+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

8 minuten leestijd

Als vanzelf dacht de Pelgrim na over hetgeen hij in de berm van de weg naar Sion had gezien en gehoord, en dat was zijn ziel tot droefheid. In de stilte der eenzaamheid werd het hem steeds duidelijker hoe erg het toch wel is niet te volharden in het zoeken van de dingen der eeuwigheid.

Wanneer Gods kinderen terugdenken aan de reis, die al afgelegd is op de weg naar Sion, dan worden zij herinnerd aan de gevallen die zij hebben meegemaakt. Verschillendepersonen, die een voorname plaats hadden in het kerkelijke leven, zijn lusteloos of moedeloos in slaap gevallen. Met hen gezeten aan de tafel des Verbonds, gediend in het ambt en verkeerd onder Gods kinderen, om daarna als het ware spoorloos te verdwijnen. Velen zijn langs de weg van zorgeloosheid omgekomen in de dienst der zonde. Gelijk men over een muur op de weg kon komen, is het ook mogelijk er op die wijze af te komen. En dat overdenkt u toch, kind des Heeren, met droefheid in uw hart gelijk als de Pelgrim. Het laat zich beter bewenen wat het is de eeuwige zaligheid te derven, dan het in woorden uit te drukken. Het is een wegzinken in de eeuwige duisternis in het dragenvan de wraak des verbonds. AldebeloftenvanhetEvangelie zullen eeuwig getuigen tegen de mens, die niet kwam te volharden in het zoeken van de vervulling.

Hierover wenen de oprechten voor het aangezicht des Heeren en smeken Hem om de verheerlijking van Zijn ontfermende liefde tot bekering. Daar de Pelgrim zo ruim heeft mogen delen in Gods zoete gunst en zalige gemeenschap, beseft hij meer danooithoevreselijk het is dat niet te kennen en niet te zoeken. Vanuit deze gesteldheid des harten kwam de Pelgrim in aanraking met twee mannen, die over de muur aan de linkerkantvanhetsmalle pad klauterden en naar hem toe kwamen. /Ms reizigers naar de schonestadSionzochten zij zijn gezelschap om met hem mee te reizen en te spreken over al het heerlijke, dat daarin gevonden werd.

„Wel, mijn heren zo sprak de Pelgrim hen aan waar komt gij vandaan en waar gaat gij heen?" Waarop de twee mannen, waarvan de een Vormelijk en de ander Schijnheilig genaamd werd, antwoordden: „Wij zijngeboortig uit het land IJdele Eer engaanheen om te aanbidden op de berg Sion”.

De kennismaking waaruit een scherpebespreking is voortgekomen, had wat het geestehjke leven betreft, niet de minste diepgang.

Van stad of dorp werd in deze korte kennismaking niet gesproken. Het land van hun geboorte werd het land IJdele Eer genaamd en dat is een duidelijke benaming van de wereld, die in het boze ligt. Al de burgers van dit land, hetzij jong of oud, rijk of arm, zoeken uit kracht van hun geboorte eer en aanzien. Het zoeken van ijdele eer was dan ook de oorzaak van des mensen val. Uit de ijdele gedachte als God te zullen worden door te eten van de verboden boom, zelf uit te maken wat goed en wat kwaad is, is een wereld vol ijdele eer voortgekomen. Daarmee heeft de mens met opzet de verheerlijking van Gods Naam, het verheven doel der schepping weggevaagd voor zijn hart en leven.

Maar met dat onteren van de Heere heeft de mens zichzelf gesteld in de schande van de ongerechtigheid. iiij het dglen in het stof der aarde gaat de zondaar, die sterft zoals hij geboren is, voor eeuwig onder in de schande van zijn dwaze zelfverheffing.

In de overtuiging dat al de eer van deze wereld ijdel is, hebben deze mannen het land van hun geboorte verlaten en zijn reizigers geworden naar Sion. De eer als hemelburgers te mogen sterven en aan te zitten met Abraham, Izak en Jakob, werd nu door deze mannen gezocht.

Inderdaad is de eer van gesteld te mogen worden aan des Heeren rechterhand onuit sprekelijk groot. En die eer wordt de oprechten toegezegd met dit woord: "Want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden”.

Hier staat dus de ijdele eer van een wereldburger tegenover de werkelijke eer van een hemelburger. En nu zoeken deze mannen de eer van opgenomen te worden in Sion. Maar wat daar van Godswege tussen staat, zoeken zij net niet. De eer van opgenomen te zullen worden in de eeuwige heerlijkheid geldt alleen het volk, dat de Heere eert. Hij zegt: "Die Mij eren, zal Ik eren”. Het is de keus van de oprechten de Heere te eren, te verheerlijken en dat kunnen deze mannen niet.

Door te klauteren over de muur hadden deze mannen zich bij de Pelgrim in verdenking gesteld. Door niet te buigen voor de majesteit van het Woord, werd de Heere onteerd, en dat krenkte hem.

„Waarom zijt gij niet binnen gekomen door de poort aan het begin van de weg? Weet gij niet dat: Wie niet ingaat door de deur, maar van elders inklimt, een dief en een moordenaar is?"

Deze vraag kwam bij de Pelgrim op uit de liefde van zijn hart tot de eer van zijn Heere en tot heil van hun onsterfelijke zielen. En toch is in dit vragen iets richterlijks. lets dat doet denken aan de grote dag des gerichts. nij het ontmoeten van mensen op een droggrond voor de eeuwigheid, zijn wij verplicht hen te waarschuwen. En wordt dat verzuimd, dan zal hun bloed van onze hand geeist worden in de grote dag des gerichts. En zo heeft het leven altijd en in alles een richterlijk bestaan. Het stelt ons voor een grote verantwoordelijkheid.

Het gaan door de enge poort van de waarachtige bekering hebben wij uit liefde tot de majesteit van het recht ter harte te nemen. Uit liefde tot Gods recht hebben wij onze zonden te belijden en te bewenen, de oude mens af te sterven en de nieuwe mens aan te doen door het opstaan in de Heere.

Maar daarvan is in de levensopenbaringvan deze mannen geen spoor te vinden. Daaruit blijkt, dat de vernieuwing des harten gemist wordt. in de Schrift wordt ons altijd weer de waarachtige bekering op het hart gebonden, om die te zoeken in de dierbare bearbeiding van Gods Geest. Dat hebben wij niet alleen bij de aanvang, maar ook bij de voortgang no dig.

Wie niet ingaat door de deur, maar van elders inklimt, is een dief. Dat doet ons vragen of een mens dan pas een dief wordt als hij van elders inklimt. Van Adamswege is toch elk mens door zijn geboorte uit hem als een dief op de wereld gekomen? Dat zullen wij alien wel beamen.

Maar nu is er onderscheid in, of gedoeld wordt op het stelen, waardoor de mens in Adam een dief geworden is, een ellendige zondaar, dan wel of het gaat om het stelen, waarmee de mens de zaligheid denkt te verkrijgen. En daar deze mannen over de muur geklommen zijn, hebben zij het vermeende recht van te zijn op deze weg gestolen. Maar nee, de eer van in te gaan in de eeuwige heerlijkheid is door diefstal niet te verkrijgen.

Er zijn helaas heel wat godsdienstige mensen, die het onderscheid, dat er is tussen nemen en aannemen, niet willen erkennen. Daar de goederen van Gods genade, zo redeneren zij, ons uitgestald en aangeboden worden in de prediking van de beloften van het Evangelie, ligt daarin voor ons toch het recht die toe te eigenen en daarop de eeuwige zaligheid te verwachten?

Zeg mij, wanneer ons iemand in het natuurlijke leven iets belooft, hebben wij dan uit kracht van dat beloven het recht van nemen of toeeigenen, of geeft ons dat alleen een recht van vragen om de vervulling van diebelofte? Mij dunkt, dat het antwoord op deze vraag voor ons niet moeilijk zal zijn.

Het beloven geeft ons in het natuurlijke leven het recht van vragen om de vervulling van die belofte. En zo wil de Heere er ook om gevraagd worden. Hij alleen kan Zijn beloften in ons hart en leven vervullen.

Wie genoeg heeft aan de belofte, heeft niet het geloof van vader Abraham. Want hij bad en smeekte de Heere bij Zijn altaar om de vervulling van Zijn beloften. En die vervulling was hem tot grote vreugde.

Wie hetgeen beloofd is, neemt, zich toeeigent, bedriegt zich voor de eeuwigheid, daar hij dan zit op een droggrond.

Eerlijk zijn wij, zo het is een smeken om de vervulling van Gods belofte, een smeken om door Zijn Geest geleid te worden door de enge poort. Gekomen aan de voet van het kruis heeft de Pelgrim niets genomen, maar alles aangenomen wat hem van Godswege werd geschonken. Aangenomen heeft hij dat goed in verwondering en aanbidding. Hij kan er mee komen voor Gods aangezicht.

Wanneer deze mannen zeggen, dat zij op reis zijn naar Sion om de Heere te aanbidden, dan klinkt dat wel vroom, maar zij weten niet wat aanbidden is. Hoe kan een mens, als hij leeft van gestolen goed, een biddend leven leven? En zonder een biddend leven kan niemand tot aanbidding komen. Deze mannen moeten terug met de bekentenis, dat zij nog wereldburgers zijn. Al hun godsdienst is niet meer dan vorm en schijn. Terug moeten zij om het van de Heere te begeren door vernieuwing en bekering des harten in te mogen gaan.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.