apeldoorn.

Dit artikel bevat de tekst van een lezing die op 18 januari jl. gehouden werd in het kader van de Reformatorische Bezinningsavonden te Rijswijk.

** In dit verband is de recente LCJ-brochure Spoor-loos? te verwelkomen: laat ook juist op het niveau van jongeren over deze materie gesproken worden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.