+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui !

Gideon 15 (Richt. 6 : 22 v.v.).

Het geschenk, dat door Gideon aan z’n Gast werd voorgezet, werd dus door de Engel des Heeren omgezet in een offer. Daar ging een geweldige prediking van uit. Niet alleen voor Gideon in zijn dagen, maar ook voor ons, die leven in de N. Test. bedeling. Want dit offer wees heen naar de Heere Jezus Christus. In Hem is alles vervuld. We leven, als jullie dit lezen, weer in de tijd dat Zijn geboorte herdacht wordt. Hij is gekomen naar deze wereld om als een onbestraffelijk en onbevlekt Lam Zichzelf Gode op te offeren. Hij moest een Lam zijn zonder enig gebrek. En dat is Hij ook geweest. Hij is, als ’t ware door de Vader Zelf gekeurd, goedgekeurd. Hij is door het vuur van Gods toorn gans verteerd geworden. Ja, Gods toornvuur is tegen Hem uitgewoed En dan daarbij te bedenken, dat wij, jullie en ik dit hebben verdiend.

Beste vrienden, leef daar a.u.b. niet overheen. Want dit zijn zaken, die vandaag echt niet meer in de geestelijke markt liggen. Je mag van alles nog te koop aanbieden. En dat gebeurt ook. Er zijn heel wat geestelijke handelaars, of moet ik zeggen zwendelaars (?) op pad, om de mensen Jezus aan te prijzen. Ze zeggen steeds maar: Je moet geloven! Als je maar gelooft, dan kom je er wel! Maar hoe men aan dat geloof moet komen, dat blijft een verborgen zaak.

Doch degenen, die door Gods Geest geleid worden, die komen er achter, dat de dingen zo eenvoudig niet liggen, als ze worden voorgesteld door hen, die zelf van alle geestelijke verstand ontbloot zijn.

Gods kinderen moeten leren, wil het enige Offer van de Heere Jezus waarde voor hen krijgen, wat zij waard zijn. En wat zijn zij dan waard? Zij zijn niets anders waard, dan dat de Heere hen door het vuur van Zijn toorn zou verdelgen, van voor Zijn aangezicht.

Daar kwam Gideon ook achter. Toen zijn geschenk een offer was geworden, toen had hij wel van vreugde kunnen opspringen. Want nu kon hem, goed gezien, geen kwaad meer wedervaren. Doch toen begon hij juist het kwaad te vrezen. De oorzaak hiervan was, dat hij de „zin” van alles wat voor zijn ogen gebeurd was niet begreep. Hij moest overal achter gebracht worden. En zo is het nog. Je kunt op een school, op katechisatie, zelfs op een theologische school, op een rijtje leren, hoe in de Godsdienst alles in elkaar zit. Maar als het op de praktijk van het leven aankomt, dan moet alles geleerd worden. Zo ook met Gideon. Toen het voor hem bevrijdende offer was gebracht, dacht hij te moeten sterven. Lees het maar in vers 22: „Toen zag Gideon, dat het een Engel des Heeren was, en Gideon zeide: Ach, Heere, HEERE, daarom, omdat ik een Engel des Heeren gezien heb van aangezicht tot aangezicht.”

De zin is niet af. Hij bedoelt eigenlijk te zeggen: „Daarom moet ik sterven”. Hij ontdekte, dat hij als een onheilige in kontakt gekomen was met het Heilige, met dé Heilige. En wie kan dan bestaan? Had de Heere niet tegen Mozes gezegd, en dat wist hij als kenner van de geschiedenis maar al te goed: „Mij zal geen mens zien en leven (?)” Dit stond nu als een onomstotelijke waarheid, heel konkreet voor zijn ogen. Hij, de zondige Gideon moest sterven! Maar Gideon, hoe kun je zo iets denken? Ben je dan vergeten, wat de Heere tegen je gezegd heeft? Weet je het niet meer, dat Hij beloofde met je te zijn? Dan heb je toch niets te vrezen? Hoe kun je daarom nu zo ineens ontsteld zijn? Je moest eigenlijk nu dubbel blij zijn. Want in het offer dat zo juist gebracht is, is je verklaard, hoe de Heere nu met je kan zijn. Dit alleen door het offer.

Dat is allemaal waar. Maar Gideon ziet het niet. De beloften, hoe waar ook op zichzelf, kan hij niet meer bekijken. Het is als ’t ware allemaal uit zijn geestelijke gezichtskring verdwenen. Het is nu omkomen.

Wat liggen hierin een lessen voor het geestelijke leven. Daar moeten jullie maar acht op geven. Want hèt Offer is gebracht. En daarom behoeft er bij degenen, die de Heere vrezen, geen enkele vrees meer te bestaan. Ze hebben de beloften van God in hun hart gekregen, dat Hij met hen zal zijn. Doch als men, als een nietige stofbewoner, een zondig mens, met de Hemel gekonfronteerd wordt, met God in aanraking komt, met Zijn heiligheid te doen krijgt, dan vervult vreze het hart. Want de betekenis van hèt Offer moet nog verklaard worden in het hart. Daarom vrezen juist degenen, die eigenlijk niet behoeven te vrezen, dat zij toch nog zullen omkomen.

Want wie kan bestaan, als de Heere verschijnt? Mogelijk begrijpen jullie deze dingen, in toepassing op je eigen leven.

Je hebt dan wel eens goede gedachten van de Heere gehad. Je hebt met de Heere onderhandeld. Je hebt met de Heere gesproken. Ja, dat kan nu ook nog hoor. Je hebt Hem alles verteld, wat er in je hart leeft. En de Heere heeft ook tot jouw gesproken. Echt tot je gesproken. Laat je niet wijs maken, dat dit tegenwoordig niet meer gebeurt. Want dat gebeurt nog wel. O neen, Hij verschijnt daartoe niet meer in menselijke gedaante, zoals die Gideon te beurt gevallen is. Hij doet dit nu door middel van Zijn Woord en Geest. Maar dan is het zo reëel, echt, dat het als de stem des Heeren in je binnenste verstaan wordt. Wat kun je er door bemoedigd worden, al kun je het allemaal misschien nog niet zo verklaren, dat de Heere met je te doen wil hebben, dat Hij Zijn Woord krachtig wil doen zijn in je leven. Je put er moed uit!

Doch als je dan met de heiligheid Gods gekonfronteerd wordt, als je er achter komt, dat de Heere een verterend vuur is en een eeuwige gloed is, bij Wie niemand wonen kan, hoe kun je dan voor Hem bestaan? Als Hij Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, hoe zal Hij dan u sparen? U zo’n grote zondaar, zo’n onheilig mens. Dan kun je Gideon begrijpen, dat hij zeide: „Ach, Heere HEERE, daarom, omdat ik een Engel des Heeren gezien heb van aangezicht tot aangezicht”. Je vreest dan duizend zorgen. Duizend doden kwellen dan je angstvallig hart.

Is het dan niet waar geweest, wat je met de Heere onderhandeld hebt? O zeker, maar je kunt het niet meer bezien. De Heere moet er dan Zelf aan te pas komen, om zulk een door „schuldbesef getroffen en verslagen mens”, uit de nood en zieleangsten te bevrijden. En dat doet Hij ook. Hij laat Zijn werk nooit in de steek. Hij doet nooit een half werk. Degenen die door God bearbeid worden, zijn met een half werk niet klaar ook.

Dat is ook een punt, wal wel enige aandacht verdient. Want er zijn zoveel mensen, die met „een half werk” tevreden zijn. Er is iets gebeurd, naar ze denken. Ze hebben wel eens hartelijk gebeden. Ze hebben ook wel eens indrukken gehad. En met ontroering hebben ze wel eens een versje gezongen. Men houdt dit dan zo ongeveer voor alles wat men weten moet. De rest neemt men er wel bij, of die moet men er dan maar bij denken. Je moet aan de zodanigen nooit te veel vragen, want dan loop je gevaar dat ze kwaad worden. Als het bij jullie mogelijk is, twijfel dan maar rustig aan je zelf en dat het je eens heilig ongerust zal mogen maken. Want het bed zou wel eens te kort kunnen zijn en het dek te smal, om je voor God, Wiens Naam Heilig is, te kunnen bedekken. Ik hoop niet dat jullie dit een ouderwetse uitdrukking vinden, doch dat je hem zult verstaan.

Bij Gideon kwam de Heere er aan te pas. Luister maar: vers 23: „Doch de Heere zeide tot hem: Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven”. Wat een heerlijk woord is dit, door de Heere Zelf gesproken. Het is niet gesproken door een mens. Want dan zou het een ijdel woord geweest zijn. Dan zou het in het leven van Gideon geen kracht gedaan hebben. Doch nu is het een woord door de Heere Zelf gesproken. De Heere spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er. Dat heeft Gideon ervaren door het geloof, hetwelk de Heere daartoe in zijn hart werkte.

Daar de mij toegestane ruimte weer bezet raakt, willen we de volgende keer daar verder over gaan denken. Doch dan zijn we het jaar 1974 al weer ingegaan. Wat gaat de tijd toch snel. 1973 behoort bijna al weer tot het verleden. En wat heeft dit jaar ons gebracht? Het is niet mogelijk om op die vraag voor een ieder een passend antwoord te geven. Het zal voor de een droefheid en teleurstelling zijn. Voor de ander mogelijk blijdschap en zegen. Wat is eigenlijk zegen? Een teleurstelling kan ook een zegen zijn, al wordt het niet altijd dadelijk zo gezien. De grote vraag is maar: Waar ben ik met alle wederwaardigheiden des levens terecht gekomen? Hebben ze mij dichter bij de Heere gebracht? Dan heb ik het jaar 1973 met al z’n belevenissen, niet tevergeefs beleefd. Dan zal men alleen maar kunnen eindigen in het wonder, dat de Heere, door alles heen zo goed geweest is voor een slecht mens. Van dat wonder gun ik jullie veel te beleven en voor het komende jaar wensen we jullie allen des Heeren onmisbare zegen. Want die alleen maakt rijk.

Jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.