+ Meer informatie

Overheid, ouders en kinderen

10 minuten leestijd

De opvoeding van kinderen is een zaak die in de meeste gevallen primair door de ouders ter hand genomen wordt. De meeste mensen zijn er ook van overtuigd, dat dit een juiste zaak is. De verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen ligt in de eerste plaats bij de ouders. De opvoeding van de kinderen is echter ook een zaak die de overheid raakt. In de loop van ruim honderd jaar, is de bemoeienis van de overheid met het gezin toegenomen. Vele wetten zijn in het parlement besproken en aangenomen die direct of indirect de opvoeding van de kinderen betreffen. Een paar voorbeelden: het verbod op de kinderarbeid, de leerplicht, de kinderbeschermingsmaatregelen. De eerstgenoemde wetten waarborgen dat toekomstige burgers een minimumpeil van ontwikkeling ontvangen, welke nodig is om een samenleving in stand te kunnen houden. De kinderbeschermingsmaatregelen zijn nodig om misbruik van de ouderlijke macht tegen te gaan. leder is het erover eens dat dit soort regelgeving gerechtvaardigd is. Het is zeker de taak van de overheid om kinderen te beschermen tegen machtsmisbruik van de ouders. Vanaf de zeventiger jaren komt er echter een ontwikkeling op gang die tot gevolg heeft, dat derden zich in veel meer ”normale gezinssituaties” met de opvoeding kunnen gaan bemoeien. Ik zal in de eerste plaats aangeven in welke situaties dit mogelijk is en wat door verschillende juristen en politieke partijen bepleit wordt. Vervolgens plaats ik bij deze ontwikkelingen enkele kritische kanttekeningen.

I. Een toenemende omschrijving van de rechtspositie van de gezinsleden.

Al jaren wordt door steeds meer politieke partijen de nadruk gelegd op de mens als individu. Een individualisering heeft op verschillende terreinen van het overheidbeleid doorgewerkt. Men denke alleen maar aan de belastingwetgeving en het streven om meisjes vanaf achttien jaar economisch zelfstandigheid te bezorgen. Op het gebied van het jeugdrecht laat de individualisering ook sporen na. Er worden pogingen gedaan en pleidooien gevoerd om de positie van de verschillende leden binnen het gezin in juridische regels te vatten. Dit wordt gedaan door middel van de wijziging van de rechtspositie van de moeder en door het versterken van de rechtspositie van de minderjarige tegenover zijn ouders.

A. De rechtspositie van de moeder

De rechtspositie van de moeder inzake de uitoefening van de ouderlijke macht is sinds 1 januari 1985 gelijkgesteld aan die van de vader. Voor die tijd gold de regeling dat de vader de doorslaggevende stem had in conflictsituaties over de opvoeding. De moeder kon slechts een beroep op de rechter doen, indien de vader misbruik maakte van zijn beslissingsbevoegdheid. Deze regeling stoelde op de christelijke leer, die inhoudt dat de vader het hoofd van het gezin is. Bovendien was het twijfelachtig of een rechterlijke inmenging een positieve uitwerking zou hebben op de gezinsrelaties. Dit is nu echter verleden tijd. In het kader van de gelijkstelling tussen man en vrouw, mocht deze regeling niet blijven bestaan. De consequentie hiervan is, dat derden, i.e. de kinderrechter, zich kunnen gaan buigen over opvoedingsconflicten zonder dat er sprake hoeft te zijn van excessen. De nieuwe regeling verleent de kinderrechter een discretionaire bevoegdheid. Hij heeft alle vrijheid gekregen om dié oplossing te geven, die hij in het belang van het kind acht.

Als ouders bijvoorbeeld onenigheid hebben over de schoolkeuze van hunkind, kan het inroepen van de rechter ertoe leiden dat geen van beiden gelijk krijgt. De rechter kan van mening zijn dat een heel ander soort onderwijs in het belang van het kind is. Zowel de vader als de moeder worden op die manier buiten spel gezet.

B. De rechtspositie van de minderjarige

De rechtspositie van de minderjarige vormt de andere poot van de individualisering binnen het gezin. Verschillende jeugdrechtdeskundigen pleiten voor de omschrijving van rechten van minderjarigen. In het parlement worden deze wensen door nagenoeg alle partijen overgenomen. Tot nu toe is er nog geen voorstel besproken dat een integrale wijziging van de rechtspositie van de minderjarigen bevat. De regering is terughoudender dan de politieke fracties in het parlement. Toch valt op deelgebieden van het recht te constateren dat de tendens tot individualisering van de minderjarige onverminderd doorgang vindt. Het is een sluipend proces.

B.1. Het strafrecht

Op strafrechtelijk gebied is in 1983 een rechtvaardigingsgrond opgenomen voor de hulpverlener, die opzettelijk een minderjarige onttrokken heeft aan de ouderlijke macht. De (tijdelijke) uitschakeling van de ouderlijke macht is met weinig waarborgen omringd. De verblijfplaats van de minderjarige moet aan de Raad voor de Kinderbescherming worden doorgegeven of er moet gehandeld worden in het kader van zorgvuldige hulpverlening. Melding aan de gezagsdragers van het feit dat hulp wordt verleend, vormt hier een bestanddeel van. Zeker in de eerste periode nadat de minderjarige weggelopen is van huis, staan ouders juridisch machteloos. De kwaliteitvan de hulpverlening wordt niet direct door de kinderrechter beoordeeld. Ook hebben de ouders in eerste instantie geen recht om hun visie op het conflict te geven.

B.2. Het gezondheidsrecht

In het voorontwerp ”Patiëntenrechten”, een voorstadium van een voorstel van wet, wordt de rechtspositie van de minderjarige op het terrein van de gezondheidszorg gedetailleerd omschreven. Dit is de eerste keer, dat de overheid regels stelt voor de beslissingsbevoegdheid van ouders en kind in een ”normale” gezinssituatie. Deze regels houden in, dat kinderen van 16 jaar en ouder zelf beslissingen mogen nemen op het gebied van de gezondheidszorg. Ze mogen dus zelf een behandelingsovereenkomst met een arts, specialist sluiten, zonder dat de toestemming van de ouders nodig is. In eerste instantie zijn ze zelf aansprakelijk voor de kosten. In het voorontwerp wordt echter een voorbehoud gemaakt: de wettelijke vertegenwoordigers blijven naar draagkracht aansprakelijk voor de kosten voor zover deze voortvloeien uit hun verplichting tot verzorging en opvoeding van de minderjarige. Waar zou dittoe kunnen leiden? Twee voorbeelden: een meisje kan anticonceptiemiddelen bij de huisarts ”bestellen”, zonder dat ouders hierin gekend worden of er juridisch nog iets tegen kunnen doen. Een puber kan emotioneel zo met zichzelf in de knoop liggen, dat hij valium nodig heeft om overeind te blijven. Ook dit kan buiten de ouders om geschieden en als de jongere hen niet inlicht, zullen ze het niet te weten komen.

Voor de leeftijdscategorie van 12 tot 16 jaar is een vrij ingewikkelde regeling ontworpen. Ouders hoeven geen toestemming te geven voor de uitvoering van een behandelingsovereenkomst, wanneer de behandeling ”geïndiceerd” is. Je kunt je afvragen, wanneer een behandeling niet geïndiceerd is. De minderjarige moet ook toestemming geven voor de uitvoering van de behandelingsovereenkomst, als de arts hem in staat acht ”tot een redelijke waardering van zijn belangen”. In bepaalde gevallen zal de minderjarige niet willen dat zijn ouders ingelicht worden. De arts mag hiermee instemmen, indien hij de minderjarige ”in staat acht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake”. De arts krijgt door deze regeling een belangrijke stem over een bepaald onderdeel van de opvoeding.

B.3. Euthanasie

Tijdens de parlementaire debatten over de euthanasievoorstellen is het zelfbeschikkingsrecht van de minderjarige over het einde van zijn leven ter sprake geweest. De P.v.d.A. is van mening dat ouders niet het laatste woord mogen hebben, indien hun kind een weloverwogen verzoek tot euthanasie doet. Andere partijen willen wel een ”vetorecht” van de ouders opnemen. Minister Korthals Altes verdedigt ook de visie dat bezwaren van ouders doorslaggevend zijn. Hij doet dit echter niet op grond van principiële overwegingen, maar hij acht een dergelijke regeling in het belang van de rechtszekerheid van de arts.

II. Enkele kanttekeningen

Uit bovenstaande voorbeelden blijkt duidelijk dat tel kens ter discussie wordt gesteld op welke wijze een aparte rechtspositie van gezinsleden gestalte kan krijgen. Ik zal nu kort enkele bezwaren tegen deze ontwikkeling noemen.

A. Geen noodzaak

De noodzaak om regels te stellen voor de beslissingsbevoegdheid over belangrijke onderdelen van de opvoeding is niet aangetoond. Wordt er een belangrijk maatschappelijk doel mee gediend? Dragen dergelijke regels bij tot de vorming van evenwichtiger, zelfstandiger burgers? Er zijn mensen die vinden dat de minderjarige bevrijd moeten worden van de absolute ouderlijke macht. In deze visie wordt een klein aspect van de relatie tussen ouders en kinderen verabsoluteerd, namelijk het juridische aspect. Een ander argument dat wel genoemd wordt, luidt dat de maatschappelijke werkelijkheid niet overeenstemt met de juridische regels. Hier wordt gedoeld op het feit dat minderjarigen vele rechtshandelingen plegen. Ze kopen dagelijks allerlei zaken, zonder dat de winkelier vraagt of ze wel toestemming hebben van hun ouders. In de praktijk levert deze discrepantie tussen wet en werkelijkheid geen problemen op. Het is de vraag of een nieuwe regeling zinvol is. Bovendien zou de nieuwe wet recht moeten doen aan de individuele verschillen tussen minderjarigen en tussen hun gezinsomstandigheden. Hiervoor zouden allerlei vage criteria in de wet opgenomen moeten worden. Deze bieden weinig houvast voor de dagelijkse praktijk.

B. Het oplossen van gezinsconflicten door buitenstaanders

Indien de overheid de rechtspositie van gezinsleden ten opzichte van elkaar vastlegt, houdt dit automatisch in dat ook voor een conflictenregeling gezorgd moet worden. Bij verschil van mening over de uitoefening van de ouderlijke macht kan de beslissing van de kinderrechter ingeroepen worden. Deze moet zich dan intensief met de opvoeding bezighouden, wil hij een gewogen oordeel over het meningsverschil kunnen geven. Naast het bezwaar dat de rechter een grote rol zal spelen in de opvoeding, kan ook genoemd worden dat het twijfelachtig is of ouders uitvoering zullen geven aan het oordeel van de rechter.

Bij het vraagstuk van de hulpverlening aan weggelopen minderjarigen kan geconstateerd worden, de hulpverlener in eerste instantie grote invloed op de conflictbeslechting heeft. De positie van de ouders wordt ondergewaardeerd. In het voorontwerp ”Patiëntenrechten”; wordt een grote rol aan de arts toegekend om te beoordelen of een minderjarige in staat is zijn belangen goed te kunnen overzien. Het komt erop neer dat de minderjarige niet meer ”overgeleverd” is aan de normen van zijn ouders, maar aan die van derden.

C. Geen kind is gelijk

Het stellen van leeftijdsgrenzen is een riskante zaak, omdat de ontwikkeling van jongeren grote individuele verschillen laat zien. De opvoeding kan ook niet opgedeeld worden in stukjes. Een kind bestaat niet uit een stukje gezondheid, vorming enz. De ouders moeten het recht behouden om het kind naar hun inzicht en normen op te voeden, zolang het kind nog onvolgroeid is en niet in staat om zelfstandig te functioneren. Wie kan beter dan de ouders beoordelen of een kind zelfstandig een beslissing nemen kan of niet?

D. De normatieve werking van de wet

Wanneer de overheid in regels vastlegt wie bevoegd is bepaalde beslissingen te nemen over deelgebieden van de opvoeding, dan heeft dit gevolgen voor het omgaan van gezinsleden met elkaar. Tot nu toe is het zo dat ouders juridisch gezien volledige zeggenschap hebben over hun minderjarige kinderen. Dit betekent dat de overheid hen vrij laat te bepalen wat zij goed achten voor hun kind. Noch ouders, noch kinderen kunnen uit overheidsregels afleiden wanneer een minderjarige zelf mag beslissen over een bepaalde aangelegenheid. Het is niet geheel denkbeeldig dat door het toekennen van bevoegdheden aan minderjarigen de verhouding tussen ouders en kinderen verhard wordt. Waar het eerst mogelijk was om in onderling overleg tot een goede keus te komen, zou nu het advies van ouders bij voorbaat afgeketst worden, omdat de minderjarige het zelf mag uitmaken. Maar ook andersom: ouders zouden via andere onderwerpen hun kind kunnen dwingen, chanteren, toch hun zin te doen. Ook ambtsdragers zouden geconfronteerd kunnen worden met de normatieve werking van overheidsregels. Stel dat vastgelegd zou worden dat minderjarigen vanaf 14 jaar zelf mogen beslissen of ze lid blijven van de kerk. Het gesprek over de kerkgang en het catechisa-tiebezoek wordt er niet gemakkelijker op, als minderjarigen wijzen op overheidsregels, die hun de vrijheid geven zelf te beslissen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.